Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA6654

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06 / 2064 + 2065 WIA K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In bijgevoegde uitspraak oordeelt de rb dat het verzoek van de werkgever om verkorting van de wachttijd (artikel 23 Wet WIA) wel degelijk als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb moet worden aangemerkt want de werkgever is belanghebbende bij een besluit omtrent verkorting van de wachttijd. Niet tijdig beslissen op die aanvraag doet dan ook in beginsel een fictieve weigering ontstaan.

Inhoudelijk had verweerder die aanvraag niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat artikel 23 Wet WIA vereist dat de aanvraag niet door de werkgever maar door de werknemer moet worden gedaan.

Ten tijde van het besluit op bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag was al beslist op de aanvraag om uitkering zodat de werkgever geen belang meer had bij een afzonderljk besluit op het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder had dat bezwaar dan ook n-o moeten verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenrs. : 06 / 2064 + 2065 WIA K1

Inzake : V.O.F. Natuursteenbedrijf [eiseres] en Zn alsmede haar vennoten, gevestigd te [plaats], eiseres

tegen : De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 23 november 2006,

kenmerk: B&B 596.0039.24 SA.

Datum van behandeling ter zitting: 13 april 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij de in de aanhef van de uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiseres tegen het uitblijven van een besluit op een verzoek van eiseres om verkorting van de wachttijd, respectievelijk het bezwaar van eiseres tegen verweerders besluit van 28 augustus 2006 inzake de toepassing van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Tegen eerstbedoelde besluiten is namens eiseres door mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de (ex-)werknemer van eiseres, [naam (ex-)werknemer] (hierna: [belanghebbende]), in de gelegenheid gesteld als belanghebbende partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

[belanghebbende] heeft toestemming verleend om de medische gegevens aan eiseres (de (ex)werkgeefster) te verstrekken.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres en

aan de belanghebbende partij gezonden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de recht¬bank op 13 april 2007. Eiseres heeft zich, met bericht vooraf, niet laten vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.P.J.C. Reutelingsperger. Tevens is belanghebbende [belanghebbende] verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Per 23 augustus 2004 is [belanghebbende], werknemer van eiseres, ziek gemeld.

Op 29 november 2005 heeft eiseres verzocht om aan [belanghebbende] een WIA-uitkering toe te kennen op basis van een verkorte wachttijd.

Op 1 mei 2006 heeft [belanghebbende] zelf een uitkering ingevolge de Wet WIA aangevraagd. Door [belanghebbende] is niet om verkorting van de wachttijd verzocht.

Nadat een besluit van verweerder op het verzoek van eiseres uitbleef, heeft eiseres bij brief van 16 augustus 2006 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van eiseres van 29 november 2005.

Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft verweerder op de aanvraag van [belanghebbende] besloten hem met ingang van 21 augustus 2006 een WGA-uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij brief van 29 september 2006 bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft daarbij aangevoerd dat de ingangsdatum van de uitkering niet juist is om dezelfde reden als aangevoerd in het bezwaarschrift van 16 augustus 2006.

Bij besluit van 23 november 2006 (verder: besluit I) heeft verweerder besloten het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren, omdat er geen sprake is van een fictieve weigering, nu de Wet WIA vereist dat de aanvraag voor een verkorte wachttijd wordt gedaan door de verzekerde, maar in casu het verzoek is gedaan door de werkgever. Derhalve ligt er volgens verweerder geen aanvraag van de verzekerde, zodat er ook geen sprake kan zijn van overschrijding van een beslistermijn.

Bij besluit van eveneens 23 november 2006 (verder besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 augustus 2006 waarbij aan [belanghebbende] WGA-uitkering is toegekend, ongegrond verklaard.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat, nu de werkgever belanghebbende is in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving, er voor de werkgever natuurlijk ook de mogelijkheid is om een verzoek in te dienen om verkorting van de wachttijd.

Voorts is aangevoerd dat [belanghebbende] in elk geval op het moment dat het verzoek om verkorting van de wachttijd werd ingediend, reeds geruime tijd in het geheel niet in staat was om op normale wijze aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen en ook niet in staat was om bij eiseres dan wel elders op de vrije arbeidsmarkt werkzaamheden te verrichten. Hij was ook gedurende een zeer lange periode opgenomen en behandeld door de PAAZ-afdeling. Uit de stukken blijkt volgens eiseres verder dat [belanghebbende] zal zijn aangewezen op een beschermde werkplek. Deze situatie duurt inmiddels enkele jaren en er kan dus niet worden volgehouden dat er nog een kans bestaat dat [belanghebbende] zal herstellen.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of de bestreden besluiten in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Artikel 4 van de WIA luidde ten tijde van de bestreden besluiten als volgt:

“1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.”

Artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA luidde ten tijde van de bestreden besluiten en voor zover hier van belang, als volgt:

“Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 65 in acht is genomen.”

Het beroep tegen besluit I.

In tegenstelling tot hetgeen in besluit I is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van eiseres om verkorting van de wachttijd wèl moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van het derde lid van artikel 1:3 van de Awb. Eiseres is immers de werkgeefster van [belanghebbende] en moet daarom, naar ook tussen partijen niet in geschil is, als belanghebbende bij een besluit omtrent verkorting van de wachttijd worden aangemerkt. Gelet op het bepaalde in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA had verweerder deze aanvraag evenwel niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat niet is voldaan aan het (formele) wettelijk vereiste dat de aanvraag door de verzekerde moet worden gedaan. Derhalve was er wel degelijk sprake van het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag.

Nu verweerder echter ten tijde van het besluit op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiseres, reeds had beslist op de aanvraag van [belanghebbende] om uitkering ingevolge de Wet WIA en eiseres bezwaar had gemaakt tegen de ingangsdatum van de toegekende uitkering, is reeds daarom niet in te zien dat eiseres nog belang had bij een afzonderlijk besluit op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder had dit bezwaar dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

Gelet op het vorenstaande komt besluit I voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het bezwaar van eiseres tegen de (fictieve) weigering om te beslissen op de aanvraag van eiseres van 29 november 2005 niet-ontvankelijk is.

Het beroep tegen besluit II.

Het bezwaar van eiseres tegen eerdergenoemd besluit van 28 augustus 2006 was uitsluitend gericht tegen de ingangsdatum van de WGA-uitkering.

Verweerder heeft de ongegrondverklaring van het bezwaar met name gebaseerd op de overweging dat er een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden, waarin naar voren is gekomen dat [belanghebbende] geen recht heeft op een IVA-uitkering, zodat er ook geen sprake kan zijn van een verkorte wachttijd.

De rechtbank overweegt dat, ook indien aan [belanghebbende] een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering zou zijn toegekend, er geen verkorte wachttijd had kunnen worden toegepast, omdat deze niet, zoals het zesde lid van artikel 23 van de Wet WIA voorschrijft, door de verzekerde, [belanghebbende], is aangevraagd. Op deze grond had verweerder het bezwaar ongegrond dienen te verklaren.

Uit het vorenstaande blijkt dat verweerders besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar op onjuiste gronden berust. Het besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

Nu, zoals uit het vorenstaande blijkt, het bezwaar niettemin om een andere reden ongegrond is, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb overweegt de rechtbank dat dit niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu deze uitspraak niet tot een wijziging van de toegekende uitkering leidt en ook anderszins niet is gebleken van (mogelijke) schade als gevolg van de vernietigde besluiten.

Wel acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van deze beroepen, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt één punt toegekend (voor de beroepschriften). Het gewicht van de zaken wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Onder toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden beide samenhangende zaken beschouwd als één zaak.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

verklaart het bezwaar van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres van 29 november 2005 alsnog niet-ontvankelijk;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit II geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedures bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 322,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het UWV aan eiseres;

wijst het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 8:73 van de Awb af;

bepaalt dat het UWV aan eiseres het door of namens haar gestorte griffierecht ten bedrage van twee maal € 281,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van J.C. Kupers Leenen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 1 juni 2007

KS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.