Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA3950

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
04/064407-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Slachthameren van varkens bij export naar Duitsland; rechterlijk pardon.

Namens verdachte is aangegeven dat slachtvarkens in Nederland niet mogen worden voorzien van een slaghamermerk, terwijl Duitse slachthuizen een slaghamermerk als harde eis stellen. Verdachte wordt overigens in dit geval het in voorraad hebben van slachtvarkens met een slachthamermerk verweten.

Namens verdachte is aangegeven dat het niet mogelijk is de wetgeving na te leven. De economische politierechter begrijpt het betoog namens verdachte als een beroep op overmacht dan wel als een beroep op verminderde verwijtbaarheid.

In de overwegingen wordt uitgebreid stilgestaan bij het wettelijk kader ten aanzien van het merken van (slacht)varkens.

De economische politierechter is van oordeel dat verdachte kan worden tegengeworpen dat zij geen ontheffing op grond van artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren heeft aangevraagd bij de minister. Om die reden wordt het beroep op overmacht verworpen.

De rechter overweegt dat immers niet op voorhand kan worden uitgesloten dat, totdat de uitvoeringspraktijk in Duitsland is veranderd, een ontheffing voor een ingreep in de vorm van een slaghamermerk, al dan niet als alternatief voor het slachtmerk, en al dan niet onder voorwaarden, na kennisneming van alle relevante feiten, door de minister zal worden verleend. Daarbij neemt de rechter de omstandigheid in aanmerking dat in de praktijk de Duitse slachthuizen, ten tijde in geding en blijkbaar nog steeds onveranderd, een slaghamermerk als harde eis stellen voor de acceptatie van Nederlandse slachtvarkens. Ook neemt de rechter de omstandigheid in aanmerking dat het evenzeer in het belang van de Nederlandse overheid lijkt te zijn dat varkens na de slacht in Duitsland nog eenvoudig en eenduidig op herkomst zijn te traceren in het kader van de voedselveiligheid en in verband met dierziekten. Immers, om die reden is in Nederland een blikken slachtoormerk voorgeschreven, terwijl dit Nederlands slachtmerk door de Duitse slachthuizen niet voor dit doel wordt benut. Het huidige (illegale) systeem van slaghameren van Nederlandse slachtvarkens, of dat nu in Nederland of in Duitland geschiedt, – ongecontroleerd en met willekeurige nummers – biedt daarvoor geen waarborg en verdraagt zich ook niet met het bepaalde in de Europese Richtlijn (92/102 EEG). Verder neemt de rechter in aanmerking dat bij het aanbrengen van een slaghamermerk het belang van het dierenwelzijn relatief lijkt (geringe ingreep), terwijl het aannemelijk is geworden dat het dierenwelzijn, in elk geval niet gediend is met het slaghameren in Duitsland, gezien de omstandigheden waaronder dat aldaar geschiedt. Tenslotte neemt de rechter in aanmerking dat in het verleden ook argumenten van praktische uitvoerbaarheid en economische motieven de minister hebben bewogen tot het verlenen van vrijstelling, getuige de “Vrijstellingsregeling ingrepen”. Immers de eis van de Duitse slachthuizen brengt verdachte in een onmogelijke positie.

Bovenstaande omstandigheden leiden er wel toe, dat het bewezen verklaarde aan verdachte slechts in verminderde mate kan worden verweten.

Daarbij neemt de rechter nog in aanmerking dat naar haar oordeel in redelijkheid niet kan worden verwacht dat een individuele veehandelaar de Duitse slachthuizen kan bewegen tot een ander beleid of kan afdwingen dat in zijn geval de slachtvarkens zonder slaghamermerk worden geaccepteerd.

Volgt: schuldigverklaring zonder straf of maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/064407-03

uitspraak d.d. : 26 april 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de economische politierechter te Roermond, in de zaak tegen:

naam : [XX] Veehandel [Q]

adres : [adres]

plaats : [vestigingsplaats]

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 september 2005, 16 februari 2006 en 12 april 2007.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 24 juli 2003 tot en met 7 augustus 2003 in de gemeente Echt-Susteren en/of Kerkrade en/of Herten, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, dieren, te weten een aantal varkens, ten verkoop in voorraad heeft gehad, ten verkoop aangeboden, verkocht of gekocht, waarbij een krachtens artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet verboden ingreep was verricht, te weten een slaghamermerk;

art 41 lid 3 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

2.

zij op of omstreeks 20 januari 2004 in de gemeente Echt-Susteren en/of Maasbracht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een vervoermiddel (een veewagen met kenteken [kenteken]), dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van een of meer evenhoevigen in een lidstaat dan wel een derde land en leeg vanuit die lidstaat, onderscheidenlijk dat derde land, te weten Duitsland, anders dan in doorvoer in Nederland werd gebracht, niet onmiddellijk heeft gereinigd en ontsmet op een op grond van artikel 23, eerste lid, van de

Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000, geregistreerde reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen;

art 12 lid 1 Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000, (parketnummer 064101/04)

3.

zij op of omstreeks 16 juni 2004 in de gemeente Echt-Susteren en/of Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een vervoermiddel (een vrachtwagen met oplegger, gekentekend [kenteken]), dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van een of meer evenhoevigen in een lidstaat dan wel een derde land en leeg vanuit die lidstaat, onderscheidenlijk dat derde land, te weten België, anders dan in doorvoer in Nederland werd gebracht, niet onmiddellijk heeft gereinigd en ontsmet op een op grond van artikel 23, eerste lid, van de

Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000, geregistreerde reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen;

art 12 lid 1 Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000, (parketnummer 064221/04)

4.

zij op of omstreeks 13 december 2004 in de gemeente Echt-Susteren en/of Nederweert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, dieren, te weten een aantal varkens, ten verkoop in voorraad heeft gehad, ten verkoop aangeboden, verkocht of gekocht, waarbij een krachtens artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet verboden ingreep was verricht, te weten een slaghamermerk;

art 41 lid 3 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (parketnummer 864064/05)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de politierechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de politierechter dat op 9 juni 2005 een kennisgeving verdere vervolging ten aanzien van feit 1 is verzonden, welke kennisgeving op 10 juni 2005 is betekend aan [naam vennoot], vennoot van de vennootschap onder firma [XX] Veehandel [Q]. Verdachte is vervolgens gedagvaard voor het haar ten laste gelegde voor de zitting van 15 september 2005, welke dagvaarding op 20 juli 2005 aan de vertegenwoordiger van verdachte is betekend.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 april 2007 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Met betrekking tot feit 3 heeft de vertegenwoordiger van verdachte aangegeven dat de betreffende auto wel is ontsmet. Volgens de vertegenwoordiger van verdachte konden de verbalisanten vanaf de plek waar zij stonden niet het nummer van de oplegger zien, zodat sprake kan zijn geweest van verwisseling van auto's.

De politierechter overweegt met betrekking tot feit 3 dat de lezing van de vertegenwoordiger van de verdachte niet aannemelijk is geworden, gelet op de onderbouwing van de feiten in het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten. 1 Hieruit blijkt immers dat het vervoermiddel op 16 juni 2004 omstreeks 15.51 uur op de weegbrug stond, uit het ontsmettingsboekje 2 blijkt dat de oplegger om 15.54 uur is gereinigd en ontsmet, terwijl alleen het ontsmetten van de oplegger volgens de keuringsdierenarts [naam] minimaal een kwartier duurt. 3 Het reinigen en ontsmetten duurt volgens hem wel een uur. Gelet hierop acht de politierechter niet aannemelijk dat er een vergissing in het spel is, nu de documenten behorend bij de oplegger de observaties en het gestelde door de verbalisanten staven. Overigens is ter terechtzitting door de vertegenwoordiger van verdachte niet betwist dat de betreffende oplegger niet is gereinigd, hetgeen ook door [naam bijrijder] - die op 16 juni 2004 als bijrijder fungeerde - is bevestigd. 4

Gelet op het vorenstaande wordt het door de vertegenwoordiger van de verdachte gevoerde verweer verworpen.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 24 juli 2003 tot en met 7 augustus 2003 in Nederland (Herten), opzettelijk, meermalen, dieren, te weten een aantal varkens, ten verkoop in voorraad heeft gehad en eenmaal dieren, te weten een aantal varkens, heeft verkocht, waarbij een krachtens artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet verboden ingreep was verricht, te weten een slaghamermerk;

2.

zij op 20 januari 2004 in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk, een vervoermiddel (een veewagen met kenteken [kenteken]), dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van evenhoevigen in een lidstaat en leeg vanuit die lidstaat, te weten Duitsland, anders dan in doorvoer in Nederland werd gebracht, niet onmiddellijk heeft gereinigd en ontsmet op een op grond van artikel 23, eerste lid, van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000, geregistreerde reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen;

3.

zij op 16 juni 2004 in de gemeente Roermond, opzettelijk, een vervoermiddel (een vrachtwagen met oplegger, gekentekend [kenteken]), dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van evenhoevigen in een lidstaat en leeg vanuit die lidstaat, te weten

België, anders dan in doorvoer in Nederland werd gebracht, niet onmiddellijk heeft gereinigd en ontsmet op een op grond van artikel 23, eerste lid, van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000, geregistreerde reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen;

4.

zij op 13 december 2004 in de gemeente Nederweert, opzettelijk, dieren, te weten een aantal varkens, ten verkoop in voorraad heeft gehad, waarbij een krachtens artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet verboden ingreep was verricht, te weten een slaghamermerk.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de politierechter dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9.1. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ten aanzien van feit 2 aangegeven dat hij door het moeten slachten van de betreffende varkens al verlies heeft geleden en dat het niet aangewezen is voor dit feit ook nog een keer een geldboete op te leggen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 4 heeft de vertegenwoordiger van verdachte gesteld dat het onmogelijk is om de wetgeving na te leven, het is geen onwil. In Nederland mogen varkens niet voorzien worden van een slaghamermerk, in Duitsland accepteren de slachthuizen de varkens niet zonder slaghamermerk. Uit oogpunt van dierenwelzijn is het in hoog tempo slaghameren in Duitsland na de reis veel stressvoller voor de varkens. De varkens zijn dan ook niet goed meer te onderscheiden naar herkomst. Dat levert problemen op bij het afrekenen van het vlees. De vertegenwoordiger van verdachte heeft aangegeven dat het oormerken van varkens veel pijnlijker is dan het aanbrengen van een slaghamermerk, wat de deskundige op zitting heeft bevestigd.

De Officier van Justitie heeft aangegeven met het door verdachte ten aanzien van feit 2 gestelde, in de strafeis rekening te hebben gehouden, evenals met het tijdsverloop.

Ten aanzien van de feiten 1 en 4 stelt de Officier van Justitie zich op het volgende standpunt. De Officier van Justitie onderkent het probleem van verdachte maar is van mening dat, kort samengevat, verdachte gehouden is de wetgeving na te leven. Verdachte had ontheffing kunnen aanvragen bij de Minster van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV). Het is vooral een praktisch probleem waarbij de economische motieven van verdachte niet doorslaggevend kunnen zijn.

De politierechter zal ten aanzien van feit 2 rekening houden met het feit dat een bestuursrechtelijke maatregel is opgelegd waarvan verdachte financieel nadeel heeft ondervonden. Ook zal zij rekening houden met het tijdsverloop ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten.

Ten aanzien van de feiten 1 en 4 overweegt zij in het bijzonder als volgt.

De politierechter vat het betoog van verdachte op als een beroep op overmacht dan wel als een beroep op verminderde verwijtbaarheid.

De politierechter verwerpt het beroep op overmacht, maar honoreert het beroep op verminderde verwijtbaarheid van verdachte. In de overwegingen zal uitgebreid worden stilgestaan bij het wettelijk kader ten aanzien van het merken van (slacht)varkens.

Verdachte wordt weliswaar verweten varkens met een slaghamermerk in voorraad te hebben gehad, maar achterliggend verwijt is het in Nederland slaghameren van varkens, die bestemd zijn voor Duitse slachthuizen.

De politierechter overweegt dat de Europese "Richtlijn 92/102/EG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren" (hierna; de Richtlijn), gezien het bepaalde in artikel 1, minimumvoorschriften geeft voor de identificatie en registratie van dieren. In de considerans van de Richtlijn is, onder meer, en voor zover hier relevant, het volgende overwogen: "Overwegende dat, teneinde verplaatsingen van dieren snel en doeltreffend te kunnen natrekken, de dieren moeten kunnen worden geïdentificeerd; dat de vorm en de inhoud van het merkteken voor runderen moeten worden vastgesteld voor de gehele Gemeenschap; dat voor varkens, schapen en geiten op een later tijdstip een beslissing moet worden genomen over de aard van het merkteken en dat in afwachting van die beslissing de nationale identificatiesystemen voor verplaatsingen op de nationale markt van toepassing moeten blijven. Overwegende dat afwijkingen van de eisen inzake merktekens moeten worden mogelijk gemaakt voor dieren die rechtstreeks van een landbouwbedrijf naar een slachthuis worden gebracht; dat deze dieren evenwel in elk geval op zodanige wijze moeten worden geïdentificeerd dat het bedrijf van oorsprong kan worden opgespoord;"

Vorenstaande overwegingen vinden hun nadere uitwerking in de artikelen 5, 6 en 10 van de Richtlijn. Artikel 5 bepaalt dat lidstaten er op toezien dat een aantal algemene beginselen worden nageleefd, zoals het vereiste dat identificatiemerktekens worden aangebracht voordat een dier het bedrijf waar het geboren is verlaat. Voor varkens is dat ingevolge het derde lid van artikel 5 van de Richtlijn een oormerk of een tatoeage aan de hand waarvan het bedrijf van herkomst kan worden vastgesteld. Artikel 5, derde lid, van de Richtlijn bepaalt verder nog dat lidstaten voor in casu varkens hun nationale systeem kunnen handhaven voor alle verplaatsingen op hun grondgebied. Met dit systeem moet het mogelijk zijn het bedrijf van herkomst te identificeren en het bedrijf waar het dier geboren is, op te sporen, zo is in dit artikellid aangegeven.

In artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming besluit het identificatiemerkteken, dat een dier op het bedrijf van oorsprong is toegewezen, niet te behouden, alle kosten van de vervanging van het merkteken ten laste komen van die autoriteit. Wanneer het merkteken is vervangen, moet er een verband worden gelegd tussen de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending toegekende identificatie en de nieuwe, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming toegekende identificatie. In artikel 10 van de Richtlijn is tenslotte geregeld dat ten aanzien van een geharmoniseerd communautair identificatie- en registratiesysteemsysteem (hierna: I&R-systeem) voor, in casu, varkens nog nadere besluitvorming zal plaatsvinden.

De politierechter concludeert uit het vorenstaande dat de Richtlijn het merken van varkens na de geboorte voorschrijft met nader omschreven geboortemerktekens. Ten aanzien van slachtvarkens wordt niets meer bepaald dan dat is overwogen dat afwijkingen van de eisen inzake merktekens moeten worden mogelijk gemaakt voor varkens die rechtstreeks van een landbouwbedrijf naar een slachthuis worden gebracht, mits deze varkens in elk geval op zodanige wijze worden geïdentificeerd dat het bedrijf van oorsprong kan worden opgespoord.

De Officier van Justitie heeft desgevraagd aangegeven dat uniforme Europese regelgeving voor varkens, binnen afzienbare tijd niet in het verschiet ligt (brief van het Ministerie van LNV van 26 april 2006, onder punt 1)

De politierechter overweegt verder dat in Nederland met het "Besluit identificatie en registratie van dieren" (hierna: het Besluit) uitvoering wordt gegeven aan, onder meer, bovengenoemde richtlijn. De implementatie van de Richtlijn is door middel van dit besluit tevens onder de werkingssfeer van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gebracht.

Op grond van artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is het verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd.

De politierechter is van oordeel dat het aanbrengen van een slaghamermerk een ingreep is, waarbij een deel van het lichaam van het varken (de opperhuid, volgens de deskundige op zitting) wordt beschadigd. Op grond van artikel 40, tweede lid, aanhef en onder c van genoemde wet geldt bovengenoemd verbod onder meer niet voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ingrepen.

In het Ingrepenbesluit zijn in artikel 2, tweede lid, de toegestane ingrepen ter identificatie aangegeven, waarbij is bepaald dat bij dieren ten hoogste twee van die ingrepen mogen worden verricht. Ten aanzien van varkens is in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Ingrepenbesluit, het aanbrengen van een oormerk in één oor, als een toegestane ingreep genoemd. Het aanbrengen van een slaghamermerk is niet genoemd als een toegestane ingreep ter identificatie.

Artikel 41 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren verbiedt het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen of kopen van dieren, waarbij een bij artikel 40 van de wet verboden ingreep is verricht.

Artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kent de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van het bij of krachtens het in de wet bepaalde, indien de gezondheid of het welzijn van het dier zich daar niet tegen verzet.

De "Vrijstellingsregeling ingrepen" staat toe dat een aantal ongewenste ingrepen bij dieren voor identificatiedoeleinden, nog langere tijd worden gebezigd. Uit de toelichting bij de vrijstellingsregeling blijkt dat dit is ingegeven vanwege de praktische uitvoerbaarheid en omwille van economische motieven. Slaghamermerken voor de identificatie van slachtvarkens vallen niet onder deze vrijstellingsregeling.

In de "Regeling identificatie en registratie van dieren" (zoals die thans is geheten en hierna: de Regeling) zijn nadere regels gesteld ten aanzien van de identificatie van, voor zover hier relevant, varkens. Artikel 13 van de Regeling verbiedt de houder van dieren dat hij de door hem gehouden dieren merkt met andere merken dan de merken die hij op de voorgeschreven wijze en voor dat doel heeft verkregen en dat hij andere dieren dan de dieren die hij houdt, merkt. In artikel 15, eerste lid, aanhef, en onder b, van de Regeling, voor zover hier van belang, is bepaald dat varkens worden geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 32 (geboortemerktekens en slachtmerken). Artikel 15, tweede lid, van de Regeling bepaalt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, dat uit andere lidstaten afkomstige varkens, overeenkomstig de Richtlijn dienen te zijn geïdentificeerd door middel van de in de betrokken lidstaat aangebrachte identificatiemerkteken als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Richtlijn. Artikel 30, vierde lid, van de Regeling bepaalt dat slachtvarkens, voordat ze van een bedrijf worden afgevoerd naar een slachthuis, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, gemerkt moeten worden met een slachtmerk als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Regeling, te weten met een door de minister toegelaten en nader omschreven slachtmerk. Artikel 33 van de Regeling bepaalt dat in geval van een slachthuis, de houder overeenkomstig een door de rijksdienst goedgekeurd protocol, terstond na aanvoer controleert of de varkens ingevolge artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling zijn geïdentificeerd en geregistreerd. Artikel 39 van de Regeling bepaalt dat het is verboden dieren die niet overeenkomstig deze regeling zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd, te houden, te verhandelen, te vervoeren, aan te voeren of af te voeren.

In de toelichting bij deze Regeling wordt, met verwijzing naar het Besluit, aangegeven dat onder houder van dieren een ieder wordt begrepen die permanent of tijdelijk verantwoordelijk is voor dieren. Onder houder wordt derhalve niet alleen verstaan degene die dieren houdt op een primair bedrijf, maar bijvoorbeeld tevens de eigenaar of exploitant van een slachthuis, een markt of verzamelcentrum. Een vervoerder van dieren is eveneens houder van dieren, aldus de toelichting. Ten aanzien van slachtmerken wordt in de toelichting nog vermeld dat het metalen slachtmerk - in tegenstelling tot het plastic oormerk - niet smelt tijdens de slacht, zodat het mogelijk is om op eenvoudige wijze na de slacht de herkomst van het vlees te bepalen. Ook wordt aangegeven dat deze informatie door de slachterij wordt gebruikt om aan de aanbieder gewicht en prijs door te kunnen geven. Tenslotte wordt in de toelichting gewezen op de hiervoor al genoemde ontheffingsmogelijkheid van artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

De politierechter concludeert op grond van het bovenstaande dat op Nederlandse houders van varkens de ondubbelzinnige plicht rust om slachtvarkens, ongeacht of ze worden afgevoerd naar een slachthuis in een andere lidstaat, te voorzien van een voorgeschreven slachtoormerk en dat het in Nederland aanbrengen van een slaghamermerk ter identificatie, zonder ontheffing, is verboden.

De politierechter stelt vast dat verdachte geen ontheffing op grond van artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bij de minister heeft aangevraagd. De vertegenwoordiger van verdachte heeft daarover aangegeven dat hem door de toezichthouders van Algemene Inspectie Dienst (hierna: AID) te verstaan is gegeven dat een ontheffing niet verleend zal worden. Dit blijkt ook uit de brief van het ministerie van LNV van 29 september 2006, onder punt 6.

Voor slachtvarkens die in Nederland worden aangevoerd vanuit een andere lidstaat, geldt het verplicht voorgeschreven Nederlandse slachtmerk niet.

Ten aanzien van Nederlandse varkens die naar Duitse slachthuizen worden afgevoerd, is in Duitsland de "Verordnung zum Schutz gegen die Verschleppung von Tierseuchen im Viehverkehr" van toepassing (zie brief van ministerie van LNV van 26 september 2006, onder punt 1). In genoemde verordening is ten aanzien van Duitse slachtvarkens bepaald dat ze enkel afgegeven mogen worden aan een slachthuis als ze zijn gemerkt met geboorteoormerken (paragraaf 10, artikel 19a juncto de artikelen 19b en 19d van bedoelde verordening) dan wel (in nader omschreven gevallen), dat ze anderszins zijn geïdentificeerd, maar zodanig dat de herkomst ook na het slachten nog eenduidig is vast te stellen. Dit laatste is nader bepaald in de "Fleischhygiëne-Verordnung", waarnaar de eerst genoemde verordening verwijst. Overigens is niet vast komen te staan of er op deelstaatniveau nog aanvullende regelgeving geldt ten aanzien van het merken van slachtvarkens (het gestelde in punt 2 van het schrijven van het ministerie van LNV van 26 september 2006 geeft daarover geen uitsluitsel). Vast staat dat Duitse slachtvarkens worden geslaghamerd en dat dit in Duitsland een toegestane ingreep is. Niet is komen vast te staan in hoeverre in het geval dat gebruik wordt gemaakt van een slaghamermerk nadere regelgeving geldt ten aanzien van het slaghamer-nummer, teneinde te waarborgen dat het slachtvarken eenduidig te herleiden is tot het bedrijf van herkomst. Dat laatste is immers in elk geval een vereiste van de Duitse nationale wetgever en, gezien het in de Richtlijn overwogene, ook uitgangspunt van de Richtlijn.

Ten aanzien van varkens uit andere lidstaten dan Duitsland, waaronder Nederland, is in artikel 19b, vijfde lid van de "Verordnung zum Schutz gegen die Verschleppung von Tierseuchen im Viehverkehr" het volgende bepaald: " Bei Schweine, die aus einem anderen Mitgliedstaat verbracht werden, steht deren Kennzeichnung nach dem Rechts des anderen Mitgliedstaates der Kennzeichnung nach Absatz 1, auch in Verbindung mit Absatz 4, gleich."

Dit betekent dat de Duitse wetgever ten aanzien van slachtvarkens uit Nederland, die overeenkomstig de Nederlandse wetgeving zijn gemerkt, geen aanvullende eisen stelt, dus ook geen slaghamermerk voorschrijft. Verdachte heeft aangegeven dat desondanks door Duitse slachthuizen slaghamermerken worden geëist alvorens slachtvarkens worden geaccepteerd, hetgeen door de Officier van Justitie niet wordt betwist. Het schrijven van het ministerie van LNV van 26 september 2006 bevestigt dat slachterijen een slaghamermerk als "harde eis" stellen bij het aanleveren van varkens. Uit het verslag van het overleg van 1 juni 2006 van de Minister van LNV met de vaste commissie voor LNV, zoals dat ter zitting aan de orde is gesteld, blijkt dat de minister het probleem kent. De minister stelt aldaar "De Duitse slachterijen moeten gewoonweg het Nederlandse I&R-systeem aanvaarden. Deze plicht is neergelegd in het Europese recht. De Landbouwraad van LNV in Berlijn zal het ministerie in Duitsland en de slachterijen wijzen op het feitelijke misverstand dat zij een extra slagmerk mogen verlangen. Het mag niet als weigeringsgrond voor Nederlandse varkens gelden. De minister heeft overigens geen grip op de extra slag die vaak plaatsvindt als de dieren eenmaal in Duitsland zijn aangekomen." (Kamerstuk, 2005-2006, 28 286, nr. 33, Tweede Kamer). Door de vertegenwoordiger van verdachte is aangegeven dat ondanks de toezegging van de minister, de praktijk bij de Duitse slachthuizen al jaren en nog steeds hetzelfde is.

De politierechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande, verdachte kan worden tegengeworpen dat hij geen ontheffing op grond van artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren heeft aangevraagd bij de minister.

Daarom wordt het beroep op overmacht verworpen.

Immers, ondanks het standpunt als verwoord in de brief van het ministerie van 26 september 2006, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat, totdat de uitvoeringspraktijk in Duitsland is veranderd, een ontheffing voor een ingreep in de vorm van een slaghamermerk, al dan niet als alternatief voor het slachtmerk, en al dan niet onder voorwaarden, na kennisneming van alle relevante feiten, door de minister zal worden verleend. Daarbij neemt de politierechter de omstandigheid in aanmerking dat in de praktijk de Duitse slachthuizen ten tijde in geding en, ondanks inspanningen van de minister ten spijt, blijkbaar nog steeds onveranderd een slaghamermerk als harde eis stellen voor de acceptatie van Nederlandse slachtvarkens. Ook neemt de politierechter de omstandigheid in aanmerking dat het evenzeer in het belang van de Nederlandse overheid lijkt te zijn dat varkens na de slacht in Duitsland nog eenvoudig en eenduidig op herkomst zijn te traceren in het kader van de voedselveiligheid en in verband met dierziekten. Immers, om die reden is in Nederland een blikken slachtoormerk voorgeschreven, terwijl dit Nederlands slachtmerk door de Duitse slachthuizen niet voor dit doel wordt benut. Het huidige (illegale) systeem van slaghameren van Nederlandse slachtvarkens, of dat nu in Nederland of in Duitland geschiedt, - ongecontroleerd en met willekeurige nummers - biedt daarvoor geen waarborg en verdraagt zich ook niet met het bepaalde in de Richtlijn. Verder neemt de politierechter in aanmerking dat bij het aanbrengen van een slaghamermerk op een varken het belang van het dierenwelzijn - gehoord ook de deskundige op zitting - relatief lijkt (geringe ingreep), terwijl het aannemelijk is geworden dat het dierenwelzijn in elk geval niet gediend is met het slaghameren in Duitsland, gezien de omstandigheden waaronder dat moet gebeuren. Tenslotte neemt de politierechter in aanmerking dat in het verleden ook argumenten van praktische uitvoerbaarheid en economische motieven de minister hebben bewogen tot het verlenen van vrijstelling, getuige de hiervoor genoemde "Vrijstellingsregeling ingrepen". Immers de eis van de Duitse slachthuizen brengt verdachte in een onmogelijke positie.

Bovenstaande omstandigheden leiden er wel toe, dat het bewezen verklaarde aan verdachte slechts in verminderde mate kan worden verweten. Daarbij neemt de politierechter nog in aanmerking dat naar haar oordeel in redelijkheid niet kan worden verwacht dat een individuele veehandelaar de Duitse slachthuizen kan bewegen tot een ander beleid of kan afdwingen dat in zijn geval de slachtvarkens zonder slaghamermerk worden geaccepteerd.

Gelet hierop zal de rechter bepalen dat verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

9. 2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven en overtredingen:

T.a.v. feit 1:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 41, derde lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (overtredingen).

T.a.v. feit 2:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon (misdrijf).

T.a.v. feit 3:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon (misdrijf).

T.a.v. feit 4:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 41, derde lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon (overtreding).

De misdrijven sub 2 en 3 zijn telkens strafbaar gesteld bij artikel 6 juncto artikel 1, aanhef onder 2e van de Wet op de economische delicten.

De overtredingen sub 1 en 4 zijn telkens strafbaar gesteld bij artikel 6 juncto artikel 1, aanhef onder 4e van de Wet op de economische delicten.

10. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft, waarbij verder wordt verwezen naar het onder 9.1 overwogene.

11. De straffen en/of maatregelen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 april 2007 met betrekking tot de op te leggen straffen gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

- een geldboete van EUR 250,-- voor feit 1;

- een geldboete van EUR1.550,-- voor de feiten 2 en 3;

- een geldboete van EUR 500,-- voor feit 4.

Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop en de bestuursrechtelijke maatregel ten aanzien van feit 2.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd al EUR 6.700,-- schade te hebben geleden en verzocht om ten aanzien van feit 2 geen geldboete op te willen leggen.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen is de politierechter van oordeel dat verdachte dient te worden schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

12. Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a, 51, 63, 91.

Wet op de economische delicten art. 1, 2.

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren art. 10, 41.

Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 art. 12 (oud).

BESLISSING

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

verklaart verdachte voor alle bewezen verklaarde feiten schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Vonnis gewezen door de economische politierechter mr. C.M.W. Nobis, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechter voornoemd op 26 april 2007.