Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA0978

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
06 / 1913 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2006 inzake toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1913 BESLU K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen : De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 26 oktober 2006,

kenmerk: AI/JZ/2006/35008/BOB.

Datum van behandeling ter zitting: 31 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2006 inzake toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 31 januari 2007, waar eiser is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.P.A. Fikken.

II. OVERWEGINGEN

Op 5 september 2005 is door inspecteurs van de Arbeidsinspectie een onderzoek verricht in het pand van eiser, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], waarbij is geconstateerd dat twee personen met de Tsjechische nationaliteit schoonmaak- en opruimwerkzaamheden verrichtten, terwijl voor beide personen geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Hiervan is een boeterapport opgemaakt op 31 oktober 2005.

Bij kennisgeving van 9 januari 2006 heeft verweerder zijn voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav juncto artikel 18 van die wet een bestuurlijke boete op te leggen. Van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen heeft eiser bij brief van 11 januari 2006 gebruik gemaakt.

Verweerder heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om anders te besluiten dan in het voornemen kenbaar gemaakt en heeft vervolgens bij besluit van 23 maart 2006 op grond van artikel 19 a, eerste lid, Wav aan eiser een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav. De boete heeft verweerder vastgesteld op 0.5 maal € 8000,- per overtreding, hetgeen neerkomt op een totaal bedrag van € 8000,-. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om af te zien van het opleggen van de boete of om deze te matigen.

Tegen het besluit van 23 maart 2006 heeft eiser bij schrijven van 18 april 2006 bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat hij zich er niet bewust van is geweest dat hij een overtreding beging. Eiser heeft verweerder, mede gelet op zijn financiële situatie, verzocht het boetebedrag te verlagen.

In de beslissing op bezwaar heeft verweerder zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. In beroep heeft eiser zich beroepen op de argumenten die hij in bezwaar heeft aangevoerd.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of de bestreden besluiten in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Artikel 1, eerste lid, onder b, sub 2, Wav bepaalt dat als werkgever wordt aangemerkt de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijk of persoonlijke diensten laat verrichten.

Artikel 18 Wav bepaalt dat als beboetbaar feit wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 Wav.

Artikel 2, eerste lid, Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Artikel 19a, eerste lid, Wav bepaalt dat een daartoe door onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

In de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen, gepubliceerd in de Staatscourant nr. 232 van 29 november 2005, is in beleidsregel 1 bepaald dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt worden gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

Verder is bepaald dat voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag wordt gehanteerd. In de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav gesteld op € 8.000,-.

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is en als vaststaand feit kan worden aangemerkt dat eiser twee arbeidskrachten met de Tsjechische nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden heeft laten verrichten. Nu eiser dient te worden aangemerkt als degene die de betrokken personen feitelijk arbeid heeft laten verrichten, is hij op grond van artikel 1, eerste lid, onder b, sub 2, juncto artikel 2, eerste lid, Wav als vergunningplichtig werkgever te beschouwen en is hij verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Gelet hierop heeft verweerder dan ook terecht vastgesteld dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 2, eerste lid, Wav, hetgeen ingevolge artikel 18 Wav als een beboetbaar feit wordt aangemerkt.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat verweerder bij het opleggen van een bestuurlijke boete ingevolge artikel 19a, eerste lid, Wav een discretionaire bevoegdheid toekomt. De rechtbank toetst daarom op basis van de aangevoerde gronden of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het opleggen van een bestuurlijke boete als de onderhavige is aan te merken als een punitieve sanctie. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden brengt mee dat de rechtbank vol dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser de overtreding mogen toerekenen. Dat eiser er niet van op de hoogte was dat het hem op grond van de Wav verboden is door personen met de Tsjechische nationaliteit arbeid te laten verrichten zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning, komt voor risico van eiser. Bij gebreke van kennis op dit punt, had het op de weg van eiser gelegen om zich daaromtrent vooraf te informeren.

Ten aanzien van de hoogte de opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft de voorschriften ter bestrijding van illegale tewerkstelling van personen overschreden. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29 523, nr. 3, p. 1) zijn die voorschriften gegeven ter bestrijding van:

1. verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte op de arbeidsmarkt;

2. overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdelingen en

3. concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad.

Gelet op de hiervoor geformuleerde doelstellingen en uit oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingbeleid, waarbij de Tweede Kamer unaniem heeft aangegeven dat zij de boetehoogte op de bedragen conform de hierboven genoemde Tarieflijst wilde vaststellen (Kamerstukken Eerste Kamer 2004-2005, 25 523,C, pag. 2) acht de rechtbank het conform de genoemde Tarieflijst door verweerder gehanteerde boetenormbedrag voor het beboetbare feit als hier aan de orde, niet onevenredig hoog.

Resteert de vraag of verweerder met gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid (artikel 4:84 van de Awb) van het gebruikelijke en als zodanig niet onredelijk hoge normbedrag had dienen af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser aangevoerde financiële situatie en de in dat kader (mogelijk) uit de opgelegde boete voortvloeiende gevolgen, terecht niet heeft aangemerkt als een zodanige bijzondere omstandigheid dat deze bij het vaststellen van de boetenorm niet voorzienbaar was en aldus niet reeds is meegenomen en meegewogen bij de vaststelling van de beleidsregels en de daarbij behorende Tarieflijst, die - zoals hiervoor reeds overwogen - als zodanig niet in strijd zijn met de redelijkheid. Dat maakt dat er voor verweerder geen afwegingsruimte resteert om alsnog, rekening houdend met eisers financiële situatie, af te zien van de boete dan wel de hoogte daarvan te matigen.

Gelet op het vorengaande dient het beroep voor ongegrond te worden gehouden. Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 23 februari 2007

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.