Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BA0751

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
184154 \ CV EXPL 07-48
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeilijk bewijsbare tijdige verzending van de opzegging van de ziektekostenverzekering tegen 1 maart 2006 leidt toch niet tot verschuldigdheid van de premie nu gedaagde bij andere maatschappij was verzekerd en bovendien geen ziektekosten heeft geclaimd. Maatschappelijke commotie tegen 1 maart 2006 van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

SECTOR KANTON, LOCATIE VENLO

Zaaknr.: 184154 \ CV EXPL 07-48

Uitspraak d.d.: 14 maart 2007

VONNIS

van de kantonrechter te Venlo

in de zaak van:

C.

eiseres,

gemachtigde: dw. M.M.J. Hafkamp (H&P Venlo),

tegen:

S.

gedaagde,

procederende in persoon.

1 Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "C.", heeft gedaagde, hierna te noemen "S. ", gedagvaard en geconcludeerd en gevorderd overeenkomstig de inhoud van het inleidend exploot.

S. heeft daarna, onder het overleggen van acht producties geantwoord.

Ingevolge het tussenvonnis van 24 januari 2007 is op 22 februari 2007 een comparitie van partijen gehouden. Van het behandelde ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

De zaak is tenslotte op vonnis gesteld, waarvan de uitspraak, bij vervroeging, is bepaald op heden.

2 De stellingen van partijen

2.1 de vordering van C.

C. heeft, op de in de dagvaarding vermelde gronden, gevorderd dat S. bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de somma van € 550,26, vermeerderd met de wettelijke rente over € 447,05 vanaf 5 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van S. in de kosten van het geding.

2.2 de grondslag van de vordering

Als grondslag voor haar vordering stelt C. - samengevat en voor zover thans van belang - het navolgende.

S. is met C. een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan betrekking hebbend op de basisverzekering conform artikel 3 van de per 1 januari 2006 geldende Zorgverzekeringswet en de zogenaamde aanvullende verzekering van de geneeskundige verzorging.

C. heeft vóór 1 maart 2006 geen opzegging van S. mogen ontvangen. Alle opzeggingen zijn destijds door C. gescand.

Nu S. niet heeft opgezegd is zij premie verschuldigd aan C., ondanks haar verzekering bij Z. De verzekering bij Z. is onrechtmatig. Het is C. niet bekend of Z. , als tweede verzekeraar, verplicht is premie te restitueren.

S. heeft in 2006 geen aanspraak gemaakt op haar zorgverzekering bij C.. Of C. bereid is alsnog de aanspraken van S. van Z. over te nemen bij een premierestitutie door Z. is mr. G. niet bekend.

C. heeft vanaf 28 april 2006 sommaties aan S. verzonden, waarop zij nooit een bericht van S. heeft mogen ontvangen.

Voor een nadere onderbouwing van de stellingen van C. wordt verwezen naar de dagvaarding en de verklaringen van mr. G. ter terechtzitting, waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn herhaald en ingelast.

2.3 het verweer van S.

S. voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende inhoudt.

S. heeft haar zorgverzekering bij C. op 28 februari 2006, gelijktijdig met de zorgverzekering van haar echtgenoot bij I. schriftelijk opgezegd. Na ontvangst van de tweede acceptgirokaart van C. heeft S. contact gezocht met C.. Een medewerker van C. deelde S. mede dat C. kampte met grote achterstanden in de verwerking van mutaties en dat S. zich geen zorgen hoefde te maken.

S. heeft in augustus 2006 een kopie van beide opzeggingen, die van haarzelf en die van haar partner, ter kennisname aan C. gezonden. Daarbij heeft zij hun nieuwe polisnummer bij Z. doorgegeven.

Ondanks alle contacten heeft S. inmiddels ook weer een polis voor 2007 van C. ontvangen. S. heeft nu niet meer naar C. gereageerd, omdat inmiddels wel vast mag staan dat S. heeft opgezegd.

S. is bereid Z. om premieoverdracht aan C. te verzoeken, indien C. bereid is over 2006 de lasten van Z. over te nemen. S. heeft in 2006 aanspraak gemaakt op haar zorgverzekering, hetgeen blijkt uit het feit dat zij over 2006 geen no-claim heeft mogen terug ontvangen.

Na de telefonische geruststelling door een medewerker van C. en de toezending van de opzeggingsbrieven in augustus heeft S. verder geen actie meer ondernomen en de ontvangen aanmaningen vernietigd.

Voor een nadere onderbouwing van het verweer van S. wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en de verklaringen ter terechtzitting, waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn herhaald en ingelast.

3 Beoordeling van het geschil

Op grond van de over en weer gewisselde gedingstukken en hetgeen partijen bij gelegenheid van opgemelde comparitie hebben verklaard overweegt de kantonrechter het navolgende.

De kantonrechter heeft bij vonnis op grond van art. 87 en 88 Rv een persoonlijke verschijning van partijen gelast tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking. C. is niet ter terechtzitting verschenen. Wel is haar gemachtigde ter zitting aanwezig geweest. De kantonrechter kan aan dat niet-verschijnen de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Voor C. is verklaard dat dit te doen niet gebruikelijk is. De kantonrechter overweegt dat wie procedeert daar nu eenmaal de wettelijk bepaalde lusten en lasten van moet dragen, in dit geval de tocht naar Venlo en een kortstondig verblijf aldaar.

S. was vóór 1 januari 2006 reeds verzekerd bij C.. S. stelt dat zij op 28 februari 2006 een schriftelijke opzegging aan C. heeft verzonden, gelijktijdig met de opzegging van haar echtgenoot bij I. S. overlegt een kopie van de opzeggingen in deze procedure.

Niet valt in te zien waarom S. niet de waarheid omtrent de opzegging bij C. zou spreken. Zij heeft immers bij Z. een nieuwe ziektekostenverzekering afgesloten, waarvoor zij, zo zij ter zitting heeft aangetoond, premie heeft betaald. Ook heeft zij aanspraak gemaakt op de verzekering bij Z. nu zij haar no-claim-korting over 2006 niet retour heeft mogen ontvangen, zo ook ter zitting aangetoond.

De stelling van C. dat de opzegging, zou deze inderdaad bij brief van 28 februari 2006 zijn gedaan, nooit vóór 1 maart 2006 door C. ontvangen had kunnen zijn mag waar zijn. Echter, de kantonrechter is van oordeel dat gelet op alle commotie omtrent het nieuwe zorgstelsel C. niet op 1 à 2 dagen zou moeten letten. Mr. G. kon er ter terechtzitting geen uitsluitsel over geven, maar dat C. veel aanmeldingen/opzeggingen te verwerken heeft gekregen acht de kantonrechter een feit van algemene bekendheid.

De kantonrechter concludeert aan de hand van voorgaande overwegingen dat de verzekeringsovereenkomst tussen partijen als beëindigd moet worden beschouwd. Het verweer treft derhalve doel. De vordering van C. zal derhalve worden afgewezen.

Gelet op de passieve houding van S. in de gehele gang van zaken acht de kantonrechter het geraden S. te veroordelen in een gedeelte van de proceskosten, en wel de explootkosten en het vastrecht. Als erkend, danwel niet weersproken is voldoende komen vast te staan dat C. diverse werkzaamheden heeft (doen) verricht(en) teneinde betaling te verkrijgen. Nu S. hier vrijwel niet op heeft gereageerd heeft C. zich genoodzaakt gezien de onderhavige procedure te entameren. Had S. adequaat gereageerd, was deze procedure wellicht niet nodig geweest.

Voor enige bewijsopdracht acht de kantonrechter geen plaats.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 Beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt S. in de door C. gemaakte explootkosten ad € 88,13 en het door C. betaalde vastrecht ad € 196,00.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 14 maart 2007 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

typ: ksf

coll: