Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA2029

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
06 / 1363 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum vrijwillig ontslag, strafontslag na plichtsverzuim, terugbetaling studiekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1363 AW

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Roermond, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 27 juni 2006,

kenmerk: 2006/8591.

Datum van behandeling ter zitting: 4 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder bezwaren van eiser tegen onderscheiden besluiten en handelingen deels niet-ontvankelijk verklaard, op een onderdeel het bezwaar gegrond verklaard en een besluit herroepen en voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder een verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand afgewezen.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 4 januari 2007, waar eiser in persoon is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen en I.M.A.C. Folkers.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is in dienst geweest van verweerders gemeente laatstelijk als [functie] en [toebedeelde taken].

Op 31 januari 2006 heeft hij verzocht om ontslag ingaande 1 mei 2006, of zoveel eerder als nader overeen te komen in verband met het aanvaarden van een andere dienstbetrekking. Diezelfde dag heeft eiser aangegeven ontslag te wensen ingaande 1 maart 2006.

In de ambtelijke voorbereiding van een besluit dienaangaande is de bereidheid uitgesproken de datum te vervroegen naar 1 april 2006. In het gespreksverslag van 7 februari 2006 is opgenomen dat eiser een overdrachtsplan opstelt en dat op grond van dat plan de werkgever beziet of er sprake kan zijn van een ontslagdatum op eerder tijdstip. Eiser heeft vervolgens een overdrachtsplan opgesteld en (andermaal) aangegeven dat zijn taken en werkzaamheden op adequate wijze ruim vóór 1 maart 2006 worden afgehandeld en overgedragen, zodat eiser het redelijk acht dat hem ontslag wordt verleend per 1 maart 2006. Het overdrachtsplan is van de zijde van verweerders gemeente aangevuld met taken die in de maand maart 2006 door eiser moeten worden uitgevoerd.

Bij besluit van 20 februari 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij veertien dagen voor zijn ontslagdatum de door hem ontvangen studiekosten vergoeding ten bedrage van € 7.919,92 dient terug te betalen en dat daarvoor geen betalingsregeling kan worden getroffen.

Bij besluit van eveneens 20 februari 2006, verzonden 21 februari 2006, heeft verweerder eiser ingaande 1 april 2006, onder bij dat besluit opgenomen voorwaarden met betrekking tot werkzaamheden die in de maand maart 2006 uitgevoerd dienen te worden, eervol ontslag verleend.

Bij brieven van 21 en 24 februari 2006 heeft eiser inhoudelijk op genoemde voorwaarden bij het besluit van 20 februari 2006 gereageerd, kort gezegd inhoudende dat eiser van mening is dat de genoemde werkzaamheden zijn afgerond voor 1 maart 2006. Eiser heeft voorts aangegeven in redelijkheid ervan uit te gaan dat verweerder instemt met de beëindiging van zijn dienstverband per 1 maart 2006, waarbij vrijdag 24 februari 2006 zijn laatste werkdag zal zijn.

Bij brief van 3 maart 2006 is aan eiser meegedeeld dat is geconstateerd dat eiser vanaf 1 maart 2006 ongeoorloofd afwezig is. Bij brief van 14 maart 2006 heeft verweerder eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om het per 1 april 2006 te verlenen eervol ontslag in te trekken en te wijzigen in ontslag bij wijze van disciplinaire straf op grond van ernstig plichtverzuim. Het voornemen behelst voorts een schorsing met onmiddellijke ingang en een ontzegging van de toegang tot de kantoren van de gemeente Roermond. Verweerder heeft eiser daarbij de gelegenheid geboden mondeling van zijn zienswijze te doen blijken op 22 maart 2006 om 11.00 uur ten kantore van de gemeentesecretaris.

Eiser heeft aangegeven niet in de gelegenheid te zijn om binnen de gestelde termijn te reageren. Verweerder heeft bij faxbericht van 21 maart 2006 in reactie daarop gesteld geen reden te zien af te wijken van de gestelde termijn en te constateren dat eiser nevenwerkzaamheden verricht terwijl hij nog in dienst is bij verweerder.

Bij brief van 21 maart 2006, aangevuld bij brieven van 12 en 19 april 2006, heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen:

1) het besluit van 20 februari 2006 tot afwijzing van een betalingsregeling voor de studiekosten;

2) het besluit van 20 februari 2006 tot verlenen van eervol ontslag per 1 april 2006

3) de brief van 3 maart 2006 tot vaststelling van ongeoorloofde afwezigheid;

4) het voornemen van 14 maart 2006 tot opleggen van disciplinaire strafontslag, waarin tevens opgenomen het besluit tot schorsing en ontzegging van de toegang;

5) het faxbericht van 21 maart 2006 inhoudende afwijzing van het verzoek om uitstel om een zienswijze in te dienen en ten aanzien van de in die brief opgenomen kwalificatie van nevenwerkzaamheden.

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat overeenkomstig het voornemen van 14 maart 2006, het ontslagbesluit van 20 februari 2006 wordt ingetrokken en aan eiser ingaande 1 april 2006 de disciplinaire straf van ontslag wordt opgelegd.

Op 22 mei 2006 heeft eiser ook tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend (6).

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de brief genoemd onder 3) niet-ontvankelijk verklaard omdat die brief niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb nu die niet is gericht op (zelfstandig) rechtsgevolg.

Verweerder heeft het bezwaar tegen de brief onder 5) niet-ontvankelijk verklaard omdat die brief strekt tot voorbereiding van een nog te nemen besluit, zodat eiser daardoor niet rechtstreeks is getroffen in zijn belang.

Het bezwaar tegen het onder 4) genoemde voornemen heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat bij een voornemen nog geen sprake is van een definitief besluit gericht op rechtsgevolg. Voor zover er bij de brief van 14 maart 2006 sprake is van een besluit met betrekking tot het ontzeggen van de toegang, heeft verweerder bij het bestreden besluit dat onderdeel herroepen vanuit overwegingen van doelmatigheid nu eiser in verband met het aanvaarden van een andere betrekking zich kennelijk niet langer beschikbaar wenste te houden om zijn werkzaamheden in dienst van de gemeente Roermond uit te oefenen. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zelf de keuze heeft gemaakt bij die andere werkgever in dienst te treden, in de wetenschap de studieschuld volledig en ineens te moeten terugbetalen, en dat er thans geen bijzondere omstandigheden zijn om daarvoor alsnog een betaling in termijnen toe te staan, terwijl eiser daarvoor ook een geldlening kan afsluiten.

Met betrekking tot de in het –weliswaar ingetrokken- besluit van 20 februari 2006 opgenomen datum waartegen eiser ontslag is verleend, 1 april 2006, heeft verweerder zich op het strandpunt gesteld dat er goede gronden waren om een termijn van twee maanden te stellen voor het afronden van de lopende werkzaamheden en het overdragen aan collega’s. In zoverre heeft het klemmende belang aan de zijde van eiser om bij die andere werkgever in dienst te treden niet opgewogen tegen het dienstbelang.

Voor zover eiser als ordemaatregel met onmiddellijke ingang is geschorst bij besluit van 14 maart 2006, heeft verweerder de daartegen aangevoerde bezwaren ongegrond verklaard nu de rechtvaardiging daarvoor te vinden is in de verdenking van een ernstig plichtsverzuim:ongeoorloofde afwezigheid. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een ernstig plichtsverzuim dat disciplinair strafontslag rechtvaardigde.

Tot slot heeft verweerder het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand afgewezen.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder zich ter hoorzitting onbevoegd heeft doen vertegenwoordigen.

Voorts is aangevoerd dat door verweerder is miskend dat er op 7 februari 2006 een afspraak is gemaakt ten aanzien van de ontslagdatum en dat er geen zwaarwegende omstandigheden aanwezig waren die een langere opzegtermijn dan een maand rechtvaardigen.

Verder heeft eiser gesteld dat verweerder vormvoorschriften, wettelijke termijnen, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het verbod van reformatio in peius heeft geschonden. Eiser heeft verzocht om gegrondverklaring van het beroep en veroordeling van verweerder tot vergoeding van kosten en schaden.

Verweerder heeft op 23 oktober 2006, door de rechtbank ontvangen op 24 oktober 2006, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 november 2006 heeft eiser de rechtbank verzocht het verweer, nu dit een dag te laat is ingediend, niet-ontvankelijk te verklaren, behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten en het beroep gegrond te verklaren nu het gestelde in beroep onweersproken is.

De rechtbank heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven en de behandeling van het beroep ter zitting van 4 januari 2007 heeft dan ook doorgang gevonden.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

In de systematiek van de Awb of in de jurisprudentie is geen enkele grondslag te vinden om het van de zijde van verweerder ingezonden verweerschrift niet-ontvankelijk te verklaren en daaraan de gevolgen te verbinden die eiser daaraan kennelijk verbonden wenst te zien. Niet gesteld kan worden dat ten aanzien van het één dag na de door de rechtbank gestelde termijn van orde ingekomen –niet verplichte- verweerschrift dusdanig laat in de procedure is ingebracht dat daardoor eiser geschaad is in zijn procedurele belangen. Bovendien is er geen sprake van het noemen van nieuwe feiten of omstandigheden in het verweerschrift dat eiser zich daardoor overvallen heeft kunnen voelen en geen mogelijkheid zou hebben gehad zich dienaangaande te verweren. Die grief slaagt dan ook niet.

Voor zover verweerder de bezwaren van eiser ten aanzien van hiervoor benoemde onderdelen niet-ontvankelijk heeft verklaard, onderschrijft de rechtbank die beoordeling. Eisers beroep is in zoverre ongegrond.

Voor zover eiser grieven heeft aangevoerd tegen de ongegrond verklaring van zijn bezwaren tegen het ontslagbesluit van 20 februari 2006, verweegt de rechtbank als volgt.

De vaststelling van de datum met ingang waarvan aan eiser aanvankelijk op zijn verzoek ontslag is verleend, 1 april 2006, is naar het oordeel van de rechtbank op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen en uitgebreid gemotiveerd in de stukken. Verweerder heeft daarbij op een inzichtelijke en eenduidige wijze de belangen van de dienst en van eiser afgewogen. Tegen de achtergrond van het karakter van de bestuursrechtelijke besluitvorming is het immers niet aan de ambtenaar om zijn datum van ontslag te bepalen, maar aan het bestuursorgaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van meet af aan voldoende duidelijk kenbaar gemaakt dat en op welke gronden er bezwaren hebben bestaan om de aanstelling van eiser ingaande 1 maart 2006 te beëindigen. Dat eiser daarop een andere visie heeft gehad, heeft verweerder niet tot een andere invulling van zijn bevoegdheid hoeven te leiden. Eisers beroep is in zoverre ongegrond.

Ook bij de ongegrondverklaring van de bezwaren gericht tegen het besluit van 20 februari 2006 met betrekking tot de wijze waarop de genoten studiekosten (in één keer) moeten worden terugbetaald, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd gehandeld met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank merkt nog op dat eiser bij brief van 24 februari 2006 aanvankelijk aan verweerder heeft doen weten het bedrag van de studiekostenvergoeding te zullen voldoen, waaruit volgt dat eiser zich aanvankelijk heeft neergelegd bij het besluit tot afwijzing van een betalingsregeling. De naderhand door eiser aangevoerde financiële problemen zijn door verweerder onvoldoende zwaarwegend geoordeeld om alsnog aan het verzoek tegemoet te komen. De rechtbank onderschrijft verweerders visie en eisers beroep is ook ten aanzien van dat onderdeel ongegrond.

Voor zover eisers bezwaren tegen het strafontslag ongegrond zijn verklaard overweegt de rechtbank als volgt.

In dat kader dient de vraag te worden beantwoord of de aan eiser verweten gedraging daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en zo ja, of deze gedragingen kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim. Indien dit laatste het geval is, dient vervolgens te worden bezien of eiser ter zake dit plichtsverzuim enig verwijt treft en of het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend, dan wel of eiser een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond. Indien het antwoord op deze vragen bevestigend luidt, bestond voor verweerder de bevoegdheid tot het opleggen van een disciplinaire straf en komt aan de orde de vraag of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Tot slot dient te worden beoordeeld of er tussen de zwaarte van de opgelegde straf en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim geen onevenredigheid bestaat.

Aan eiser was ontslag verleend ingaande 1 april 2006. Het besluit van 20 februari 2006 was in werking getreden, er was op 1 maart 2006 nog geen bezwaarschrift tegen ingediend en eiser heeft niet bij wijze van voorlopige voorziening verzocht de werking van het besluit van 20 februari 2006 te schorsen en te bepalen dat aan hem ontslag ingaande 1 maart 2006 diende te worden verleend.

Nu het besluit van 20 februari 2006 in werking was getreden en niet was geschorst behoorde eiser te weten dat op hem ook na 1 maart 2006 nog steeds de verplichtingen rustten behorend bij zijn ambtelijke aanstelling. Niet gesteld of gebleken is dat eiser op en na 3 maart 2006 zijn werkzaamheden bij de gemeente Roermond heeft verricht. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit als plichtsverzuim is aan te merken.

Ook het standpunt dat eiser hiervan uitdrukkelijk een verwijt is te maken en dat hem dit volledig dient te worden toegerekend, onderschrijft de rechtbank. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een disciplinaire straf. Al hetgeen van de zijde van eiser is aangevoerd ten spijt is de rechtbank van oordeel dat verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die de rechterlijke toets doorstaat. De rechtbank acht voorts het opleggen van een straf als ontslag gezien de feiten en omstandigheden van het geval niet onredelijk en is van oordeel dat deze sanctie in verhouding staat tot het gepleegde verzuim.

De rechtbank is ook voor het overige niet gebleken van strijd met vormvoorschriften, wettelijke termijnen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten aanzien van het bestreden besluit en verwijst daarvoor naar de ter zake uitgebreid gemotiveerde pleitnota. Anders dan eiser meent is bij het intrekken van het ontslagbesluit van 20 februari 2006 als gevolg van het vastgestelde plichtsverzuim en uit dien hoofde op te leggen maatregelen geen sprake van reformatio in peius.

Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard. Daaruit volgt dat er geen grond is het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade en kosten toe te wijzen. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh op: 20 maart 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 20 maart 2007

rv

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.