Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA8975

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
04/993031-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens de vogelpestcrisis in 2003 hebben verdachte en medeverdachten o.a. asielzoekers ingezet bij de ruiming van pluimveebedrijven. Op lijsten die werden verzonden naar de overheid werden namen van andere werknemers ingevuld. Valsheid in geschrifte, waardoor controle overheid op ruimingen onmogelijk gemaakt werd. Middels een constructie met (fictieve) uitzendbureaus werd zwart geld gegenereerd om de asielzoekers een laag loon te betalen. Bij de overheid werd een veel hoger loon gedeclareerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/993031-04

Uitspraak d.d. : 3 juli 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [plaats]

adres : [straatnaam]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2007.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

[verdachtes] BV in of omstreeks de periode van 01 maart 2003 tot en met 03 juli 2003 te Stramproy, althans in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans die [verdachtes] BV, (telkens) een of meer (inzet)lijst(en) en/of een of meer (excel)bestand(en) en/of een of meer overzicht(en) betreffende ruimwerkzaamheden in het kader van de vogelpestcrisis - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben die [verdachtes] BV en/of een (van haar) medeverdachte(n) alstoen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op die (inzet)lijst(en) en/of op die/dat (excel)bestand(en) en/of op die/dat overzicht(en) een (aantal) personeelsnummer(s) (zie D/005 en/of 007 en/of 009 en/of 022 en/of 024 en/of 028 en/of 030 en/of 032 en/of 034 en/of 036 en/of 043 en/of 045 en/of 055 en/of 057 en/of 068 en/of 097 en/of 118 en/of 121 en/of D/123) en/of (een) na(a)m(en) (zie D/013 en/of 014 en/of 037 en/of 039 en/of 044 en/of 045 en/of D/047) van door (of namens) [verdachtes] BV ingezette werknemer(s) weergegeven, terwijl in werkelijkheid (een) andere perso(o)n(en) daadwerkelijk werd/werden ingezet op de door [verdachtes] BV uit te voeren werkzaamheden (te weten ruimingen van kippen en/of ander pluimvee) (zie D/001 en/of 002 en/of 018 en/of 019 en/of 040 en/of 051 en/of 061 en/of 090 en/of D/112) dan de op genoemde lijst(en) en/of bestand(en) en/of overzicht(en) vermelde perso(o)n(en), zulks telkens met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en), hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk(e) verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

artikel 225 juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging behoort te worden verklaard omdat het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Dit verweer is, zakelijk weergegeven, toegelicht met het argument dat de totale vervolgingsduur 4 jaar heeft bedragen en dat verdachte gedurende deze periode met strafvervolging werd bedreigd zonder dat hij hieromtrent enige zekerheid kende.

Het tijdsverloop dat met de door verdachte geïnitieerde procedures binnen het kader van deze strafzaak gemoeid is geweest, kan niet aan verdachte worden toegerekend.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, welk recht is neergelegd in artikel 6 EVRM. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte redelijkerwijs de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie tegen verdachte een strafvervolging zou instellen. Bij een procedure in eerste aanleg is in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als binnen twee jaar na de aanvang van de termijn geen eindvonnis is gewezen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 7 oktober 2003, zijnde dag waarop verdachte is aangehouden, in verzekering gesteld, en voor het eerst is gehoord in de onderhavige zaak. Tot en met de uitspraakdatum is er gelet op de vastgestelde aanvangsdatum een periode verlopen van ruim 44 maanden.

De vraag is of er in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden zijn die de rechtbank nopen tot de conclusie dat er desondanks van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is. De criteria aan de hand waarvan deze vraag dient te worden beantwoord, zijn de voortvarendheid van de autoriteiten in dezen, in het bijzonder het openbaar ministerie, de complexiteit en omvang van de zaak en de proceshouding van verdachte. De onderhavige zaak kon op basis van de in de kennisgeving van verdere vervolging vermelde feiten in beginsel als complex worden bestempeld, mede in ogenschouw genomen het zeer omvangrijke dossier dat toch enige duizenden pagina's beslaat. De complexiteit van het dossier is weliswaar lopende de voorfase afgenomen door het buitenvervolging stellen van verdachte van meerdere feiten, doch door zijdens verdachte opgeworpen onderzoekswensen heeft de zaak in de voorfase enige vertraging opgelopen. De oorzaak voor het voortschrijden van de termijn is evenwel niet zozeer gelegen in de proceshouding van verdachte, maar veeleer in de keuzes door het openbaar ministerie alsmede de zittingscapaciteit bij de rechtbank, zodat de termijnoverschrijding voor een groot deel voor rekening en risico komt van de autoriteiten. Daarentegen merkt de rechtbank op dat verdachte niet heeft aangegeven in welke mate hij bijzondere nadelige gevolgen heeft ondervonden van het feit dat hij meer dan twee jaar heeft moeten wachten voordat de zaak door deze rechtbank werd behandeld.

Gelet op het vorenstaande en daarmee rekening houdend, is de rechtbank van oordeel dat door het openbaar ministerie het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier is geschonden. Aan het overschrijden van de redelijke termijn kunnen verschillende gevolgen worden verbonden. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal een termijnoverschrijding tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kunnen leiden. Bij afweging van de betrokken belangen, te weten enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren. Van een zodanig uitzonderlijk vormverzuim dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ingestelde vervolging van verdachte, is in het licht van de omvang van de zaak en verdachtes proceshouding geen sprake.

De rechtbank vindt in de termijnoverschrijding aanleiding ten faveure van verdachte in geval van bewezenverklaring en veroordeling hierna een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat het openbaar ministerie de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee de beginselen van een behoorlijke procesorde op een zodanige manier heeft geschonden dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Immers, bij gelegenheid van de behandeling van het bezwaarschrift tegen de kennisgeving verdere vervolging heeft de rechtbank het advies gegeven de zaak buitengerechtelijk af te doen, aldus de verdediging. Op een verzoek van de verdediging daartoe, is de officier van justitie vervolgens niet ingegaan. De officier van justitie heeft de vervolging van verdachte doorgezet. Hierdoor is er geen sprake van een behoorlijke belangenafweging en is er sprake van willekeur.

Nog daargelaten of de rechtbank dit advies heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie aan een dergelijke mededeling niet is gebonden, nu de officier van justitie een zelfstandige vervolgingsbevoegdheid heeft en hij in dezen in redelijkheid tot het besluit om tot verdere vervolging over te gaan, is kunnen komen. Dat de officier van justitie daarmee overigens in strijd zou hebben gehandeld met het verbod van willekeur, zoals zonder nadere motivering door de verdediging gesteld, is de rechtbank evenmin gebleken.

De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vordering worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen.

7.1 Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 19 juni 2007 gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

7.2 Bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

7.2.1 Samenvatting van de bewijsmiddelen.

1. de verklaring van verdachte

Binnen [verdachtes] BV voeren wij werkzaamheden uit in de pluimveesector. Ik ben directeur van de gehele [bedrij[verdachtes bedrijfsnaam]]groep.

2. de verklaring van medeverdachte [A]

Sedert april 2001 ben ik werkzaam voor [verdachtes bedrijfsnaam] Detachering.

Vanaf de zomer van 2002 ben ik een tijd werkzaam geweest voor [verdachtes] BV. Ik voer voor alle ondernemingen van [verdachtes bedrijfsnaam] Groep werkzaamheden uit. [voornaam] [verdachte] is directeur van Agroservice BV.

Mij wordt getoond de prestatielijst genummerd D/01, inzake de ruiming van het bedrijf [naam] op 13 maart 2003.

Ik herken dit document als zijnde een prestatieverklaring. Ik zie er een heleboel namen van ruimers op staan en ik zie, dat ik deze personen voor akkoord geparafeerd heb. Ik weet nog, dat ik daar ben geweest om de personen mee te vervoeren naar dit bedrijf. Ik weet nog, dat de ruimers zelf hun naam hebben ingevuld.

Mij wordt getoond een kopie uit een schrift genummerd D/02.

Ik herken dit geschrift. Het is een overzicht van de namen, die op 13 maart als ruimer zijn ingezet. Het is een blad uit een schrift van [voornaam medeverdachte]. Hij hield zijn administratie zo bij. In het begin leverde [voornaam medeverdachte] met deze geschriften de namen in bij ons op kantoor voor de verdere administratieve afwikkeling. Wij gebruikten deze namen dan voor de opmaak van de factuur naar Laser (afdeling/onderdeel van het Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en [naam]serij, toevoeging rechtbank).

Mij wordt getoond de factuur genummerd 20030699 D/03 en de hierbij behorende bijlagen genummerd D/04 tot en met D/09, betrekking hebbende op de ruiming van het bedrijf [naam] (op 13 maart 2003, toevoeging rechtbank).

Ik herken deze documenten als zijnde een factuur opgemaakt door ons inzake een verrichte pluimveeruiming van het bedrijf [naam]. Deze factuur is een word-document, welke gekoppeld is aan het excel-bestand genaamd Aviaire Influenza.

De personeelsgegevens worden ingevoerd in het Excel-document. Deze personeelsgegevens zijn door mij ingevoerd aan de hand van de namenlijst, die ik ontving van de chauffeurs/voormannen.

Mij wordt getoond de documenten D/13, D/14 en D/15.

Ik herken deze documenten, ze zijn van ons, de [verdachtes bedrijfsnaam] Groep.

Dit is volgens mij een eerste opzet geweest. Ik veronderstel dat de namen hierop vermeld ook kloppen met de personeelsnummers zoals vermeld op de factuur. Deze opzet heb ik gemaakt. Ik had hiertoe opdracht van [voornaam] [verdachte]. Ik heb destijds van hem opdracht gekregen om deze formulieren zo in te vullen. Ik bedoel hiermee, dat ik ook de namen van hem doorgekregen heb.

Deze namen moest ik van hem zo invullen, omdat dit bedrijf geruimd was voor de aanvraag van de TWV's (tewerkstellingsvergunningen, toevoeging rechtbank). Ik wist dus, dat de gegevens op deze documenten niet naar waarheid waren ingevuld. Echter hiertoe had ik opdracht van [voornaam] [verdachte].

De ruiming bij [naam] is verricht door asielzoekers, die toen niet over een TWV beschikten. Ik weet dat deze documenten aan de AID (Algemene Inspectiedienst, toevoeging rechtbank) zijn verstrekt. Ik besef dat deze documenten valselijk zijn opgemaakt met de bedoeling om te doen voorkomen alsof deze mensen het ruimingswerk hadden verricht. Hiermee zouden dus de asielzoekers die het werk in werkelijkheid hadden gedaan buiten schot blijven.

Ik heb gisteren verklaard over het feit dat ik op formulieren die naar de AID moesten namen van vast personeel van [verdachtes] BV heb vermeld terwijl ik wist dat er ander personeel van [verdachtes] BV werkzaam was geweest bij de ruimingen. Het personeel dat daadwerkelijk werkzaam was geweest mocht op dat moment gewoon niet werken omdat deze een W-document hadden waarop zij niet mochten werken. Ook waren daar personen bij die in zijn geheel geen identiteitsdocument hadden. Dit waren mogelijk illegaal in Nederland verblijvende personen.

Het valselijk opmaken van de voormelde formulieren ten behoeve van de AID heb ik in opdracht van [voornaam] [verdachte] zo gedaan. Voor zover ik mij nu kan herinneren heb ik dat gedaan vanaf het begin van de vogelpest, 6 maart 2003, tot ongeveer 4 weken later. Ik moest dat doen omdat [voornaam] van mening was dat hij anders de facturen die werden ingezonden aan het RVV (Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees, toevoeging rechtbank) niet betaald zouden krijgen.

3. de verklaring van medeverdachte [medeverdachte2]

Bij [verdachtes] te Stramproy ben ik werkzaam sedert 12 augustus 2002.

Ik ben operationeel manager. In opdracht van [voornaam] [verdachte] voerde ik mijn werkzaamheden uit. [medeverdachte3], die financieel directeur is, [medeverdachte4], [medeverdachte5] en [medeverdachte6] werken eveneens bij deze onderneming.

Medewerkers met een U-nummer hebben altijd een stukloon. De letter U staat voor uitzendkracht. De mensen die een U-nummer hadden betroffen mensen die zwart werkten omdat zij een uitkering hadden of waren mensen die asielzoeker waren met een W-document maar zonder tewerkstellingsvergunning. Met zwart werken bedoel ik dat deze mensen loon krijgen uitbetaald dat niet wordt verantwoord. Ik denk dat er per week tussen de 10 en 15 mensen op deze manier werkzaam zijn.

Als alle mensen getekend hadden en al het geld was opgehaald dan werd de lijst en de rode werkbonnen vier weken bewaard. Tijdens de vogelpest is de termijn van bewaren van deze gegevens op last van [voornaam] [verdachte] verkort tot een week.

Deze gegevens gingen alttijd door de shredder.

Tot op heden wordt er nog steeds zwart bij [verdachte] gewerkt op de wijze zoals ik nu heb beschreven.

4. het overzichtsproces-verbaal zaak 1 van de Algemene Inspectiedienst4 met bijlagen

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf [bedrijfsnaam1] [naam] te Voorthuizen op 13 maart 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatielijst, (D/001), zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV, waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin- en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Aantekeningen uit schrift, (D/002), zijnde een fotokopie van een bladzijde uit een schrift, dat door de ambtenaar van de AID [XX], bij verrichte traceringcontrole, verkregen is. Op dit document staan de namen van personen, die op 13 maart 2003, zijnde de datum van de ruiming, bij [bedrijfsnaam1] [naam], zijn ingezet.

Bijlage Personeelsnummer, (D/005), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/004, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 20 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam1] [naam] op 13 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/007), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/006, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 9 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam1] [naam] op 13 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/009), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/008, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 17 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam1] [naam] op 13 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Personeelslijst, (D/013), zijnde een document, dat door of vanwege [verdachtes] BV is opgemaakt waarop namen en sofi-nummers staan vermeld van 20 personeelsleden, die op 13 maart 2003 zijn ingezet bij het ruimen van pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam1] [naam]. Dit document is bij bovenvermelde traceringcontrole van de A.I.D., in kopie overhandigd aan opsporingsambtenaar [XX].

Personeelslijst, (D014), zijnde een document, dat door of vanwege [verdachtes] BV is opgemaakt waarop namen en sofi-nummers staan vermeld van 9 personeelsleden, die op 13 maart 2003 zijn ingezet bij het ruimen van pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam1] [naam]. Dit document is bij bovenvermelde traceringcontrole van de A.I.D., in kopie overhandigd aan opsporingsambtenaar [XX].

5. het overzichtsproces-verbaal zaak 2 van de Algemene Inspectiedienst6 met bijlagen

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf [bedrijfsnaam2] te Barneveld op 10 en 11 maart 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatielijst, (D/018) zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV, waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Aantekeningen uit schrift, (D/019) zijnde een fotokopie van een bladzijde uit een schrift, dat door de ambtenaar van de A.I.D. [XX], bij verrichte traceringcontrole, verkregen is. Op dit document staan de namen van personen, die op 10 en 11 maart 2003, zijnde de datum van de ruiming bij [bedrijfsnaam2], zijn ingezet.

Bijlage Personeelsnummer, (D/022), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/020, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 11 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2] op 10 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/024), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/023, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 14 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2] op 10 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/028), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/027, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 26 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2] op 11 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/030), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/029, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 10 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2] op 11 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/032), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/031, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 11 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2] op 11 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/034), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/033, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 11 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2] op 11 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Excel print, (D/036). Dit document is een selectie uit een Excel-bestand, genaamd aviaire influenza AID - 10 april 2003.xls, dat door of vanwege [verdachtes] B.V. op 10 april 2003 aan de A.I.D., voor een traceringcontrole, per e-mail verstrekt is. Op dit document staan onder meer de personeelsnummers van de personen, die door [verdachtes] BV op 10 en 11 maart 2003 bij de ruiming van het pluimvee van [bedrijfsnaam2] zijn ingezet.

Personeelslijst, (D/037), zijnde een document, dat door of vanwege [verdachtes] BV is opgemaakt waarop namen en sofi-nummers staan vermeld van 25 personeelsleden, die op 10 maart 2003 zijn ingezet bij het ruimen van pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2]. Dit document is bij bovenvermelde traceringcontrole van de A.LD., in kopie overhandigd aan opsporingsambtenaar [XX].

Personeelslijst, (D/039), zijnde een document, dat door of vanwege [verdachtes] BV is opgemaakt waarop namen en sofi-nummers staan vermeld van 25 personeelsleden, die op 11 maart 2003 zijn ingezet bij het ruimen van pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam2]. Dit document is bij bovenvermelde traceringcontrole van de A.I.D., in kopie overhandigd aan opsporingsambtenaar [XX].

6. het overzichtsproces-verbaal zaak 3 van de Algemene Inspectiedienst8 met bijlagen.

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf van [bedrijfsnaam3] te Lunteren op 12 en 13 maart 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatielijst, (D/040) zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers (vangers), die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Bijlage Personeelsnummer, (D/043), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/042, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 15 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam3] op 12 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Personeelsliist, (D/044), zijnde een document, dat dóór of vanwege [verdachtes] BV is opgemaakt waarop namen en sofi-nummers staan vermeld van 15 personeelsleden, die op 12 maart 2003 zijn ingezet bij het ruimen van pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam3]. Dit document is bij bovenvermelde traceringcontrole van de A.I.D., in kopie overhandigd aan opsporingsambtenaar [XX].

Excel print, (D/045). Dit document is een selectie uit een Excel-bestand, genaamd aviaire influenza AID - 10 april 2003.xls, dat door of vanwege [verdachtes] BV op 10 april 2003 aan de A.I.D., voor een traceringscontrole, per e-mail verstrekt is. Op dit document staan onder meer de personeelsnummers van de personen, die door [verdachtes] BV op 12 maart 2003 bij de ruiming van het pluimvee van [bedrijfsnaam3] zouden zijn ingezet.

7. het overzichtsproces-verbaal zaak 4 van de Algemene Inspectiedienst met bijlagen.

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf [bedrijfsnaam4] te Harskamp op 17 maart 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatielijst, (D/051) zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV, waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Bijlage Personeelsnummer, (D/055), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/054, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 10 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam4] op 17 maart 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Excel print, (D/057). Dit document is een selectie uit een Excel-bestand, genaamd aviaire influenza AID - 10 april 2003.xls, dat door of vanwege [verdachtes] BV op 10 april 2003 aan de A.LD., voor een traceringscontrole, per e-mail verstrekt is. Op dit document staan ondermeer de personeelsnummers van de personen, die door [verdachtes] B.V. op 17 maart 2003 bij de ruiming van het pluimvee van [bedrijfsnaam4] zijn ingezet.

8. het overzichtsproces-verbaal zaak 5 van de Algemene Inspectiedienst met bijlagen.

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf [bedrijfsnaam5] te Weert in de periode van 10 tot en met 12 april 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatielijst, (D/112) zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV, waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Bijlage Personeelsnummer, (D/118), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/117, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 4 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam5] op 11 april 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/121), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/120, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 27 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam5] op 11 april 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

Bijlage Personeelsnummer, (D/123), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/122, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 29 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam5] op 11 april 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

9. het overzichtsproces-verbaal zaak 6 van de Algemene Inspectiedienst met bijlagen.

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf [bedrijfsnaam7] te Achtmaal op 14 en 15 mei 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatielijst, (D/061) zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV, waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Bijlage Personeelsnummer, (D/068), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/067, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 29 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam7] op 15 mei 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

10. het overzichtsproces-verbaal zaak 9 van de Algemene Inspectiedienst met bijlagen.

In dit proces-verbaal worden de bevindingen beschreven terzake de tracering van personeel, dat is ingezet door [verdachtes] BV als pluimveeruimer in het kader van de bestrijding van de Aviaire Influenza, op het bedrijf [bedrijfsnaam8] te Heeswijk-Dinther op 4 mei 2003.

Voor dit traceringonderzoek zijn, onder meer, de volgende documenten met elkaar vergeleken:

De prestatieliist, (D/090) zijnde een document, dat bij de ruiming van een pluimveebedrijf wordt opgemaakt onder auspiciën van de RVV, waarop aantekening wordt bijgehouden welke personen, op naam en functie, begin en eindtijd en een paraaf, op het te ruimen pluimveebedrijf aanwezig zijn geweest. Zo staan op dit document de namen van de pluimveeruimers die via [verdachtes] BV zijn ingezet om het pluimvee te ruimen.

Bijlage Personeelsnummer, (D/097), zijnde een bijlage behorende bij de bijlage D/097, waarop de personeelsnummers staan vermeld van de 30 ingezette personeelsleden die bij de ruiming van het pluimvee op het bedrijf van [bedrijfsnaam8] op 4 mei 2003 zijn ingezet door [verdachtes] BV.

7.3 Bewijsmotivering van de rechtbank.

Door de verdediging is gesteld dat de prestatieverklaringen, waarvan de officier van justitie heeft gesteld dat die juist zijn en die ook door haar als uitgangspunt zijn gebruikt, onjuist zijn dan wel dat de juistheid daarvan ernstig in twijfel moet worden getrokken.

Daardoor zijn deze verklaringen niet geschikt voor een vergelijking met de lijsten, bestanden en/of overzichten die door [verdachtes] BV werden gehanteerd om de inzet van de ruimers te registreren.

Afgezien van de vergelijking met de gebrekkige prestatieverklaringen bevat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs voor de verdenking dat de ten laste gelegde lijsten van verdachte niet de werkelijk informatie omtrent de werkelijk ingezette ruimers bevatten, zodat vrijspraak dient te volgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet noodzakelijk dat de opgemaakte prestatieverklaringen volledig juist zijn om te komen tot een bewezenverklaring. Het kan best mogelijk zijn dat op deze verklaringen ten aanzien van een enkeling een andere naam is opgenomen dan die daar in werkelijkheid heeft gewerkt. De rechtbank acht het evenwel onaannemelijk dat op de zijdens [verdachtes] BV overgelegde lijsten en bestanden de juiste namen en personeelsnummers zijn opgegeven en diezelfde gegevens vervolgens zijn verantwoord in de administratie, terwijl op de prestatielijsten alleen onjuiste namen zouden staan.

Een en ander wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte3] dat er geen tewerkstellingsvergunningen waren voor de mensen die daadwerkelijk geruimd hadden en dat verdachte bang was dat hij niet betaald zou worden.

7.4 Bewezenverklaring.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[verdachtes] BV in de periode van 01 maart 2003 tot en met 03 juli 2003 te Stramproy, tezamen en in vereniging met anderen, telkens (inzet)lijsten en/of (excel)bestand(en) en overzichten betreffende ruimwerkzaamheden in het kader van de vogelpestcrisis - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben die [verdachtes] BV en haar medeverdachten alstoen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid op die (inzet)lijsten en/of op die (excel)bestanden en op die overzichten personeelsnummers (zie D/005 en 007 en 009 en 022 en 024 en 028 en 030 en 032 en 034 en 036 en 043 en 045 en 055 en 057 en 068 en 097 en 118 en 121 en D/123) en namen (zie D/013 en 014 en 037 en 039 en D044) van door of namens [verdachtes] BV ingezette werknemers weergegeven, terwijl in werkelijkheid deels andere personen daadwerkelijk werden ingezet op de door [verdachtes] BV uit te voeren werkzaamheden (te weten ruimingen van pluimvee) (zie D/001 en 002 en 018 en 019 en 040 en 051 en 061 en 090 en D/112) dan de op genoemde lijsten en/of bestanden en overzichten vermelde personen, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten, hij, verdachte, telkens opdracht heeft gegeven.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven.

Deze misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 225 juncto de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte.

Door de verdediging is gesteld dat verdachte tengevolge van de crisissituatie van de vogelpest niet strafbaar is en derhalve ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Ten tijde van de vogelpest was sprake van een noodtoestand die het handelen van verdachte rechtvaardigde. Indien verdachte al in strijd met de strafwet verrichte handelingen heeft begaan, hadden deze uitsluitend ten doel een zwaarder rechtsbelang te dienen, te weten voorkoming van verspreiding van de vogelpest.

De rechtbank erkent dat gedurende de periode dat de vogelpestcrisis heeft geduurd (ongeveer 4 weken) sprake is geweest van een hectische toestand en in die periode mogelijk gesproken kon worden van een noodtoestand. Naar het oordeel van de rechtbank was evenwel geen sprake van een noodtoestand, waarbij de overheid enkel een beroep kon doen op [verdachtes] BV, teneinde deze toestand het hoofd te bieden. [verdachtes] BV is zelf de overeenkomst aangegaan om aan die noodtoestand een einde te maken door het verrichten van ruimingen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat van een noodtoestand die vervolgens er onvermijdelijk toe leidde dat [verdachtes] BV niet anders kon dan het plegen van valsheid in geschrift is de rechtbank niet gebleken. De verklaring van de getuige [medeverdachte3] spreekt wat betreft de motieven van die valsheid voor zich. In dit verband merkt de rechtbank overigens nog op dat alle facturen merendeels eerst zijn opgemaakt nadat de vogelpestcrisis voorbij was.

De vergelijking met het Opticien-arrest gaat in dit geval niet op. In het geval waarin de opticien na sluitingstijd en in strijd met de Winkelsluitingswet nog een bril verkocht werd de opticien vervolgens vervolgd wegens overtreding van die wet. De opticien werd niet vervolgd voor het vervolgens niet juist in de administratie verantwoorden van zijn omzet, zoals in het onderhavige geval aan de orde is.

De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen.

10.1 De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 19 juni 2007 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde straf - voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - verzocht verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke straf en indien zulks niet mogelijk is tot een vrijheidsstraf om te zetten in elektronisch toezicht of een taakstraf waartoe verdachte bereid is.

10.3 De overwegingen van de rechtbank.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

In de onderhavige zaak heeft verdachte zich binnen zijn bedrijf [verdachtes] BV samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, terwijl hij als directeur van dit bedrijf opdracht tot het plegen van deze feiten heeft gegeven.

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is gebleken komt naar voren dat verdachte, onder meer, door het verstrekken van lijsten met valse namen het controleren van de zogenaamde 72-uursregeling onmogelijk heeft gemaakt. Door de handelwijze van verdachte kon deze regeling mogelijk worden overtreden zonder dat deze overtreding bij controle kenbaar werd.

Voorts heeft verdachte bij de ruimingen illegalen ingezet alsmede mensen die een uitkering genoten en asielzoekers die geen tewerkstellingsvergunning hadden, waardoor hij geldelijk voordeel heeft gehad. Deze ruimers werden immers tegen een laag uurloon (EUR 6,00) uitbetaald, terwijl een veel hoger loon (EUR 23,50) bij Laser werd gedeclareerd. Ter financiering werd een uitzendbureau-constructie in het leven geroepen en werden valse facturen opgemaakt. Verdachte heeft door aldus te handelen grote sommen geld op oneigenlijke wijze "verdiend".

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte eerder ter zake van soortgelijke feiten veroordeeld en zijn hem door UWV en Belastingsdienst betalingsverplichtingen opgelegd. Deze hebben verdachte er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. Integendeel zelfs.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Bij de oplegging van de straf zal de rechtbank ook rekening houden met het grote tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de uiteindelijke uitspraak en met de overschrijding van de redelijke termijn. Normaliter zou de rechtbank gekomen zijn tot oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 240 en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Met het voorts opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal niet volstaan met deze combinatie van een onvoorwaardelijke en voorwaardelijke straf.

De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte zich heeft laten leiden door zijn winstoogmerk en acht daarom een hoge geldboete tevens gepast als straf.

11. Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 47, 51, 57, 225.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling welke verdachte heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een geldboete van EUR 30.000,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 180 dagen.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, N.I.B.M. Buljevic en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van P.W.A. Beckers als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

3 juli 2007.

mr. W.A.H.J. Poppeliers en P.W.A. Beckers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.