Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA6708

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06 / 1979 WIA K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan het UWV van mening was oordeelt de rb in deze uitspraak dat ook bij een praktische schatting (op eigen inkomsten) maximering van de maatman ongeoorloofd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1979 WIA K1

Inzake : [eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 7 november 2006,

kenmerk: B&B 385.0239.24 SA.

Datum van behandeling ter zitting: 1 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van de uitspraak genoemde besluit, waartegen mr. E.H.J.van Gerven, advocaat te Roermond, namens eiser beroep heeft ingesteld, heeft verweerder beslist op een bezwaar van eiser tegen een eerder besluit d.d. 20 juni 2006 inzake de toepassing van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

De stukken en het verweerschrift, die verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingezonden, zijn aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser nog een nader stuk aan de rechtbank toegezonden.

Bij de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank op 1 maart 2007 is eiser niet verschenen en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door W.J. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Eiser was werkzaam als directeur van [eiser]- [...] BV (champignonkwekerij) te [woonplaats] en was daarnaast (sedert 4 juni 2004) bestuurslid van [...] Holding BV te [plaats]. Voor zijn werk als directeur van de BV ontving eiser een beloning die was gebaseerd op een werkweek van 45 uren en als bestuurslid ontving hij een vergoeding. Ten gevolge van een ongeval is eiser op 18 mei 2004 ongeschikt geworden en op 12 februari 2006 heeft hij bij verweerder een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 20 juni 2006 geweigerd om eiser ingaande 16 mei 2006 een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen omdat eiser per die datum in staat werd geacht om meer dan 65% te verdienen van zijn maatmaninkomen per uur. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. In beroep hiertegen is namens eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte de urenomvang van de maatgevende arbeid heeft gesteld op maximaal 38 uren en ten onrechte een reductiefactor van 22/38 heeft toegepast. Daarbij is gewezen op uitspraken van de rechtbanken Alkmaar, Breda en Roermond die hebben uitgesproken dat om daartoe aangegeven redenen maximering op 38 uur buiten toepassing dient te blijven.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Op basis van de door eiser gerealiseerde verdiensten uit zijn werk als directeur en bestuurslid heeft de arbeidsdeskundige becijferd dat eiser per einde wachttijd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten. Hierbij is een reductiefactor gehanteerd waarbij is uitgegaan van een maximering van de urenomvang van de maatgevende arbeid tot 38 uur.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 oktober 2006 (www. rechtspraak.nl, LJN: AY9490) geoordeeld dat de maximering van de omvang van de maatmanfunctie in strijd is met het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO en van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) en dat daarmee buiten de delegatiebevoegdheid van artikel 18, achtste lid, van de WAO, respectievelijk artikel 2, zevende lid, van de WAZ wordt getreden. Inmiddels is de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak van 2 maart 2007 (LJN:AZ9652) tot hetzelfde oordeel gekomen. Onder verwijzing naar de overwegingen van genoemde uitspraken is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten alsmede, in casu, artikel 4, tweede lid, van het Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004, voor zover bij die bepalingen de in aanmerking te nemen urenomvang van de maatgevende arbeid is gemaximeerd op 38 uur, buiten toepassing had moeten laten. In onderhavig geval is de Wet WIA van toepassing, maar ook in het kader daarvan gelden de bepalingen waarbij de urenomvang van de maatgevende arbeid is gemaximeerd, en moeten dezelfde conclusies worden getrokken ten aanzien van de onverbindendheid van die bepalingen.

De rechtbank merkt nog op dat van verweerders kant ter zitting is betoogd dat bij een zogeheten praktische schatting als de onderhavige, beoordeling van de verbindendheid van de maximering van de omvang van de maatgevende arbeid niet aan de orde zou zijn. Daartoe is verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank van 4 december 2006 (nrs. 06/644 en 06/694). Voor zover hetgeen in die uitspraken is overwogen omtrent de verhouding tussen onderdeel h. en onderdeel b. van artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aanleiding geeft tot voormelde door verweerder verwoorde opvatting, is de rechtbank thans van oordeel dat die opvatting niet juist is. Uit artikel 10, eerste lid, onder a, van dat Besluit, welke bepaling in eerdergenoemde uitspraken buiten beschouwing is gebleven, volgt namelijk dat bij de berekening van hetgeen de betrokkene nog met arbeid kan verdienen in alle gevallen uitgegaan wordt van de urenomvang van de door de in artikel 6 bedoelde gezonde persoon uitgeoefende arbeid (de maatgevende arbeid) met een maximum van gemiddeld 38 uur. Voorts is in artikel 4, tweede lid, van het Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004 uitdrukkelijk bepaald dat bij een schatting op feitelijk verrichte arbeid de urenomvang van de maatgevende arbeid maximaal 38 uur bedraagt. Uit die voorschriften volgt dat ook bij een praktische schatting maximering van de maatgevende arbeid voorgeschreven is. En om de redenen als verwoord in eerdergenoemde uitspraken is deze maximering evenzeer ongeoorloofd als bij een (theoretische) schatting op andere functies. De desbetreffende (onderdelen van) bepalingen dienen derhalve ook voor dit geval buiten toepassing te blijven, zodat moet worden geconcludeerd dat bij het bestreden besluit niet de reductiefactor 22/38 had mogen worden toegepast. Nu in zoverre de grondslag aan het bestreden besluit komt te ontvallen, moet dit worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als onder III.

III. BESLISSING

De rechtbank;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de kant van eiser begroot op € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser;

bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 22 mei 2007

MD

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.