Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA7208

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06 / 1922 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Interpretatie van het criterium voor verlenging van de termijn "no risk polis" bij verhoogd gezondheidsrisico zoals neergelegd in artikel 20 van het Reïntegratiebesluit. De rechtbank is van oordeel dat niet uitsluitend moet worden beoordeeld of er sprake is van een progressief verlopende ziekte (waartoe het UWV zich had beperkt), maar ook of is voldaan aan het criterium "aanzienlijk verhoogd risico op gezondheidsklachten". Het feit dat het UWV zich uitsluitend had gebaseerd op dossieronderzoek zonder dat de betrokkene is gezien door een verzekeringsarts en zonder dat er informatie is ingewonnen bij de behandelend artsen, leidt de rechtbank tot een zorgvuldigheidsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1922 ZW

Inzake : Tommy Hilfiger Europe BV, gevestigd te Tegelen, eiseres,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 28 september 2006,

kenmerk: B&B 833.026.24 HS.

Datum van behandeling ter zitting: 20 april 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 28 september 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres, gericht tegen het primaire besluit d.d. 22 mei 2006 waarbij het verzoek - om verlenging van een termijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 26b van de Ziektewet (ZW) voor een werknemer van eiseres zijnde [werknemer] (hierna: [werknemer]) - is afgewezen, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft L. Crommentuyn, HR-manager bij eiseres, namens haar bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is [werknemer] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze mogelijkheid heeft deze geen gebruik gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan L. Crommentuyn, voornoemd, gezonden. Vervolgens heeft mr. drs. drs. M.A. van der Mast, werkzaam als artsgemachtigde bij ArboNed, namens eiseres de gronden van het beroep nader aangevuld en heeft verweerder een verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 20 april 2007, waar namens eiseres -zoals voorafgaand is aangekondigd- niemand is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door H.P.J.C. Reutelingsperger.

II. OVERWEGINGEN

[werknemer] is werkzaam geweest als metaalbewerker bij [...] BV te [plaats]. Op 7 mei 1999 heeft [werknemer] zich voor dit werk ziek gemeld vanwege - onder meer - schouderklachten. Bij besluit van 22 maart 2000 is aan [werknemer] per 22 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Tevens is [werknemer] aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Rea). Sedert 1 juni 2001 is [werknemer] in dienst getreden bij eiseres als magazijnmedewerker.

Op 5 mei 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verlenging van de arbeidsgehandicaptenstatus van [werknemer]. Eiseres stelt zich op het standpunt dat [werknemer] nog steeds klachten heeft waardoor deze regelmatig niet bij haar werkzaam kan zijn. Verweerder heeft vorenstaande aanvraag opgevat als een aanvraag van verlenging van de periode als bedoeld in artikel 29b van de ZW.

Bij primair besluit van 22 mei 2006 heeft verweerder op basis van een rapportage van verzekeringsarts J. Verhoeven, die door middel van dossierstudie tot de conclusie is gekomen dat er bij [werknemer] geen sprake is van een evident progressief ziektebeeld, het verzoek van eiseres afgewezen. Verweerder heeft hierbij gesteld dat een voorwaarde voor de gevraagde verlenging van de periode is dat de werknemer voor de afloop van de termijn van vijf jaar door ziekte of gebrek een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten waarvan bij [werknemer] geen sprake is, aldus verweerder.

In bezwaar hiertegen is namens eiseres gesteld dat [werknemer] terugkerende benauwdheidsklachten, klachten aan de longwegen en klachten van het bewegingsapparaat heeft die leiden tot ziekteverzuim. Hierbij is namens eiseres een overzicht met ziekmeldingen van [werknemer] en een brief van bedrijfsarts M. van de Bongard d.d. 28 juni 2006 over de medische gesteldheid van [werknemer] overgelegd.

Bij besluit van 28 september 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder, op basis van een rapportage van bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft in deze rapportage het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven en een aantal voorbeelden gegeven van ziektebeelden die wel evident progressief zijn, zoals sommige genetische aandoeningen, ernstige stofwisselingen, progressieve spierziekten, ernstige infectieziekten of sommige agressieve vormen van kanker. Met betrekking tot de gezondheidssituatie en het biologisch verloop van [werknemer] komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat bij lange na geen sprake is van een van de hiervoor genoemde aandoeningen. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de schouderklachten waar [werknemer] ten tijde van de arbeidsongeschiktheid mee kampte en de aandoeningen die door eiseres zijn gesteld (over de enkel- en luchtklachten), geen beperkingen zijn die voldoen aan het voornoemde criterium. Verweerder heeft het bestreden besluit onder meer genomen op grond van het bepaalde in artikel 20 van het Reïntegratiebesluit.

In beroep hiertegen is namens eiseres, onder verwijzing naar twee passages uit de nota van toelichting op het Arbeidsgehandicaptebesluit, gesteld dat er gelet op het ziekteverzuim van [werknemer] gesproken kan worden van een sterk wisselend ziektebeeld hetgeen, naast het door de (bezwaar)verzekeringsarts genoemde criterium, eveneens een maatstaf zou zijn om de gevraagde verlenging te kunnen verlenen. Eiseres is van mening dat het bestreden besluit ongemotiveerd is en onzorgvuldig tot stand is gekomen daar [werknemer] niet is gezien of gehoord door een arts.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit niet in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

In geding is de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van eiseres, om de termijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 29b van de ZW vanaf 1 juni 2006 te verlengen, heeft afgewezen.

In artikel 29b van de ZW is de overname van het risico tot loondoorbetaling in geval van ongeschiktheid tot werken geregeld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet REA, welke wet op 29 december 2005 is vervallen, wordt onder andere als arbeidsgehandicapte aangemerkt, de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO.

In artikel 90 van de ZW is onder meer het volgende bepaald:

“Als werknemer in de zin van artikel 29b, eerste lid, wordt, naast de werknemers bedoeld in dat lid, eveneens aangemerkt de persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel vervalt op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor de duur van:

a. zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en vijf jaar na die periode voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; (…)”

De rechtbank stelt vast dat [werknemer] bij de toekenning van zijn WAO-uitkering per 22 mei 2000, van rechtswege, moest worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet REA. Gelet hierop wordt [werknemer] beschouwd als een werknemer in de zin van artikel 90 van de ZW en daaruit voortvloeiend ook aangemerkt als een werknemer in de zin van artikel 29b van de ZW.

Artikel 20 van het Reïntegratiebesluit regelt de verlenging van de zogeheten termijn no risk polis bij verhoogd gezondheidsrisico. In dit artikel is het volgende bepaald:

“Indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld in de artikelen 29b en 90 van de Ziektewet wordt vastgesteld dat hij lijdt aan ziekte of gebreken, die maken dat hij binnen de in artikel 29b, eerste en vierde lid, van die wet bedoelde termijn van vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het recht op uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten, wordt die termijn van vijf jaar voor afloop daarvan verlengd, indien op dat moment de ziekte of gebreken dan wel het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel van het UWV nog bestaan.”

De rechtbank constateert dat het geschil zich toespitst op het in genoemd artikel vervatte criterium, voor verlenging van de termijn van vijf jaar, of op het moment vóór afloop van deze termijn bij [werknemer] de ziekte of gebrek dan wel het aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten nog bestaat. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet alleen naar voornoemd criterium dient te kijken, doch ook naar de toelichting als opgenomen in de Nota van Toelichting bij het Arbeidsgehandicaptebesluit, daar artikel 8 van dit besluit gelijk is aan, en overgeheveld is naar, artikel 20 van het Reïntegratiebesluit. In deze Nota van Toelichting is het volgende aangegeven:

“Tijdens de Kamerbehandeling van de Wet REA is voorts de aandacht gevestigd op de specifieke problemen van personen met een strek verhoogd risico. Algemeen bleek men te voelen voor de suggestie van de Gehandicaptenraad om voor mensen met een progressieve aandoening of een sterk wisselend ziektebeeld een verlenging van de (reeds tot vijf jaar verlengde) termijn van artikel 29b Ziektewet met (bijvoorbeeld) vijf jaar mogelijk te maken. Een motie van die strekking van het lid Van Nieuwenhoven werd met algemene stemmen aanvaard. Met name voor personen met een progressief verlopende ziekte kan het probleem optreden dat zij op zich wel enkele jaren goed kunnen presteren en verdienen, en in die periode dus als een gewone werknemer kunnen worden beschouwd, doch dat op termijn hun vooruitzichten met betrekking tot het ziekteverzuim (en invalideringsrisico) onverminderd slecht blijven. Dit kan hun arbeidsmarktkansen belemmeren. In dit besluit wordt derhalve voor de groep werknemers met een aanzienlijk verhoogd risico de mogelijkheid geschapen voor verlenging van de vijfjaarsperiode. Dit houdt in dat vóór het einde van de vijfjaarsperiode wordt bezien of de aandoening die reden was om een persoon als een verhoogd risico te beschouwen nog steeds aanwezig is.”

Uit deze toelichting leidt de rechtbank, gelet op onder meer de woorden “met name”, af dat verweerder niet uitsluitend moet beoordelen of er sprake is van een persoon met een progressief verlopende ziekte, maar dat er ook moet worden bekeken of andere personen, bijvoorbeeld personen met een sterk wisselend ziektebeeld, voldoen aan het criterium “aanzienlijk verhoogd risico op gezondheidsklachten” en in aanmerking komen voor verlenging van de vijfjaarsperiode.

Nu niet is gebleken dat verweerder voornoemde beoordeling heeft uitgevoerd en gelet op het uitgangspunt dat in beginsel bij de beoordeling van de medische aspecten van sociale zekerheidaanspraken de betrokken persoon door een verzekeringsarts wordt onderzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval te oordelen dat [werknemer] niet gezien had hoeven te worden door een verzekeringsarts. Te meer was daarvoor reden nu de verzekeringsartsen in dit geval enkel dossierstudie hebben verricht en geen nadere informatie bij de behandelend sector over [werknemer] hebben opgevraagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voornoemde impliceert dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, waardoor verweerder in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Gelet op het vorenstaande ontbeert het bestreden besluit tevens een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op enkele citaten uit de Nota van Toelichting bij het Arbeidsgehandicaptebesluit, is de rechtbank van oordeel dat een deel van deze aangehaalde citaten niet ziet op de vraag of de termijn als bedoeld in artikel 29b van de ZW verlengd dient te worden.

Op grond van het vorenoverwogene moet dan ook worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet steunt op een toereikende grondslag, zodat dat het besluit niet in stand kan worden gelaten. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het beroep van eiseres moet dan ook voor gegrond worden gehouden.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt één punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 322,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt voorts, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 281,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. A.M. Schmeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op: 5 juni 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 5 juni 2007.

rv

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.