Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB2178

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-07-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
07/111 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de uitspraak wordt de wijze van optreden van de voorzitter van de hoorcommissie besproken in het licht van de vereiste onafhankelijkheid. Maar de belangrijkste reden voor insturen zit in het principiële oordeel van de rechtbank dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond voor subsidievaststelling zich niet verdraagt met het gesloten stelsel van imperatieve weigerings(- en intrekkings)gronden van de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 111 WET K1

Inzake : Maatschap [naam maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

tegen : De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voor deze de Teammanager Juridische Zaken Dienst Regelingen, gevestigd te Diemen, verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 19 december 2006,

kenmerk: C06.2.0771.

Datum van behandeling ter zitting: 31 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres tot subsidievaststelling in het kader van de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002 (hierna te noemen: de Regeling). Tegen dat besluit is door eiseres beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan (de gemachtigde van) eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 31 mei 2007, waar namens eiseres de heer [naam] is verschenen, bijgestaan door mr. ing. W. Engels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.J.M. Schipper.

II. OVERWEGINGEN

Op 5 juli 2005 dient eiseres een aanvraag tot subsidieverlening in bij verweerder in het kader van de Regeling.

Deze aanvraag is bij besluit van 11 oktober 2005 goedgekeurd, waarbij de aanspraken op afbraaksteun voorwaardelijk zijn bepaald op een bedrag van € 26.924,-.

Vervolgens is op 19 mei 2006 een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend, welke aanvraag bij besluit in primo van 14 juli 2006 is afgewezen. Als reden hiervoor voert verweerder aan dat de tot uitoefening van het glastuinbouwbedrijf bestemde gronden moeten worden overgedragen.

Aangezien eiseres de na afbraak vrijgekomen grond niet heeft overgedragen maar verpacht, wordt onvoldoende de garantie bewerkstelligd dat de vrijgekomen grond in gebruik blijft voor de glastuinbouw, aldus verweerder, die daarbij verwijst naar artikel 5, eerste lid, onder b. van de Regeling.

Eiseres dient hierop een bezwaarschrift in, waarbij zij stelt dat in zijn geheel wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5 van de Regeling, nu sprake is van een overdracht die door middel van vestiging van een pachtrecht kan plaatsvinden. Voorts doet ze een beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, doordat niet achteraf door verweerder de eis kan worden gesteld van een goedgekeurde pachtovereenkomst respectievelijk wordt gesteld dat eiseres al na de subsidieverlening de kassen heeft afgebroken in de overtuiging dat aan de voorwaarden, gesteld in de Regeling, zou kunnen worden voldaan. Tenslotte wordt nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel, aangezien de gevolgen van het besluit in geen enkele verhouding staan tot de schade die eiseres dreigt te lijden nu zij reeds als gevolg van de verleningsbeschikking is overgegaan tot sloop.

Bij besluit op bezwaar van 19 december 2006 overweegt verweerder dat de aanvraag om subsidievaststelling, onder verbetering van de gronden, terecht is afgewezen. Als dragende overweging voor de afwijzing voert verweerder nu (samengevat) aan dat eiseres de grond heeft verpacht aan een boomkweker. Hierdoor wordt niet voldaan aan artikel 2 van de Regeling die volgens verweerder de eis stelt dat het de bedoeling is dat de grond, die vrijkomt door de afbraak, wordt gebruikt voor het opnieuw inrichten van belendende glastuinbouwkavels. Nu daarvan geen sprake is en gelet op het feit dat de afbraaksubsidie (alleen) kan worden verstrekt ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de glastuinbouwsector, is de afwijzing volgens verweerder terecht geschied en blijven de rechtsgevolgen van het betwiste (primaire) besluit onverkort van toepassing. De bezwaren worden daarop ongegrond verklaard.

In beroep voert eiseres (samengevat) het navolgende aan:

• Er is sprake van een nieuwe afwijzingsgrond (besluit in primo: geen geldige overdracht vanwege ontbreken goedgekeurde pachtovereenkomst; besluit op bezwaar: toekomstige bestemming moet glastuinbouw blijven, waarvan thans geen sprake is door verpachting aan boomkweker c.q. de afbraaksubsidie levert door deze omstandigheid geen bijdrage (meer) aan verbetering structuur glastuinbouwsector), die

• op instigatie van de voorzitter van de hoorcommissie in het bestreden besluit terecht is gekomen. Er is geen sprake van een onafhankelijke opstelling van de voorzitter, waardoor sprake is van strijd met de goede procesorde, waardoor eiseres in haar belangen is geschaad;

• Strijd met het vertrouwensbeginsel, waarbij verwezen wordt naar de brief van 25 april 2002. In deze brief wordt door een medewerk(st)er van verweerder (ir. ing. Angna, als Regelingsontwikkelaar werkzaam bij Laser richting LLTB (thans Arvalis) desgevraagd medegedeeld dat ‘de eis van de bestemming glastuinbouw bij afbraaksubsidie is vervallen”. Als gevolg hiervan heeft eiseres een subsidieaanvraag ingediend.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij gaat de rechtbank uit van het navolgende (voor de onderhavige uitspraak relevante) wettelijk kader.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a. van de Regeling kan de minister ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de glastuinbouwsector op aanvraag subsidie verstrekken voor:

a. afbraak van verouderde glasopstanden en bedrijfsgebouwen;

(…)

Volgens artikel 5 van de Regeling wordt een subsidie voor afbraak als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, slechts verstrekt aan de eigenaar van glasopstanden, indien:

a. hij zijn glasopstanden en, voorzover aanwezig, de daarbij behorende bedrijfsgebouwen afbreekt;

b. de tot uitoefening van het glastuinbouwbedrijf bestemde gronden worden overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon niet zijnde een vennootschap waarin de stakende eigenaar aandelen heeft;

(…)

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Regeling worden in geval van een aanvraag voor een subsidie bedoeld in artikel 2, onderdeel a, documenten overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in artikel 5, eerste lid, onder b, gestelde voorwaarde.

Artikel 13, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de begunstigde van een subsidie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, zorg draagt voor de afbraak en het verwijderen van glasopstanden, bedrijfsgebouwen en overige vaste installaties, het verwijderen van ondergrondse voorzieningen, het graven van nieuwe sloten, alsmede voor het gebruiksvrij overdragen van de vrijkomende grond aan een natuurlijke of rechtspersoon (…).

Ingevolge artikel 16, tweede lid, wordt de subsidievaststelling geweigerd of ingetrokken indien de subsidieaanvraag niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13.

Allereerst overweegt de rechtbank wat betreft de grief van eiseres, omtrent de wijziging van de afwijzingsgrond in het bestreden besluit, het navolgende.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb blijkt dat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging, die zijn weerslag heeft gekregen in artikel 7:11 van de wet. In het kader van voornoemd artikel heeft het bestuursorgaan de gelegenheid om de grondslag van het bestreden primaire besluit te verbeteren. Daarbij komt dat eiseres in de onderhavige procedure hierdoor niet in haar belangen is geschaad nu in bezwaar uiteindelijk niet anders of meer is beslist dan tot (handhaving van de) afwijzing van de subsidie. De grief dat verweerder ten onrechte een nieuwe afwijzingsgrond aan het besluit op bezwaar ten grondslag heeft gelegd kan derhalve niet slagen, waaraan de rechtbank toevoegt dat aan de opmerkingen van eiseres in het beroepschrift omtrent de pachtovereenkomst als afwijzingsgrond geen betekenis meer kan worden toegekend nu deze geen onderdeel meer uitmaakt van het besluit op bezwaar.

Voor wat betreft de grief van eiseres over het optreden van de voorzitter van de hoorzitting in het kader van de bezwaarschriftprocedure, merkt de rechtbank het navolgende op.

Zoals hierboven reeds is overwogen, volgt uit artikel 7:11 van de Awb dat op grondslag van de bezwaren een heroverweging van het besluit plaatsvindt. Hieraan staat niet in de weg dat de afwijzing van een subsidie, zoals in casu, op een andere grond steunt dan de gronden die in bezwaar naar voren zijn gebracht. Tevens volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb dat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging, die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank staat het de voorzitter van de (ambtelijke) hoorcommissie ex artikel 7:5 van de Awb, waarvan in het onderhavige geval sprake is, dan ook vrij om zowel het bezwaarschrift als het bestreden (primaire) besluit te interpreteren in het licht van de Regeling en hierop desgewenst nader in te gaan. Voorts is niet gebleken dat er omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden vastgesteld dat sprake is van strijd met de goede procesorde dan wel van strijdigheid met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij hecht de rechtbank eraan op te merken dat eiseres in de gelegenheid is gesteld te reageren op het concept-verslag van de hoorzitting, waarbij eiseres bij die gelegenheid geen opmerkingen heeft geplaatst over het vermeende gebrek aan onafhankelijkheid van de voorzitter. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat eiseres in haar reactie van 18 oktober 2006 vermeldt “dat zij zich wel kan vinden in het verslag over de discussie die wij daarin voerden” (Bijlage 10 in de stukken). Derhalve treft deze grief evenmin doel.

Over de stelling van eiseres dat verweerder de nieuwe afwijzingsgrond, te weten dat niet wordt voldaan aan het doel van de afbraaksubsidie nu geen bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de structuur van de glastuinbouw, in inhoudelijk opzicht ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, wordt het navolgende overwogen.

Allereerst leidt de rechtbank uit de Regeling af dat sprake is van een gesloten stelsel van imperatieve weigerings- en intrekkingsgronden, die voor wat betreft de subsidieverlening respectievelijk de subsidievaststelling zijn neergelegd in artikel 12 en 16. In het bestreden besluit, waarbij in de fase van de subsidievaststelling de aanvraag is geweigerd, wordt als (rechts)grondslag daarvoor niet verwezen naar voornoemde artikelen, maar verwijst verweerder naar de artikelen 2 en 5. Deze gaan respectievelijk over het doel in het kader waarvan de subsidie kan worden verstrekt en de voorwaarden waaraan een subsidie voor afbraak moet voldoen.

Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt deze grondslag voor de weigering van de subsidie zich niet met het voornoemde gesloten stelsel van imperatieve weigeringsgronden.

Bovendien ziet de rechtbank niet in dat eiseres, zoals verweerder meent, niet aan alle voorwaarden voor een subsidie voor afbraak van glastuinbouwopstanden voldaan zou hebben, nu eiseres geheel voldoet aan de in artikel 5 van de Regeling genoemde voorwaarden om voor een subsidie voor afbraak in aanmerking te komen.

In dit kader merkt de rechtbank op dat de zienswijze van verweerder, te weten dat op de na afbraak vrijgekomen grond wederom glastuinbouw moet plaatsvinden, noch uit de artikelen van de huidige Regeling volgt, noch uit de Toelichting -daargelaten of daarop beperkingen kunnen worden gebaseerd die in de tekst van de Regeling niet voorkomen- te herleiden is.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit, waarbij de aanvraag in het kader van de subsidievaststelling is geweigerd, berust op een ondeugdelijke motivering in het licht van de toepasselijke wettelijke bepalingen. Het beroep is derhalve gegrond en het besluit zal op grond van strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Dit impliceert dat aan een bespreking van de overige door eiseres opgeworpen gronden niet meer wordt toegekomen.

Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de rechtbank het in het kader van het nieuw te nemen besluit aangewezen acht dat verweerder, voor zover de bezwaren van eiseres niet worden gehonoreerd, in elk geval nader ingaat op de vraag hoe de formele rechtskracht van de beschikking tot subsidieverlening, waarbij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 10, tweede lid, van de Regeling gestelde voorwaarde, die naar dezerzijds oordeel eveneens als onherroepelijk heeft te gelden, zich verhoudt tot het bij de subsidievaststelling alsnog weigeren van de subsidie.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt twee punten toegekend (één voor het beroepschrift en één voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Voor wat betreft het verzoek om verweerder te veroordelen tot schade-vergoeding, overweegt de rechtbank als volgt. Nog daargelaten dat het verzoek een nadere onderbouwing ontbeert, kan het verzoek evenmin worden gehonoreerd, daar niet met zekerheid is te zeggen of het door verweerder ingevolge deze uitspraak te nemen nieuwe besluit zal leiden tot een voor eiseres gunstiger resultaat. Eiseres kan verweerder verzoeken om bij het te nemen nieuwe besluit op bezwaar mede op het schadeaspect in te gaan.

Mitsdien wordt beslist zoals in rubriek III is aangegeven.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,- , te vergoeden door verweerder aan eiseres;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 281,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, mr. V.P. van Deventer en mr. drs. E.J. Govaers (voorzitter) in tegenwoordigheid van J.B.J.C.L. Caelers Sijbers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 16 juli 2006

KS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.