Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA2101

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
AWB 05/1634
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is genothebbende en gebruiker van een zogenoemde Marina, een drijvend woonhuis. Aan de orde is de vraag of deze Marina als roerend of onroerend aangemerkt dient te worden.

Onroerende zaak, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/539
FutD 2007-0688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procedurenummer : AWB 05/1634

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats] (Duitsland), eiser,

gemachtigde [gemachtigde eiser],

tegen : de Heffingsambtenaar van de gemeente Roermond,

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2005 krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de door verweerder als onroerend aangemerkte zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (hierna: de Marina), per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op € 145.000,=.

Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar ingediend bij schrijven van 22 augustus 2005.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2005 de waarde gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op

18 oktober 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2006 te Roermond. Eiser is niet in persoon verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde en mr. [...]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer [gemachtigde verweerder]. Aan de zijde van verweerder is als taxateur verschenen de heer [taxateur].

2. Feiten

Eiser is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een zogenoemde Marina. De Marina is gelegen op het vakantiepark “Marina Oolderhuuske”. Een Marina is een drijvende woning, die bestaat uit een houten opbouw, welke is geplaatst op een betonnen caisson. De Marina is door middel van verschuifbare ringen verbonden aan twee in de grond verankerde stabilisatiepalen die het mogelijk maken om omhoog of omlaag te bewegen. De Marina heeft een aanlegsteiger en is met een flexibel leidingensysteem aangesloten op het rioleringstelsel, waterleiding, telefoon, elektriciteit- en gasnet. De inhoud van Marina bedraagt ongeveer 415m³ en het object heeft een totale oppervlakte van ongeveer 325m².

3. Geschil

In geschil is of de Marina als een onroerende zaak moet worden aangemerkt die in de heffing van de Wet WOZ kan worden betrokken. Ook bestaat tussen partijen verschil van mening of het vertrouwensbeginsel is geschonden door de Marina thans, in afwijking van het standpunt dat verweerder dienaangaande in eerdere jaren en in eerdere procedures heeft ingenomen, als een onroerende zaak aan te merken. Tenslotte dient de rechtbank te beoordelen of het gelijkheidsbeginsel is geschonden nu in beroep is gesteld dat vergelijkbare gevallen anders worden behandeld door verweerder.

4. Beoordeling van het geschil

De rechtbank overweegt allereerst dat de door verweerder vastgestelde waarde per peildatum 1 januari 2003 voor de Marina ad € 145.000,= in beroep niet als zodanig is bestreden.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door de Marina van eiser thans te betrekken in de heffing van de Wet WOZ, omdat verweerder de Marina thans, anders dan voorheen, als een roerende zaak beschouwt. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag komt de rechtbank immers aan de overige vragen niet meer toe.

Namens eiser is in dit verband naar voren gebracht dat verweerder in de in beroep overgelegde uitspraak op bezwaar van 17 december 1999 tegen de WOZ-beschikking 1997-2000 bewust en expliciet als zijn standpunt heeft bepaald dat de Marina’s roerend zijn nadat eerder een drijvende Marina door verweerder als onroerende zaak was aangemerkt. Ook het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch is in een uitspraak van 8 april 2005, kenmerk 01/00754, in een zaak aangaande een Marina uitgegaan van het roerende karakter daarvan.

Aan deze meerjarige gedragslijn kan volgens eiser het rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat de Marina niet in de heffing van de onroerendezaaksbelasting zou worden betrokken. Dat de Marina thans als een onroerende zaak wordt aangemerkt, is verweerder eerst en slechts impliciet kenbaar gemaakt in de aanslag onroerendezaaks-belasting met dagtekening 31 juli 2005. Daarbij is van belang dat de aan het zogenoemde Portacabin-arrest (HR 31 oktober 1997, NJ 1998/97) ontleende criteria, die verweerder nu aanwendt ter onderbouwing van het standpunt dat de Marina een onroerende zaak is, al bekend waren voordat verweerder in voornoemde uitspraak op bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 1997-2000 heeft bepaald dat de Marina een roerende zaak is.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het object [adres] een samenstel is in de zin van artikel 16, onder d, van de Wet WOZ. Het samenstel omvat ongebouwde eigendommen (grond) en gebouwde eigendommen (aanlegplaats, stabilisatiepalen en de Marina). Met uitzondering van de Marina is het onderhavige object sinds de plaatsing aangemerkt als een onroerende zaak en als zodanig in de heffing van de Wet WOZ betrokken. Het betrekken van de Marina vanaf 2005 in de waarde is een rechtstreeks gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002 (BNB 2002/374) inzake de drijvende steigers.

Het belastingjaar 2005 is gekozen vanwege het samenvallen met de ingang van het nieuwe heffingstijdvak in het kader van de Wet WOZ. Verweerder acht het niet strijdig met het vertrouwensbeginsel om de waardebepaling en waardevaststelling per het tijdvak 2005-2007 in overeenstemming te brengen met de dan geldende jurisprudentie.

De rechtbank overweegt dat verweerder ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 20 september 2002 (BNB 2002/374), de Marina van eiser als onroerend heeft kunnen beschouwen. Dat verweerder hiermee een nieuw standpunt heeft ingenomen, levert naar het oordeel van de rechtbank als zodanig geen schending van het vertrouwensbeginsel op. Daartoe acht de rechtbank van belang dat een bestuursorgaan de bevoegdheid niet kan worden ontzegd een onjuist gebleken standpunt te herstellen dan wel een eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank overweegt dat hoewel verweerder de Marina van eiser een aantal jaren als roerende zaak heeft aangemerkt dit op zich zelf bezien niet een standpuntbepaling is, waarvan verweerder bij nieuwe inzichten of veranderde jurisprudentiële ontwikkelingen niet meer zou kunnen en mogen afwijken. Bij dit oordeel heeft de rechtbank verder betrokken dat, blijkens de eerdere procedures, de (gemeentelijke) belastingplicht in verband met het bezit en het gebruik van een Marina reeds geruime tijd onderwerp van discussie vormt. Aan het vorenstaande doet naar dezerzijds oordeel verder niet af dat een wijziging van dat standpunt, al dan niet vanwege gewijzigde jurisprudentie, mogelijk ook eerder zou hebben gekund. Niet gezegd kan verder worden dat eiser niet in de gelegenheid is geweest zich over dit gewijzigde standpunt nader uit te laten en/of feiten en omstandigheden aan te voeren waarom in zijn concrete geval wel sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank acht in het kader van het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel overigens niet van belang dat het Gerechtshof in de voornoemde uitspraak van 8 april 2005 is uitgegaan van het roerende karakter van de zaak nu in de procedure die tot die uitspraak heeft geleid tussen partijen niet in geschil was dat de Marina als roerende zaak werd aangemerkt. Een geschil over de vraag of de Marina als roerend dan wel onroerend moest worden aangemerkt lag derhalve aan het Gerechtshof niet voor.

Vervolgens wordt als volgt overwogen.

In artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.

Artikel 3:4 van het BW bepaalt dat al hetgeen volgens verkeersopvattingen onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak is en dat een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één der zaken, bestanddeel wordt van de hoofdzaak.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 oktober 1997 (NJ 1998/97) het volgende overwogen:

a) Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van artikel 3:3 van het BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven (…). Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen (…).

b) Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet, (…), worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.

c) Zoals tot uiting komt in de hiervoor onder b) vermelde passage uit de MvA II, dient de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.

d) De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van artikel 3:4 van het BW – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijft bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als ‘duurzaam’, onderscheidenlijk ‘verenigd’ en in verband daarmee als ‘bestemming’ en als ‘naar buiten kenbaar’ heeft te gelden.

De rechtbank overweegt met inachtneming van bovenstaande criteria dat de Marina gelet op zijn aard, inrichting en maatschappelijke functie bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Onbestreden is gebleven dat de Marina’s in een periode van tien jaar slechts incidenteel zijn verplaatst. In zijn verweerschrift heeft verweerder in dit verband gesteld dat enkel ten tijde van de eerste plaatsing, die in 1995 is geweest, enkele van de Marina’s zijn verplaatst, maar nadien niet meer. De stelling van eiser dat de Marina naar haar aard bestemd is om verplaatsbaar te zijn, kan dan ook niet worden gevolgd. Evenmin kan de omstandigheid dat het in technische zin mogelijk is om de Marina te verplaatsen, bijvoorbeeld voor reparaties, aan dit oordeel afdoen. Het feit dat de Marina zich in het water bevindt en vanwege de golfslag permanent beweegt, houdt niet in dat deze naar aard en inrichting als verplaatsbaar dient te worden beschouwd. Tenslotte heeft verweerder verklaard dat de nodige aanpassingen moeten worden verricht indien de Marina’s onderling worden verwisseld. De rechtbank is van oordeel – in tegenstelling tot eiser – dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Marina’s vanwege hun constructieve samenhang niet eenvoudig verplaatst kunnen worden. Dit geldt temeer nu gebleken is dat in de afgelopen elf jaar slechts enkele van de Marina’s incidenteel zijn verplaatst.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat onweersproken is gebleven dat de Marina is aangesloten op de nutsvoorzieningen, er fysieke verbondenheid bestaat van de Marina met de in de grond verankerde stabilisatiepalen, er een noodzakelijke constructieve samenhang bestaat tussen de Marina en de aanlegplaats, stabilisatiepalen en bijbehorende grond en de oppervlakte van het object groter is dan de oppervlakte van de Marina op zichzelf . Uit het voorgaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank eveneens voort dat de bedoeling van de bouwer alsmede de bestemming van de Marina is om duurzaam ter plaatse te blijven. Dat, zoals door de gemachtigde van eiser is aangevoerd, de ringen waarmee de Marina aan de stabilisatiepalen zijn bevestigd eenvoudig gedemonteerd kunnen worden en het flexibele leidingensysteem gemakkelijk kan worden losgekoppeld en eveneens wordt toepast bij luxe jachten, maakt dit niet anders. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om tot een ander standpunt te komen vanwege de stelling van eiser dat de Marina, indien het water tot een hoogte boven de stabilisatiepalen zou stijgen, van die palen zou loskomen. Die stabilisatiepalen hebben volgens het daaromtrent door eiser aangevoerde een hoogte van 5 meter boven Normaal Amsterdams Peil, zodat de bedoelde situatie een situatie is die zich tot op heden niet heeft voorgedaan en slechts bij een zeer hoge – en naar verwacht mag worden – incidentele waterstand zal optreden.

De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2002 (BNB 2002/374), die door partijen in hun respectievelijke standpunten is betrokken, waarin drijvende steigers als onroerend zijn aangemerkt en waarin onder meer is overwogen dat dit drijvende aspect functioneel is in die zin dat het bijdraagt aan het kunnen blijven gebruiken van die steigers waarvoor ze bestemd zijn. Naar dezerzijds oordeel fungeert de drijvende constructie van de Marina’s eveneens als een constructie die het gebruik daarvan in de lijn van de (woon)bestemming mogelijk maakt, niettegenstaande stijgende of dalende waterstanden. Dat deze constructie mogelijk onder extreme omstandigheden niet aan zijn doel zal beantwoorden, doet aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Marina dient te worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van de Wet WOZ.

Tenslotte heeft eiser nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, nu onroerende stacaravans binnen de gemeente niet in de heffing van de Wet WOZ vallen en zodoende sprake is van ongeoorloofd begunstigend beleid.

De rechtbank overweegt dat het niet is toegestaan om de Marina permanent te bewonen. Dit impliceert dat slechts recreatieve bewoning van de Marina mogelijk is. Ter zitting heeft verweerder verklaard – en door de gemachtigde van eiser is onvoldoende weersproken – dat onroerende stacaravans die gelegen zijn op recreatieterreinen eveneens in de heffing van de Wet WOZ worden betrokken. Hieruit vloeit voort dat van een ongeoorloofd begunstigend beleid geen sprake is. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel reeds om die reden niet is geschonden.

5. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Evenmin acht de rechtbank termen aanwezig om te gelasten dat de gemeente Roermond het griffierecht aan eiser moet terugbetalen.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.H. Machiels, in tegenwoordigheid van mr. E.C.A. de Kort als griffier.

Voor eensluidend afschrift;

de wnd.griffier,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 2 april 2007.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201CZ te ’s Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.