Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA8077

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
07 / 222 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu het primaire besluit (kenbaar) is gericht op herstel van het niet nakomen van de inlichtingenplicht, doet zich niet een geval voor als in de uitspraak van de CRvB van 30 januari 2007: LJN AZ8403. Verweerder was bevoegd om het besluit tot toekenning van bijstand in te trekken omdat eiser niet is verschenen op een afspraak met de casemanager waardoor eiser zijn verzuim (op grond waarvan het recht de bijstand was opgeschort) niet heeft hersteld. De wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking doorstaat de aan de rechtbank toekomende toets; de gestuurde e-mail, inhoudende dat eiser die bepaalde casemanager niet (meer) wilde spreken, hoefde geen aanleiding te zijn voor verweerder om -ongevraagd- een andere casemanager in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 222 WWB

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de

gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 12 januari 2007,

kenmerk: pfzsj/na/167753.

Datum van behandeling ter zitting: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 12 januari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 september 2006, waarbij verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 18 september 2006 heeft ingetrokken, ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 12 januari 2007 is door eiser bij schrijven van 15 februari 2007 een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van

14 maart 2007 ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. Aan partijen is meegedeeld dat de gedingstukken van de zaak met procedurenummer AWB 2006/1921 ad informandum aan onderhavige zaak zijn toegevoegd.

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 februari 2007 om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering, onder toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, niet in behandeling genomen.

Tegen dit besluit heeft eiser op 17 april 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder. Op 3 mei 2007 heeft eiser tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 07/608. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar van 17 april 2007 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door eiser op 5 juni 2007 een beroepschrift ingediend. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 07/796.

Het beroep van 15 februari 2007 is behandeld ter zitting van 8 juni 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M.G. Volleberg.

II. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt sedert 1 september 2003 een bijstandsuitkering laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. Eiser heeft op 11 oktober 2004 een re-integratieplan ondertekend gericht op inschakeling in het arbeidsproces. Eiser is op 14 september 2006 gestart met werkzaamheden bij het re-integratietraject “De Werkende Weg”. Eiser heeft op 18 en 19 september 2006 niet deelgenomen aan dit traject. Bij besluit van 18 september 2006 heeft verweerder, met verwijzing naar artikel 54, eerste lid, van de WWB, het recht op uitkering met ingang van 18 september 2006 opgeschort, aangezien eiser zonder toestemming niet heeft deelgenomen aan voornoemd traject en daarmee niet de informatie heeft verstrekt die nodig is om de uitkering te kunnen voortzetten. Verweerder heeft eiser de gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen door zich op 25 september 2006 om 09.00 uur te melden bij de casemanager ([casemanager]) om uitleg te geven. Tegen het besluit van 18 september 2006 heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. Van de gelegenheid om zich op genoemd tijdstip bij de casemanager te melden heeft eiser evenmin gebruik gemaakt. Wel heeft hij per e-mail van 23 september 2006 de reden van zijn afwezigheid op 18 en 19 september 2006 meegedeeld en daarbij aangegeven geen behoefte meer te hebben aan contact met voormelde casemanager.

Bij besluit van 25 september 2006 heeft verweerder, op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 18 september 2006 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft eiser op 11 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Het in het kader van dit bezwaar ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 december 2006, procedurenummer AWB 06/1921, afgewezen.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, nu eiser geen gehoor heeft gegeven aan de in het besluit tot opschorting van de uitkering meegedeelde oproep om te verschijnen op 25 september 2006, aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Verweerder is voorts van mening in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand gebruik te hebben gemaakt.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij wel degelijk voldoende zijn verplichtingen in het kader van de WWB is nagekomen, aangezien hij steeds heeft uitgelegd waarom hij op 18 en 19 september 2006 zijn werkzaamheden niet kon verrichten. Eiser heeft zich afgemeld bij zijn leidinggevende. Eiser acht individuele bijzondere omstandigheden aanwezig om af te zien van intrekking van het recht op uitkering. Eiser heeft duidelijke redenen aangegeven voor het niet verschijnen op 18, 19 en 25 september 2006. Eiser is op 18 en 19 september 2006 niet verschenen omdat hij zijn echtgenote en kind naar Tsjechië heeft gebracht. Eiser heeft geen vertrouwen in zijn casemanager en dat is de reden waarom hij zich niet heeft gemeld op 25 september 2006. Eiser heeft zich hiervoor afgemeld en de redenen daarvoor aangegeven. Eiser acht de intrekking van de uitkering onredelijk, onbillijk en disproportioneel. Verweerder had een waarschuwing kunnen geven, dan wel een strafmaatregel van 50% gedurende één maand kunnen opleggen. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van eiser.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door verweerder aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het tweede lid van artikel 17 van de WWB bepaalt dat de belanghebbende desgevraagd verplicht is aan burgemeester en wethouders de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Het vierde lid van artikel 54 van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vaststaat dat eiser op 18 en 19 september 2006 zonder toestemming en zonder kennisgeving aan verweerder niet heeft deelgenomen aan het re-integratietraject. Voorts staat vast dat eiser niet is verschenen op de oproep van verweerder van 18 september 2006 om zich te melden voor een gesprek op 25 september 2006, hoewel hij er uitdrukkelijk op is gewezen er voor te zorgen dat hij zijn fout voor 25 september 2006 herstelt en daarmee te voorkomen dat zijn uitkering zal worden beëindigd. Via een e-mailbericht van 23 september 2006 heeft eiser uitleg gegeven waarom hij niet is verschenen op het re-integratietraject. Tevens heeft eiser aangegeven dat hij niets meer met de betreffende casemanager te maken wil hebben en dat hij dan ook geen behoefte heeft om deze op 25 september 2006 te bezoeken.

De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 18 september 2006, hoewel de aanleiding daarvan is dat eiser enige tijd niet heeft deelgenomen aan een hem opgelegd reïntegratietraject, (kenbaar) gericht is op herstel van het niet nakomen van de inlichtingenplicht, zodat zich niet een geval voordoet als aan de orde was in de zaak waarover de Centrale Raad van Beroep op 30 januari 2007 uitspraak heeft gedaan (LJN: AZ8403). Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser met voornoemde e-mail de in het - onherroepelijke - besluit van 18 september 2006 vastgestelde nalatigheid om verweerder te informeren over zijn afwezigheid, niet geheel heeft hersteld. Mede gelet op de ter zitting door de gemachtigde van verweerder gegeven toelichting, houdt de rechtbank het er namelijk voor dat eiser door zijn afwezigheid op 25 september 2006 niet de vragen heeft kunnen beantwoorden die verweerder hem had willen stellen met het oog op mogelijke voortzetting van de bijstandsverlening. Geconcludeerd moet dan ook worden dat eiser zijn verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn. Verweerder was dan ook bevoegd om het besluit tot toekenning van bijstand in te trekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, te weten 18 september 2006.

De rechtbank ziet voorts onvoldoende grond om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft in dit oordeel betrokken dat eiser op 18 en 21 september 2006 weliswaar (in beledigende termen) te kennen heeft gegeven niets meer met de casemanager te maken te willen hebben, maar dat niet is gebleken dat hij voordien of nadien enige concrete stap heeft genomen om voor zijn probleem met de casemanager een oplossing te vinden. Wat betreft de oproep voor 25 september 2006 had eiser bijvoorbeeld, als hij beletselen zag om met de betrokken casemanager te spreken, verweerder kunnen verzoeken om een andere casemanager in te schakelen, zodat hij op die manier had kunnen voldoen aan die oproep. In de voorhanden gegevens ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder er ongevraagd toe had moeten overgaan om eiser op te roepen voor een gesprek met een andere casemanager alvorens consequenties te verbinden aan het niet voldoen aan de oproep om op 25 september 2006 inlichtingen te komen verschaffen.

Gelet op voorgaande overwegingen dient het beroep van eiser voor ongegrond te worden gehouden.

Beslist wordt zoals aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING

De rechtbank;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Th. M. Schelfhout in tegenwoordigheid vanL.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 25 juni 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.