Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA9208

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
04860979-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door psychotherapeut bij patiënten verrichtte handeling zijn ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 249, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht en geen therapeutische handelingen in het kader van zijn beroep.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2007/149
NJFS 2007, 225

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummers: 04/860979-06; 04/860518-07

Uitspraak d.d. : 10 juli 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16 Arnhem.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 februari 2007 en 26 juni 2007.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na voeging van de tenlasteleggingen terecht ter zake dat:

ten aanzien van parketnummer 04/860979-06:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2005, te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, in elk geval in Nederland terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,

meermalen althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd, (telkens) bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, geslachtsdeel wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en/of uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1];

Art. 249 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 1994 tot en met 30 april 2001 te Molenhoek en/of te [woonplaats verdachte], in elk geval in Nederland, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, meermalen althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd, (telkens) bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, vingers wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] en/of uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2];

Art. 249 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 april 2002 te Molenhoek, in de gemeente gemeente Mook en Middelaar, in elk geval in Nederland, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, meermalen althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd (telkens) bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, vingers wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 3] en/of uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3];

Art. 249 van het Wetboek van Strafrecht.

4.

hij op of omstreeks 12 november 2004, in elk geval in of omstreeks de maand november 2004 te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, in elk geval in Nederland, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of

maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 4], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, vingers wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 4] en/of uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4];

Art. 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860518-07:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2006, te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, in elk geval in Nederland en/of te Ratingen, in elk geval in Duitsland, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, meermalen althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 5], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd, (telkens) bestaande uit het ontuchtig kussen van die [slachtoffer 5] en/of uit het met zijn, verdachtes, hand(en) en/of geslachtsdeel wrijven over het geslachtsdeel van die [slachtoffer 5] en/of uit het betasten van de borsten van die [slachtoffer 5] en/of uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 5];

Art. 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is, wanneer een feit is gepleegd in zowel Nederland als het buitenland, vervolging van dat feit op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht mogelijk, ook ten aanzien van die gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Nu in deze zaak feiten zijn ten laste gelegd die bestaan uit een samenstel van handelingen die deels in Nederland, deels in Duitsland hebben plaatsgevonden, is vervolging van deze feiten in Nederland mogelijk.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank ook overigens bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verjaringstermijn ten aanzien van het onder parketnummer 04/860979-06 onder 2 ten laste gelegde feit bedraagt ingevolge het bepaalde in artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht 12 jaren. De verjaringstermijn is gestuit op 3 november 2006 door de vordering tot een gerechtelijk vooronderzoek door de officier van justitie. Op grond hiervan gaat de verjaringstermijn terug tot 3 november 1994.

De officier van justitie dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van dit feit voor zover dit is gepleegd vóór 3 november 1994.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 26 juni 2007 gevorderd dat het onder parketnummer 04/860979-06 onder 1, 2, 3 en 4 en parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de onder parketnummer 04/860979-06 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen verklaard en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde, omdat voor dit feit onvoldoende bewijs voorhanden is.

7.2 Bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

7.2.1 Samenvatting van de bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de parketnummers 04/860979-06 en 04/860518-07.

Op 13 april 2006 doet [slachtoffer 1] aangifte van het feit dat zij in de periode van 1 december 2000 en 31 maart 2005 meerdere malen seksueel is misbruikt door [verdachte]. Zij verklaart dat zij tijdens workshops [verdachte], die gezondheidszorgpsycholoog is, heeft leren kennen. [verdachte] heeft een instituut, genaamd [naam instituut]) in [vestigingsplaats] en geeft tijdens de workshops therapie. Het gebouw van [naam instituut] in [vestigingsplaats] heet [naam gebouw]. In januari 2001 is zij als secretaresse van het congresbureau begonnen bij het [naam instituut] in [vestigingsplaats]. In januari 2001 is zij ook bij [verdachte] gestart met de opleiding tot psychotherapeute. Vanaf 2001 volgt zij daar ook individuele sessies en werkt [verdachte] therapeutisch met haar. [verdachte] werkt met bloot lichaamscontact liggend op een matras, nadat beiden zich uitgekleed hebben. Vanaf begin 2004 stimuleert hij haar uitwendige geslachtsorganen met de top van zijn penis die hij vasthoudt met zijn vingers. In 2004 heeft zij op deze manier 3 of 4 sessies in de therapieruimte van [verdachte]. [verdachte] beweegt dan op en neer en stoot hierbij met het topje van zijn penis tegen haar schaamlippen aan. De eerste of tweede zaterdag in maart 2005 zegt [verdachte] dat zij dringend een sessie met hem moet doen. [verdachte] werkt dan weer op de hiervoor omschreven wijze met haar. Ook nu stimuleert hij met het topje van zijn penis haar uitwendige geslachtsorganen. Na ongeveer een uur op deze manier gewerkt te hebben, probeert [verdachte] zijn penis in haar vagina te brengen. Zij voelt dat de penis van [verdachte] een stukje in haar vagina gaat. Zij voelt zich door [verdachte] seksueel misbruikt.

[verdachte] vraagt haar de sessies geheim te houden, ook tegenover zijn vrouw, [naam echtgenote].

Op 15 juni 2006 doet [slachtoffer 2] aangifte en verklaart zij dat zij tussen 1 oktober 1991 en 16 april 2001 meerdere malen seksueel door [verdachte] is misbruikt. In of kort na oktober 1991 heeft zij een gesprek met [verdachte] in de villa “[naam gebouw]” te [vestigingsplaats]. Zij verklaart dat zij niet het gevoel heeft gehad dat zij therapie nodig heeft, maar [verdachte] is van mening dat er veel meer aan de hand is en dat het goed zou zijn om therapeutisch aan de slag te gaan. Want hij ziet zaken die toch ernstig zijn en waar therapeutische hulp voor nodig is. En die kan hij wel bieden. Zij vertrouwt op zijn bijzondere kundigheid en stemt in. Zij heeft vervolgens een aantal sessies in het instituut in [vestigingsplaats] of bij hem thuis in [woonplaats verdachte]. Het eerste jaar wordt aangekleed gewerkt, maar geleidelijk gaan er meer kledingstukken uit. Soms kussen zij met de tong. [verdachte] vertelt haar dat zij een prenatale stoornis heeft. Hij zegt dat depressieve gevoelens hun oorzaak kunnen hebben in een prenatale stoornis. Tijdens de sessies fungeert hij als een soort baarmoeder en ligt zij op de matras, onder een dekbed, als een embryo of foetus. Een foetus is naakt en daarom is het van elementair belang met huidcontact te werken. Dit alles klinkt voor de aangeefster zeer plausibel en daarom heeft zij er weinig moeite mee om zich uit te kleden. Het naakte lichaam, de stimulatie van de ademhaling, het tongzoenen, de erotische opwinding en orgasmen zijn allemaal technieken die er volgens [verdachte] toe bijdragen om achter de diepere embryonale thema’s te komen.

Vanaf medio 1995 stimuleert [verdachte] tijdens de sessies ook de genitaliën van de aangeefster. Zij laten de onderbroeken uit omdat [verdachte] zegt dat het beter is om geheel naakt te werken om het lichaamscontact te verbeteren. Als [verdachte] haar genitaliën stimuleert dan ligt hij achter haar op het matras. Met zijn vingers wrijft hij dan over haar vagina/clitoris. Vanaf 1997 begint hij tijdens de sessies haar vagina met zijn vingers te stimuleren waarbij zij ook enkele orgasmen tijdens de sessies beleeft. [verdachte] legt haar uit dat bij vrouwen, door de stoornis, de baarmoeder vaak verkrampt is. Door de baarmoederwand te stimuleren wordt de verkramping opgeheven.

[verdachte] wil niet dat zij er met anderen over spreekt.

Eind 1998 voert zij een gesprek over deze vorm van therapie met een vrouw uit haar therapiegroep, [slachtoffer 3], haar wordt duidelijk dat [verdachte] ook [slachtoffer 3] op dezelfde manier aanraakt.

Zij merkt op dat zij vaker de penis van [verdachte] gevoeld heeft. Ook heeft hij toegegeven dat hij zelf tijdens de sessies erotische gevoelens heeft.

In april 2001 heeft zij weer een sessie met [verdachte]. De sessie verloopt net als de andere sessies. Zij liggen naakt onder een deken en [verdachte] penetreert haar vagina met zijn vingers, wat een orgasme veroorzaakt.

[slachtoffer 3] verklaart op 20 juni 2006 dat zij tussen 1 januari 1996 en 1 mei 2002 seksueel is misbruikt door [verdachte]. In verband met huwelijksproblemen gaat zij lichaamsgerichte therapie doen. Tot de therapie horen workshops in Nederland onder leiding van [verdachte]. Tijdens de tweede workshop zegt dat zij afzonderlijke therapie nodig heeft. De afzonderlijke sessie vindt plaats in de kamer van [verdachte] in villa [naam gebouw] in [vestigingsplaats]. Volgens [verdachte] heeft zij veel en langdurig sessies nodig, omdat zij een baarmoedertrauma heeft. In de loop van de sessies vordert [verdachte] van haar dat zij steeds meer kledingstukken uittrekt, zodat zij relatief snel geheel naakt onder een dekbed werken. Tijdens de sessies heeft zij het gevoel dat hij zich bevredigt als hij beweegt en tegen haar aan wrijft. Eind 1997 wordt de methode van therapie uitgebreid. Het gaat erom tijdens de lichaamsessie, naakt op elkaar liggend, symbiotisch samen te ademen, mond op mond, en [verdachte] penetreerde zijn tong in haar mond. Tot juli 1998 gaan de sessies op deze manier verder. In mei 1999 begint de aangeefster weer met de sessie omdat het slecht met haar gezondheid gaat. Nu gaat het erom ook een punt dat achter het schaambeen zou zitten, losser te maken. Met dit doel worden met zijn vingers haar gehele genitaliën gestimuleerd en haar vagina gepenetreerd. Daardoor krijgt zij meerdere orgasmen. In april 2002 heeft zij haar laatste sessie. Gedurende drie jaar is zij ongeveer 30 keer meerdere keren tijdens één sessie, met de vinger door [verdachte] gepenetreerd.

[verdachte] zegt haar meerdere malen dat zij over deze manier van behandeling, over de penetratie van de vagina, niet met anderen moet spreken omdat het mogelijk is dat hij dan in de gevangenis terecht kan komen.

[slachtoffer 3] spreekt over de penetratie met de vinger met [slachtoffer 2]. Deze bevestigt haar dat [verdachte] haar vagina ook met de vingers gepenetreerd heeft.

Christina Clemm , advocate in Berlijn (Duitsland), verklaart in een brief van 24 mei 2006 dat haar cliënte [slachtoffer 4], slachtoffer is van een door [verdachte] gepleegd misdrijf. [slachtoffer 4] heeft tegenover haar het volgende verklaard.

In september 2003 heeft zij bij [verdachte] aan een opleidingsgroep voor de dieptepsychologische lichaamsarbeid bij de [naam instituut] in Nederland deelgenomen. In juli 2004 biedt [verdachte] haar een therapuetische arbeid afzonderlijk aan, waarin zij toestemt. Tijdens een sessie in de [naam gebouw] op 12 november 2004, wijst hij haar er op dat zij er absoluut niet over mag praten wat zij met elkaar zullen doen en zij moet een formulier ondertekenen waarop zij dit bevestigt. [verdachte] kleedt zich helemaal uit en verzoekt haar hetzelfde te doen. Als zij in verschillende houdingen bij elkaar liggen kust hij haar op de mond en speelt met zijn tong, terwijl hij zijn lichaam tegen het hare perst. Dit tongen herhaalt hij meerdere keren. Hij verzoekt haar op haar rechterzijde te gaan liggen, tast met zijn vinger naar haar clitoris en stimuleert deze met kleine draaiende bewegingen. Hij ligt dan achter haar. Ondertussen schokt zijn penis voortdurend, hetgeen zij aan haar billen voelt.

Tegenover de verbalisante C.T.M. Goemans van de politie Roermond, verklaart [slachtoffer 4] op 5 februari 2007 dat zij blijft bij de verklaring zoals die schriftelijk is weergegeven. [verdachte] heeft haar tijdens de therapeutische sessie van 12 november 2004 op de mond gekust, waarbij [verdachte] met zijn tong binnen in haar mond drong, hij heeft met zijn vinger haar clitoris betast en zij voelde zijn penis tegen haar lichaam schokken.

[slachtoffer 5] verklaart op 17 april 2007 dat zij tussen 1 april 2003 en 30 april 2006 door [verdachte] seksueel is misbruikt. In verband met huwelijksproblemen gaat zij in therapie. Zij volgt een workshop in de [naam gebouw] in [vestigingsplaats]. [verdachte] is eigenaar van de [naam gebouw]. In mei of juni 2004 komt zij weer in De [naam gebouw]. [verdachte] spreekt haar aan en stelt voor om therapeutisch met haar te werken. [Verdachte] zegt dat zij een psychische storing heeft, die hij middels zijn therapie kan verhelpen. In het begin streelt hij haar, later volgen er steeds meer seksuele handelingen. Gedurende de periode dat zij therapie heeft van [verdachte], krijgt zij af en toe het gevoel dat de behandeling die hij doet, geen therapie is, maar sex. Zij vraagt hem wel eens wat hij met de behandeling voor ogen heeft. [verdachte] kan dan altijd weer een zodanige uitleg geven, dat zij er weer van overtuigd is dat het goed voor haar is.

[verdachte] werkt ongeveer tien keer individueel met haar. Hij streelt, kust en tongzoent haar, stimuleert haar vaginaal en penetreert haar vaginaal met zijn vingers en penis. Eenmaal ejaculeert hij in haar vagina, dit alles onder de noemer therapie. [verdachte] zegt dat hij haar vaginaal stimuleert om haar seksuele blokkades op te heffen. Het strelen vindt iedere keer plaats. Hij streelt dan haar bovenlichaam, haar rug, haar beide borsten, haar buik en haar hoofd. Hij stimuleert ook haar vagina met zijn vinger. Hij doet dan zijn hand onder haar benen en billen door, zodat hij haar vagina kan aanraken. Zij voelt dat hij met zijn vinger in haar vagina gaat en de G-plekjes stimuleert. In totaal stimuleert hij haar vagina ongeveer zes keer op deze manier. In De [naam gebouw] in [vestigingsplaats] dringt hij zeker één keer met zijn penis in haar vagina. Het binnendringen in de vagina gebeurt vaak zo dat hij zijn penis vastpakt en die tegen haar vagina aanduwt, steeds een beetje verder, tot de penis haar vagina binnendringt.

Een keer merkt zij kort na een therapiesessie met [verdachte], als zij in haar auto onderweg is van de [naam gebouw] naar huis, dat er vocht uit haar vagina komt. Zij stopt en kijkt en ruikt wat het is. Zij weet dan voor 100% zeker dat het sperma is dat uit haar vagina komt.

[verdachte] zegt haar dat zij met niemand over de sessies mag praten.

Op een dag brengt zij hem naar Ratingen in Duitsland. In een kamer in een hotel streelt en kust hij haar en stimuleert hij haar vagina.

[verdachte] zegt haar dat zij vaginale stimulatie nodig heeft zodat zij thuis beter kan ontspannen en een betere relatie met haar partner kan hebben. Ook zal zij van haar stoornis afkomen.

In het tweede weekend van april 2006 heeft zij de laatste sessie met [verdachte]. Ook nu weer streelt, kust en tongzoent hij haar en stimuleert hij haar vaginaal met de vinger.

[verdachte] heeft haar ooit gezegd, dat zij een contract op moet stellen, waarin zij verklaart dat de therapie niets met seks te maken heeft. Zij moet dat doen omdat men hem dan niks kan maken.

[naam echtgenote] , echtgenote van [verdachte] en therapeut en directeur van het [naam instituut], verklaart op 30 november 2006 dat [verdachte] haar gezegd heeft dat hij op de volgende wijze zijn therapie uitoefent. Hij werkt bloot, waarbij zowel hij als de cliënt bloot zijn. Het doel is baarmoederlijk contact op te bouwen. Er wordt warmte geproduceerd door het lichaamscontact en er wordt een deken over de cliënt en hem gelegd om de warmte vast te houden. Hij stemt zijn adem af op de ademhaling van zijn cliënt en heeft met zijn hele lichaam contact met de cliënt. [verdachte] heeft haar gezegd dat het lichamelijke contact als volgt gaat: [verdachte] raakt de cliënt met zijn hele lichaam aan, hij raakt met zijn vingers de genitaliën van de cliënt aan met het doel de bekkenbodem te ontspannen, hij raakt met zijn lippen de lippen van de cliënt aan met als doel het hoofd te ontspannen en hij beweegt met een vinger in de vagina van de cliënt met als doel de bekkenbodem te ontspannen.

Zij verklaart dat het haar verbaasd heeft dat hij tijdens de therapie de genitaliën van een cliënt aanraakt.

[verdachte] verklaart op 1 november 2006 dat hij met [slachtoffer 2] sessies heeft gehad. Eerst vinden de sessies gekleed plaats, later ook ongekleed. Er heeft ook therapeutisch aanraken van de geslachtsdelen plaatsgevonden. Ook is er gezoend. [verdachte] noemt dat mond op mond beademing. De cliënt gaat dan beter inademen en uitademen. De tongen kunnen elkaar raken. [verdachte] is ook met een of meer vingers in de vagina van [slachtoffer 2] geweest. Het is dan de bedoeling een ontlading op te wekken en de verkramping weg te halen. Ook wordt de vagina aangeraakt met dezelfde bedoeling. Het aanraken van haar vagina en clitoris brengt haar buikgebied op gang.

[verdachte] zegt dat als hij een kortstondig seksueel gevoel heeft, hij een erectie kan krijgen. Bij de sessies met [slachtoffer 2] zal dat bij hem vast ook hebben plaatsgevonden.

[verdachte] verklaart dat met [slachtoffer 3] hetzelfde is voorgevallen. Hij heeft haar vagina en clitoris aangeraakt en is in haar vagina gegaan tijdens therapeutische sessies.

Op 2 november 2006 verklaart [verdachte] dat hij tot 2002 sessies met [slachtoffer 3] heeft gehad. De handelingen bestonden uit naakt zijn, mond op mond beademing, het aanraken door hem van haar schaamstreek. In zijn therapie is het verantwoord om de clitoris aan te raken. Verder heeft hij de vagina van [slachtoffer 3] therapeutisch aangeraakt en is hij met zijn vingers de vagina ingegaan. Dit deed hij met een vinger van zijn linkerhand. Ook kan het zijn dat hij van buiten met zijn penis contact met haar heeft gehad.

Op 2 november 2006 verklaart [verdachte] voorts dat hij met [slachtoffer 1] bloot heeft gewerkt. Hij heeft haar bij de schaamstreek en met zijn mond haar mond aangeraakt. Tijdens de therapie heeft hij haar schaamlippen en clitoris gestimuleerd. Volgens [verdachte] is het best mogelijk dat zij tijdens de therapie zijn geslachtsdeel, al dan niet in stijve toestand, heeft gevoeld.

[verdachte] verklaart voorts dat hij drie keer naaktsessies met [slachtoffer 4] heeft gehad. Bij deze sessies heeft hij haar schaamstreek aangeraakt.

Op 3 januari 2007 verklaart [verdachte] dat hij nooit geregistreerd heeft wie bij hem in behandeling waren. Ook hield hij geen dossiers van de cliënten bij. Er vonden geen betalingen voor de behandelingen plaats omdat de behandeling experimenteel was en hypothese genererend, een voorfase van een wetenschappelijk onderzoek.

Tegenover de rechter-commissaris verklaart [verdachte] op 3 november 2006 dat hij vanaf 1988/1990 bij patiënten lichaamsgerichte therapie heeft verricht en dat hij ongeveer 40 à 50 vrouwen door middel van direct huidcontact en het aanraken van genitaliën heeft behandeld. Voorts verklaart hij dat het soms onvermijdelijk is geweest dat er bij hem lichte seksuele opwinding bestond, die zich uitte in een stijve penis.

7.4 Bewijsmotivering van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 04/860518-07.

De verklaring van [slachtoffer 5] wordt noch rechtstreeks bevestigd door andere getuigen noch door [verdachte] zelf, omdat hij zich over de sessies met haar heeft beroepen op zijn zwijgrecht. De verklaring van [slachtoffer 5] over wat [verdachte] gedaan heeft, komt ten aanzien van de door [verdachte] verrichte handelingen geheel overeen met de verklaringen van de andere aangeefsters en met de door [verdachte] zelf en zijn echtgenote [naam echtgenote] geschetste werkwijze. [verdachte] heeft voorts aangegeven dat hij met meerdere vrouwen op dezelfde wijze heeft gewerkt. De rechtbank laat de andere hiervoor weergegeven bewijsmiddelen dan ook meewerken aan het bewijs voor het onder parketnummer 04/860518-07 feit.

Ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.

De verdachte heeft aangevoerd dat zijn behandelmethode een louter therapeutisch karakter had en dat er geen sprake is geweest van ontuchtig handelen.

De rechtbank stelt voorop dat men bij ontucht moet denken aan handelingen, gericht op seksueel contact althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm zonder dat het hier om buitengewoon afschuwwekkende daden hoeft te gaan.

Het doel van de zedelijkheidswetgeving is het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment dan wel in het algemeen, niet in staat zijn. Zij dienen te worden beschermd tegen alle handelingen die als seksuele handelingen kunnen worden gekwalificeerd.

Met de strafbaarstelling in artikel 249, tweede lid onder 3º van het Wetboek van Strafrecht is blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 3, blz. 7/8) beoogd ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de hulpverleners. In de Memorie van Antwoord is voorts opgemerkt dat de bepaling aldus moet worden gelezen, dat het verbod betrekking heeft op ontucht in de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt (nr. 5, p.18). Uitgangspunt moet zijn, dat de strafbaarstelling in dit artikel, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld, te weten een relatie hulpverlener-patiënt/cliënt bestaat, en dat in zodanig geval slechts dan sprake is van “ontucht plegen”, wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest (HR 18-2-1997, NJ 1997,485).

Uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt dat zij op verdachte vertrouwden als behandelaar. Verdachte wist voor hen aannemelijk te maken dat zij de ‘behandeling’’ bestaande uit de door hen omschreven handelingen van verdachte waarbij zowel zij als verdachte naakt waren, nodig hadden. Er was naar het oordeel van de rechtbank duidelijk sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen hulpverlener en patiënt. Zoenen, tongzoenen, strelen, betasten en binnendringen in de vagina van patiënten in een dergelijke afhankelijke positie kan naar het oordeel van de rechtbank enkel als ontuchtig handelen in de zin van artikel 249 tweede lid sub 3 van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt.

Bovendien overweegt de rechtbank dat verdachte ten tijde van de feiten ingeschreven was in het Register van Psychotherapeuten en dat hij lid was van de beroepsgroep, de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie.

Als psychotherapeut was hij gebonden aan de beroepscode van de Vereniging. Deze code houdt onder meer het volgende in .

a. De psychotherapeut dient zich tijdens de behandeling van cliënten te onthouden van gedrag waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat dit het niveau van functioneren of het belang van de cliënt zal schaden. Hij dient na te laten misbruik te maken van zijn beroep of van uit deskundigheidsverhoudingen en/of positie voortvloeiend overwicht.

b. De psychotherapeut dient van zijn behandelingen zodanige aantekeningen bij te houden en te bewaren, dat hij de voortgang van de behandeling op adequate wijze kan waarborgen en dat hij, zo nodig, rekenschap over de behandeling kan afleggen. Deze aantekeningen moeten in het dossier worden bewaard.

c. Voorts dient hij aan hen die hij in behandeling gaat nemen een duidelijke beschrijving te geven van de behandeling. Die beschrijving dient alle aspecten te omvatten waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat ze van invloed zijn op de bereidheid tot deelname.

Uit de code en de toelichting daarop blijkt dat de psychotherapeut telkens waar dit mogelijk is en waar dat niet strijdig is met het doel van de behandeling, moet uitleggen wat er in de behandeling gaat gebeuren en dat hij daarna de instemming van de cliënt hiervoor moet trachten te verkrijgen. Onder de te geven informatie moet worden begrepen het doel van de behandeling en onderzoek, de uit te voeren verrichtingen, de te verwachten gevolgen en risico’s, andere in aanmerking komende methoden van behandeling en onderzoek en de staat van de huidige en realiseerbare gezondheid van de cliënt. Wel is het de psychotherapeut toegestaan dat hij informatie die hij heeft niet geeft, doch alleen indien en zolang dat schadelijk is voor de realisatie van het doel van de behandeling.

d. Gedurende de behandeling zal de psychotherapeut geen andere relatie dan een behandelingsrelatie met de cliënt hebben of de wens daartoe uitspreken. Deze bepaling houdt onder meer het verbod in de cliënt op zodanige wijze aan te raken dat, naar redelijke verwachting, de cliënt en/of de psychotherapeut deze als seksueel van aard zal ervaren, zoals het aanraken van de genitalia of andere lichaamsdelen die normaliter met seksualiteit geassocieerd worden.

Of interventies geoorloofd zijn, dient bepaald te worden op basis van de algemene principes waarop de code is gebaseerd. Interventies, waaronder aanrakingen, zijn in ieder geval niet geoorloofd als zij naar het inzicht van terzake deskundigen, niet kunnen bijdragen aan het bewerkstelligen van een verbetering van het niveau van het functioneren van de cliënt of primair het belang van de psychotherapeut dienen. Aanrakingen met een seksueel karakter, verricht in het kader van een behandeling, zullen doorgaans één of meer van deze principes schenden. Als een psychotherapeut meent dat in zijn geval de laatste zin niet geldt, dan rust op zijn schouders de verplichting om dat aannemelijk te maken. In ieder geval zal men met de grootste zorgvuldigheid te werk moeten gaan. Deze zorgvuldigheid houdt onder meer in: een nauwgezette documentatie, expliciete afweging van pro’s en contra’s, inbedding in professionele begeleiding en schriftelijke toestemming door de cliënt met interventies van het bedoelde type.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [verdachte] niet geregistreerd heeft wie bij hem in behandeling waren en dat hij ook geen dossiers van de cliënten bijhield. Daarnaast vonden er in het merendeel van de gevallen geen betalingen voor de behandelingen plaats.

Een duidelijke beschrijving van de behandeling, inhoudende alle aspecten waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat ze van invloed zijn op de bereidheid van de cliënt tot deelname, werd niet gegeven. Het waren veelal de cliënten die over de behandeling vragen moesten stellen en ook dan nog kregen zij slechts vage en onvolledige antwoorden. In ieder geval was er geen sprake van een duidelijke informatieverstrekking vooraf of tijdens de behandeling door verdachte aan de cliënt over het doel van de behandeling en het onderzoek, de uit te voeren verrichtingen, de te verwachten gevolgen en risico’s, andere in aanmerking komende methoden van behandeling en onderzoek en de staat van de huidige en realiseerbare gezondheid van de cliënt. Niet gebleken is dat verdachte informatie niet heeft gegeven omdat deze schadelijk voor de realisatie van het doel van de behandeling zou zijn.

Verdachte heeft met twee aangeefsters, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], een andere relatie gehad dan alleen een behandelaar-cliënt-relatie, namelijk een arbeidsrelatie. Uit de verklaringen van alle aangeefsters blijkt dat verdachte hen op zodanige wijze heeft aangeraakt dat dezen zijn handelen als seksueel van aard hebben ervaren, zoals het aanraken van de genitaliën en andere lichaamsdelen die normaliter met seksualiteit geassocieerd worden. Verdachte heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat deze vorm van behandeling noodzakelijk was, dan wel dat de door hem verrichte aanrakingen met een seksueel karakter, verricht in het kader van een behandeling, geen schending van de principes van de beroepscode vormen. In ieder geval was er geen sprake van de vereiste zorgvuldigheid, zoals een nauwgezette documentatie, een expliciete afweging van pro’s en contra’s, de inbedding in professionele begeleiding en schriftelijke toestemming door de cliënt met die interventies.

Ook uit de omstandigheid dat verdachte blijkens deze gang van zaken niet handelde overeenkomstig de beroepscode en voorts het feit dat hij tegen alle aangeefsters heeft gezegd dat zij niets tegen anderen mochten zeggen, leidt de rechtbank af dat er geen sprake was van therapeutisch handelen in het kader van zijn beroep als psychotherapeut, maar van ontuchtig handelen als bedoeld in artikel 249, tweede lid onder 3º van het Wetboek van Strafrecht.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 04/860979-06 en parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van parketnummer 04/860979-06:

1.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2005, te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, telkens bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, geslachtsdeel wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1];

2.

hij in de periode van 1 november 1994 tot en met 30 april 2001 te Molenhoek en/of te Ubbergen, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, telkens bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, vingers wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2];

3.

hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 april 2002 te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, telkens bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, vingers wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 3] en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3];

4.

hij op 12 november 2004, te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 4], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, bestaande uit het ontuchtig met zijn, verdachtes, vingers wrijven over of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 4] en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4];

ten aanzien van parketnummer 04/860518-07:

hij in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2006, te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, en te Ratingen, terwijl hij toen werkzaam was in de

gezondheidszorg, meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 5], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, telkens bestaande uit het ontuchtig kussen van die [slachtoffer 5] en uit het met zijn, verdachtes, handen en geslachtsdeel wrijven over het geslachtsdeel van die [slachtoffer 5] en uit het betasten van de borsten van die [slachtoffer 5] en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 5].

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.1. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven.

Ten aanzien van parketnummer 04/860979-06 onder feit 1:

als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860979-06 onder feit 2:

als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860979-06 onder feit 3:

als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860979-06 onder feit 4:

als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860518-07:

als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 26 juni 2007 met betrekking tot de op te leggen straf en bijkomende straf gevorderd dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, alsmede tot ontzetting uit het beroep als therapeut in de gezondheidszorg.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, na pleidooi tot vrijspraak voor het onder parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde, ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze onredelijk hoog is en dat volstaan dient te worden met een gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis. Ten aanzien van de bijkomende straf heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte door de beroepsvereniging reeds uit het beroep is ontzet en dat verdachte zelf ook niet meer in dit beroep werkzaam wil zijn.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Een psychotherapeut dient zich tijdens de behandeling van cliënten te onthouden van gedrag waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat dit het niveau van functioneren of het belang van de cliënt zal schaden. Hij dient na te laten misbruik te maken van zijn beroep of van uit deskundigheidsverhoudingen en/of positie voortvloeiend overwicht. Tussen de psychotherapeut en zijn cliënten bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Verdachte wordt zwaar aangerekend dat hij, door de seksuele handelingen te plegen, als psychotherapeut misbruik heeft gemaakt van zijn psychisch overwicht, de afhankelijke positie van de - kwetsbare - slachtoffers en het vertrouwen dat hij van hen had gewonnen.

De toelichtingen bij de vorderingen van de benadeelde partijen geven het volgende beeld van de gevolgen van de feiten voor de slachtoffers.

[slachtoffer 1] heeft door verdachtes toedoen veel last gehad van slapeloosheid, hoofdpijn, vermoeidheid, onrust en infecties. Ook kreeg zij paniekaanvallen, depressiviteiten en paranoïde neigingen. Zij raakte totaal verward en kreeg last van schuldgevoelens. Sinds november 2005 is zij onder behandeling van een andere psychotherapeut en volgt zij een poliklinische behandeling in een ziekenhuis. Daarnaast krijgt zij behandeling van een homeopathische arts.

[slachtoffer 2] is in verband met haar ziektebeeld in de WW terechtgekomen en het dienstverband met verdachte is beëindigd. Uiteindelijk is zij in de WAO terechtgekomen. Zij heeft last van depressies, afwezigheid en woede, slaapt slecht en is vaak uitgeput. Haar relatie, werk, moederschap en vriendschappen hebben onder het gebeurde te lijden gehad.

[slachtoffer 3] heeft zeer veel angst en verwardheid ondervonden. Zij heeft het vertrouwen in zichzelf verloren en is 20 kilo afgevallen, zij kon geen seks meer met haar man beleven, omdat zij daar een hekel aan had gekregen. Zij is drie jaar geleden begonnen met een psychoanalyse en voelt nu verbetering in haar zelfvertrouwen en wantrouwen, maar zij voelt zich nog steeds aangetast in haar seksualiteit en vermijdt alles wat daarmee te maken heeft. Lichamelijk is zij beschadigd en zij zal waarschijnlijk geen kinderen meer krijgen. Zij voelt zich geestelijk en financieel beschadigd. Zij kan haar werk als fysiotherapeut niet meer doen.

[slachtoffer 4] heeft door verdachtes handelen vele nachten wakker gelegen en heeft er bij tijden nog maagklachten van. Zij heeft concentratiestoornissen en kan daardoor haar werk als therapeut niet meer naar behoren doen. Zij heeft het vertrouwen in de mensheid verloren en als zij zich eenzaam voelt heeft zij last van depressiviteit en een zinloos gevoel. Zij is psychisch behoorlijk in de war. Zij kan het momenteel niet aan om een nieuwe relatie op te starten.

Bij [slachtoffer 5] zijn gevoelens van veiligheid, geborgenheid en eigenwaarde verdwenen als gevolg van het handelen van verdachte. Zij voelt zich onzeker en ambivalent in intieme relaties. Zij stuit vaak op onbegrip wanneer het haar innerlijke verdriet betreft en haar genot van levensvreugde is ver te zoeken. Zij voelt een sterk wantrouwen naar iedereen. Zij is bang dat haar relatie met haar partner stuk zal lopen.

Uit deze toelichtingen is af te leiden dat het handelen van de verdachte, dat zich in het merendeel van de bewezen verklaarde gevallen zeer regelmatig, frequent en over een lange periode heeft voorgedaan, op de slachtoffers een traumatisch effect heeft gehad. Sommigen hunner zullen dit pas na vele jaren kunnen verwerken, terwijl anderen er mogelijk nooit overheen zullen komen.

Daarnaast is duidelijk geworden, dat beroepsbeoefenaren in de geestelijke gezondheidszorg en ook in de maatschappelijke hulpverlening door het optreden van verdachte op ernstige wijze in discrediet zijn gebracht en dat de samenleving als geheel door een en ander zwaar is geschokt en - terecht - diep verontwaardigd is.

Over de persoonlijkheid van verdachte is door de psycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers een rapport uitgebracht. De psycholoog constateert bij verdachte een gestagneerde ontwikkeling van de persoonlijkheidsstructuur en een pervasieve ontwikkelingsstoornis. Voor personen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis wordt de nabijheid van de ander vaak ervaren als onprettig vanwege de sociale druk die daarmee gepaard gaat en de onzekerheid omtrent hetgeen men van een ander te verwachten heeft. Om zich veilig te voelen heeft verdachte die nabijheid wel nodig. Door dat beroepsmatig gestalte te geven houdt verdachte de regie in handen. De situatie blijft overzichtelijk en voorspelbaar, waardoor de nabijheid van de ander kan aansluiten bij het verlangen naar veiligheid zonder dat er sociale angst bij hem ontstaat. De psycholoog acht het bizar om vast te stellen dat verdachte er kennelijk vanuit gaat dat het zelfs maar tot de mogelijkheden zou kunnen behoren dat de onderzoeker het professioneel of acceptabel zou kunnen vinden dat verdachte, terwijl hij naakt is, zichzelf in fysiek contact brengt met vrouwen onder de noemer van een therapie. Hierin is te zien hoe weinig verdachte van binnenuit wordt begrensd en hoe gebrekkig zijn interne referentiekader is als het gaat over de sociale interactie. Dat laatste houdt verband met de pervasieve ontwikkelingsstoornis en is sinds de vroege jeugd bij verdachte aanwezig geweest. De rapporteur concludeert dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Er is sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO. Deze stoornis bestond ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Door zijn stoornis voelt verdachte zich in het sociale contact nooit werkelijk met de ander vertrouwd. Door de nabijheid van anderen vorm te geven onder de noemer van therapie, houdt verdachte de regie in handen en kan hij zich veilig voelen zonder de sociale angst die de nabijheid van anderen gewoonlijk bij hem mobiliseert. De stoornis brengt bovendien met zich mee dat verdachte de eigen emotie niet goed bewust registreert en dat hij zijn motieven tot handelen niet goed herkent. Door de stoornis is het zeer moeilijk voor hem om zich voor te stellen wat de ander beweegt, wat de ander met hem voorheeft en wat de emotionele reikwijdte van zijn handelen is. Hij mist hierdoor een belangrijk intrinsiek motief om impulsen te beheersen. Aan te nemen is dat verdachte in het contact, dat wellicht begon vanuit het onbewuste verlangen gevoelens van onveiligheid op te heffen, seksueel geprikkeld werd en door het ontbreken van externe begrenzing heeft toegegeven aan seksuele impulsen. Aannemelijk is dat verdachte tot de bewezen feiten bewogen werd mede onder invloed van zijn stoornis en dat dit in beduidend grotere mate het geval was dan dat bij de gemiddelde ander in vergelijkbare omstandigheden geweest zou zijn. De psycholoog adviseert dan ook het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De psycholoog stelt dat het gebrekkige intrinsieke motief om impulsen te beheersen, het bovenmatige verlangen naar het opheffen van gevoelens van onveiligheid, de beperkte mogelijkheden om de ander op basis van emotionele wederkerigheid aan zich te binden, de neiging om de sociale interactie zo te regisseren dat deze voorspelbaar en controleerbaar wordt, de beperkte mogelijkheid om de emotionele reikwijdte van het handelen te overzien en de dissociatie op het niveau van emoties en handelen van belang kunnen zijn voor de kans op herhaling. Naarmate externe factoren verdachte meer begrenzen bij het volgen van zijn impulsen, wordt de kans op grensoverschrijdend gedrag vanuit zijn stoornis geringer. De personen die gebruik maken van verdachtes therapieaanbod, zullen waarschijnlijk minder stabiel en weerbaar zijn dan een gemiddeld ander. Personen die naar hem toe komen voor een therapie, zullen minder dan de gemiddelde ander in staat zijn om de externe begrenzing te bieden die nodig is om verdachte ervan te weerhouden zijn impulsen te volgen. De stoornis waaraan verdachte lijdt, dient beschouwd te worden als een onveranderbaar gegeven. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat verdachte bereikbaar zal zijn voor een behandeling die op verandering gericht is. Om herhaling te voorkomen, adviseert de psycholoog het motief tot beheersing met externe factoren te versterken. De oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf zou die functie kunnen vervullen.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de deskundige over en maakt die tot haar oordeel.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf met een aanzienlijk onvoorwaardelijk deel dient te worden opgelegd. Rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de omstandigheid dat verdachte door het openbaar worden van zijn handelen en in het bijzonder door de aandacht van de media voor deze strafzaak zowel maatschappelijk als in de persoonlijke sfeer in een isolement is geraakt en financieel aanzienlijke schade heeft geleden, is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals door de officier van justitie gevorderd een te zware bestraffing vormt.

De rechtbank acht echter de door de raadsman verzochte gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest onvoldoende recht doen aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten en de gevolgen van die feiten voor de slachtoffers.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren dient te worden opgelegd, waarvan een deel, groot 1 jaar, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Gelet op de door de deskundige geschetste grote kans op herhaling indien verdachte het beroep van psychotherapeut zal blijven uitoefenen en het volgens de deskundige en de reclassering ontbreken van behandelmogelijkheden, is de rechtbank van oordeel dat - naast de oplegging van voormeld voorwaardelijke gevangenisstraf - verdachte voorts voor de maximale duur uit zijn beroep dient te worden ontzet.

10.7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

a. De vordering van [slachtoffer 1[adres slachtoffer 1], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 1.451,87 en de immateriële schade op een bedrag van € 10.000,-- gesteld, en wil die schades, te vermeerderen met de wettelijke rente, vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

De vordering is met betrekking tot de materiële schade naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade en de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering op dit onderdeel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 10.000,-- rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal als voorschot een bedrag van € 3.000,-- toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 45 dagen, te betalen ten behoeve [slachtoffer 1], zoals hierna in de beslissing genoemd.

b. De vordering van [slachtoffer 2].

[slachtoffer 2], wonende [adres slachtoffer 2], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 2 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 15.925,-- en de immateriële schade op een bedrag van € 18.000,-- gesteld, en wil die schades, te vermeerderen met de wettelijke rente, vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 2 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

De vordering is met betrekking tot de materiële schade naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade en de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering op dit onderdeel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt

veroorzaakt. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 18.000,-- rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal als voorschot een bedrag van € 3.000,-- toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 45 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende [adres slachtoffer 2], zoals hierna in de beslissing genoemd.

c. De vordering van [slachtoffer 3].

[slachtoffer 3], wonende [adres slachtoffer 3], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 3 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 2.802,82 en de immateriële schade op een bedrag van € 15.000,-- gesteld, en wil die schades, te vermeerderen met de wettelijke rente, vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 3 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

De vordering is met betrekking tot de materiële schade naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade en de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering op dit onderdeel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt

veroorzaakt. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 15.000,-- rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal als voorschot een bedrag van € 3.000,-- toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 45 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3], wonende [adres slachtoffer 3], zoals hierna in de beslissing genoemd.

d. De vordering van [slachtoffer 4].

[slachtoffer 4], wonende [adres slachtoffer 4], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 4 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 4] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 672,-- en de immateriële schade op een bedrag van € 2.500,-- gesteld, en wil die schades, te vermeerderen met de wettelijke rente, vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder parketnummer 04/860979-06 onder 4 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

De vordering is met betrekking tot de materiële schade naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade en de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering op dit onderdeel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt

veroorzaakt. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 2.500,-- rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal als voorschot een bedrag van € 1.000,-- toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 4], wonende [adres slachtoffer 4], zoals hierna in de beslissing genoemd.

e. De vordering van [slachtoffer 5].

[slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 5] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 7.500,-- gesteld, en wil die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt

veroorzaakt. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 7.500,-- rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal als voorschot een bedrag van € 3.000,-- toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5], zoals hierna in de beslissing genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 28, 31, 36f, 57, 249.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk ten aanzien van het onder parketnummer 04/860979-06 onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover dit is gepleegd vóór 3 november 1994;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 04/860979-06 onder 1, 2, 3 en 4 en parketnummer 04/860518-07 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf 1 jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

ontzet de verdachte uit het recht het beroep van psychotherapeut uit te oefenen voor de duur van 8 jaren;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 3.000,--;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 3.000,--, als voorschot op een bij de burgerlijke rechter in te dienen vordering tot schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 31 maart 2005 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,-- subsidiair 45 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], wonende [adres [slachtoffer 1], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres slachtoffer 1], voor het overige niet ontvankelijk, aangezien de vordering op die onderdelen naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 3.000,--;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], [adres slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 3.000,--, als voorschot op een bij de burgerlijke rechter in te dienen vordering tot schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 april 2001 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,-- subsidiair 45 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2], wonende [adres slachtoffer 2], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende [adres slachtoffer 2], voor het overige niet ontvankelijk, aangezien de vordering op die onderdelen naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 3.000,--;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 3.000,--, als voorschot op een bij de burgerlijke rechter in te dienen vordering tot schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 april 2002 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,-- subsidiair 45 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3], wonende te [adres slachtoffer 3], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende [adres slachtoffer 3], voor het overige niet ontvankelijk, aangezien de vordering op die onderdelen naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 1.000,--;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], [adres slachtoffer 4], te betalen een bedrag van € 1.000,--, als voorschot op een bij de burgerlijke rechter in te dienen vordering tot schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 12 november 2004 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4], wonende [adres slachtoffer 4], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende [adres slachtoffer 4], voor het overige niet ontvankelijk, aangezien de vordering op die onderdelen naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 3.000,--;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5], te betalen een bedrag van € 3.000,--, als voorschot op een bij de burgerlijke rechter in te dienen vordering tot schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 april 2006 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5], voor het overige niet ontvankelijk, aangezien de vordering op die onderdelen naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. E.P.J. Rutten, Y.J.C.A. Roeffen en E.A.M. van Oorschot , rechters, van wie mr. E.P.J. Rutten voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 10 juli 2007.