Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:AZ9602

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
04/610031-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610031-06

Uitspraak d.d. : 27 februari 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530

Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2007.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving telastelegging terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 27 februari 2006 in de gemeente Nederweert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,

althans een of meer kogel(s) afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] waardoor deze in het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag toen en aldaar werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van een hoeveelheid geld en/of wat van hun/zijn gading was, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of [slachtoffer 1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 27 februari 2006 in de gemeente Nederweert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, althans een of meer kogel(s) afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] waardoor deze in het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 27 februari 2006 in de gemeente Nederweert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of wat van hun/zijn gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

bewapend met een of meer (honkbal)knuppel(s) en/of een of meer pisto(o)l(en), in elk geval een of meer vuurwapen(s) en/of hun/zijn gezicht(en) bedekt met een (bivak)muts teneinde herkenning te voorkomen, althans te bemoeilijken, de garage van de woning van die [slachtoffer] is binnengedrongen of binnengegaan en/of heeft geroepen of gezegd: "Niks zeggen, liggen", althans woorden van soortgelijke aard en strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld bestond uit het met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] schieten, althans een of meer kogel(s) afvuren in de richting van die [slachtoffer] waardoor deze in het lichaam werd getroffen

en/of

welke bedreiging met geweld bestond uit het dreigend richten van een pistool, in elk geval van een vuurwapen, op die [slachtoffer 1], in elk geval uit het dreigend in de hand(en) houden van een pistool, in elk geval van een vuurwapen, in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1],

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge had;

(artikel 312 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 13 februari 2007 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

7.2 Bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

7.3 Bewijsoverwegingen

De gebeurtenis [adres slachtoffer]

Op 27 februari 2006 vindt kort voor 04.55 uur, in hun woning aan de [adres slachtoffer], een gewapende overval plaats op de slachtoffers [slachtoffer] en [slachtoffer 1]. Uit de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] blijkt dat zij en [slachtoffer] rond dat tijdstip thuis komen van hun werk in discotheek de [naam café] te Weert. Hun Mercedes-Vito bus parkeren zij zoals gebruikelijk aan de zijkant van de garage. Hierna zijn zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer] uit de auto gestapt waarna [slachtoffer 1] via de inmiddels geopende kantelpoort de garage is ingelopen teneinde het alarm uit te schakelen. [slachtoffer] is eveneens de garage ingelopen en is [slachtoffer 1] voorbij gelopen, het halletje in dat toegang geeft tot de trap naar de woning. Ook [slachtoffer 1] loopt vervolgens dit halletje in. Als [slachtoffer 1] vervolgens omkijkt ziet zij drie mensen staan, ze ziet honkbalknuppels en ze ziet nog twee mensen die komen binnenrennen. Enkele van deze personen, volgens [slachtoffer 1] in ieder geval twee, maar wellicht drie, lopen langs haar heen, het halletje in. Een van de personen die nog vóór [slachtoffer 1] staat zegt: “Niks zeggen, liggen”. [slachtoffer 1] wordt door een van de personen onder schot gehouden met een zilverkleurig pistool. Zij hoort [slachtoffer] zeggen “oh wacht maar effe” en enkele seconden later hoort zij enkele schoten die in haar beleving niet hard hebben geklonken.

[slachtoffer 1] staat op dat moment nog steeds oog in oog met de persoon die haar onder schot houdt. Zij ziet vervolgens dat twee van de overvallers een derde overvaller vast hebben en er mee naar buiten lopen. Volgens [slachtoffer 1] hebben deze twee personen de handen vol aan het naar buiten vervoeren van de derde persoon. Volgens [slachtoffer 1] was deze persoon zwaar gewond. De persoon die [slachtoffer 1] gedurende de overval onder schot heeft gehouden loopt als laatste naar buiten. Als de overvallers buiten zijn, maakt [slachtoffer 1] zo snel mogelijk de garagedeuren dicht. Op dat moment hoort zij [slachtoffer] zeggen: “ik ben verlamd”. [slachtoffer] blijkt te zijn geraakt door kogels. [slachtoffer 1] belt vervolgens het noodnummer 112 waar haar melding om 4.55 uur wordt geregistreerd. De ambulance en politie zijn kort na de melding ter plaatse. Ondanks de geboden medische hulp overlijdt [slachtoffer] ter plaatse om 5.17 uur. Door de patholoog H.A. Tromp is op 28 februari 2006 in het Nederlands Forensisch Instituut te den Haag sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. De conclusies van de sectie zijn neergelegd in zijn rapport van 13 september 2006. Hieruit blijkt dat het lichaam van [slachtoffer] één inschot en één doorschot vertoonde waarbij onder andere longen en het ruggenmerg waren geraakt. Gezien de bloeduitstortingen zijn deze letsels bij het leven ontstaan en verklaren het overlijden volledig door verbloeding en weefselschade.

Aankomst verdachte Maxima Medisch Centrum in Veldhoven

Uit de beelden, opgenomen door bewakingscamera’s van het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven blijkt dat op 27 februari 2006 om 5:27:51 verdachte zich meldt bij de ingang van de spoedeisende hulp. Op de beelden is tevens te zien een auto en een man met een bivakmuts. Door de verdediging is betoogd dat deze niet noodzakelijkerwijs te maken hebben met verdachte. Uit de originele videobeelden is de rechtbank evenwel het volgende gebleken. Te zien is rond 5:27 uur dat een auto komt aanrijden nabij de ingang van de spoedeisende hulp. Onmiddellijk nadat de auto tot stilstand is gekomen, verschijnt van de passagierszijde een man met een bivakmuts, die naar de deur van de spoedeisende hulp loopt. Meteen daarna verschijnt verdachte in beeld van de zijde van de bestuurder. Nadat verdachte bij de deur is aangekomen rent de man met de bivakmuts naar de passagierszijde en vrijwel onmiddellijk daarna rijdt de auto (die al die tijd heeft stil gestaan) weg. De rechtbank is van oordeel dat hieruit afdoende blijkt dat verdachte gebracht is door de auto die op de beelden te zien is en dat de man met de bivakmuts bij verdachte hoort.

Blijkens het proces verbaal van 16 maart 2006 werd door het onderzoeksteam een onderzoek ingesteld naar de reisafstand en de reist[adres slachtoffer]s slachtoffer] en het Maxima Medisch Centrum te Veldhoven. Opgemerkt dient te worden dat het onderzoeksteam daarbij niet de meest rechtstreekse route heeft gereden (via de A2 en de A67 via de afslag Veldhoven) doch gereden heeft via de kruising van Bogardeind met de Gijzenrooiseweg te Geldrop. De verschillende routes werden met verschillende snelheden gereden: zo snel mogelijk met overschrijding van alle ter plaatse geldende maximum snelheden, met verhoogde snelheid met overschrijding van alle ter plaatse geldende maximum snelheden en met een snelheid waarbij men zich hield aan de ter plaatse geldende maximum snelheden. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de reistijd van de [adres slachtoffer] naar het Maxima Medisch Centrum te Veldhoven (via Geldrop) minimaal bij een zo hoog mogelijke snelheid 19 minuten en 39 seconden (via A2 en A67) respectievelijk 20 minuten en 59 seconden (via N266 en A67) bedroeg, bij een verhoogde snelheid 21 minuten en 39 seconden respectievelijk 23 minuten en 17 seconden en bij een ter plaatse toegestane snelheid 33 minuten en 39 seconden respectievelijk 35 minuten en 39 seconden.

Op 27 februari 2006 heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] om 4.55 uur de overval op de woning [adres slachtoffer] gemeld zeer kort nadat de overvallers de woning hadden verlaten. Blijkens het proces-verbaal bevindingen van 11 april 2006 was de op de beelden van de bewakingscamera's bij het Maxima Medisch Centrum aangeduide tijd op 27 februari 2006 geverifieerd en week deze enkele seconden af van de atoomtijd. Blijkens deze beelden komt verdachte om 5.27 uur aan bij de ingang van de eerste hulp van het Maxima Medisch Centrum te Veldhoven. Dit is dus 32 minuten na melding van de overval door [slachtoffer 1].

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de afstand tussen de [adres slachtoffer] en het Maxima Ziekenhuis te Veldhoven kan worden afgelegd in 32 minuten en dat het derhalve zeer wel mogelijk is dat verdachte zich om 4.55 in [adres slachtoffer] heeft bevonden.

De kleding

Over de kleding van de overvallers verklaart [slachtoffer 1] dat toen zij zich omdraaide in het halletje, zij zag dat de overvallers allemaal hetzelfde aan hadden. Zij droegen allemaal bivakmutsen en hadden een zwart bomberjack aan. Volgens [slachtoffer 1] waren er geen verschillende jassen. De persoon die [slachtoffer 1] onder schot hield had voorts een zwarte jeansmodel broek aan en donkere schoenen. Alle overvallers droegen volgens haar donkere schoenen.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte niet een van de overvallers kan zijn geweest nu hij bij het betreden van het ziekenhuis in Veldhoven een lichte broek en een gestreepte trui aan had en derhalve in het geheel niet gekleed was zoals de overvallers. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het proces-verbaal zijn op pagina C242 en verder enkele prints opgenomen van de videobeelden zoals die zijn gemaakt door bewakingscamera’s bij het Maxima Ziekenhuis te Veldhoven. Op pagina C245 is een print opgenomen waarop verdachte te zien is in een broek en een gestreepte trui. Op pagina C240 wordt deze broek door verbalisant Koehlen omschreven als een lichte broek. Op de print op pagina C249 is verdachte te zien, terwijl hij met een verpleegster door de gang van het ziekenhuis loopt. Ook nu is zijn kleding goed te zien. Op deze print is de kleur van zijn broek evenwel donker. Uit de originele videobeelden die eveneens deel uitmaken van het dossier is de rechtbank gebleken dat de kleur van de broek op pagina C245 niet daadwerkelijk een lichte kleur is, maar slechts een lichte kleur lijkt door de felle straling van de koplampen die de broek van verdachte op dat moment beschijnen. [slachtoffer 1] heeft ten aanzien van de jassen die de overvallers droegen een zeer nauwkeurige en gedetailleerde verklaring afgelegd. Dat geldt ook ten aanzien van de broek en de schoenen van de overvaller die haar onder schot heeft gehouden. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat zij tijdens de overval vooral op deze persoon geconcentreerd is geweest. Ten aanzien van de kleding van de andere overvallers verklaart zij niet meer dan dat zij “allemaal hetzelfde aan hadden”. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat de overige overvallers allen gekleed waren in donkere, soortgelijke kleding, doch dat zij niet noodzakelijk allemaal een zwarte broek droegen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de broek die verdachte droeg toen hij het ziekenhuis binnen werd gebracht past binnen de omschrijving van de kleding van de overvallers zoals door [slachtoffer 1] weergegeven.

Ten aanzien van de trui die verdachte droeg toen hij aankwam bij het Maxima Ziekenhuis in Veldhoven merkt de rechtbank op dat ook deze trui niet strijdig is met de omschrijving van de kleding van de overvallers zoals door [slachtoffer 1] weergegeven. [slachtoffer 1] heeft ten aan zien van de bovenkleding immers verklaard dat de overvallers allemaal een zwart bomberjack droegen. Er van uitgaande dat ook verdachte een dergelijk jack heeft gedragen heeft hij in de tijd gelegen tussen de overval en de aankomst bij het ziekenhuis ruimschoots de tijd en gelegenheid gehad om zijn jas uit te trekken.

Technisch onderzoek vuurwapens en munitie

Door de opsporingsambtenaren W.M.W. Wever en J. Veenendaal, beiden brigadier van politie Bureau Technische Ondersteuning, regio Limburg-Noord, werd op 27 februari 2006 omstreeks 06.00 uur een technisch onderzoek ingesteld in de woning [adres slachtoffer]. In de hal van het souterrain van de woning werd naast het slachtoffer op de vloer een revolver aangetroffen. De revolver was van het merk Smith & Wesson, kaliber .385 special. Gezien werd dat in de trommel van deze revolver drie hulzen en twee patronen voorzien van loden kogels zaten. De revolver en de patronen/hulzen zijn veiliggesteld, verpakt, gewaarmerkt en in beslag genomen.

Verder hebben de verbalisanten onder meer 2 kogels in de woning aangetroffen, die zij hebben aangeduid als spoornummer PA4 en PA15.

Op 27 februari 2006 heeft de opsporingsambtenaar G.A. Philips, brigadier van politie Bureau Uitvoering Recherchezaken, regio Limburg-Noord, uit handen van A.Bezemer, Divisie Manager Facilitair bedrijf van het Maxima Medisch Centrum ontvangen:

1 kogel in een plastic potje, welke kogel afkomstig was uit het lichaam van [verdachte] met de mededeling dat deze kogel door de behandelend chirurg met behulp van een pincet in het potje was gedaan.

Door de opsporingsambtenaar Wever voornoemd zijn op 2 maart 2006 de revolver, merk Smith & Wesson, cal. .38 S&W spl, voorzien van het spoornummer PA20, alsmede het projectiel uit het lichaam van de verdachte [verdachte] (spoornummer VA1) verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag met de vraag te onderzoeken of de kogel, spoornummer VA1 afkomstig is uit de revolver, spoornummer PA20.

Uit het deskundigenrapport van het NFI d.d. 14 maart 2006 blijkt dat het onderzoek is verricht zoals is omschreven in de bij het rapport gevoegde vakbijlage “vergelijkend kogel- en hulsonderzoek”, versie 4, augustus 2005 van de afdeling Fysische Technologie, onderzoeksgebied Wapens en Munitie.

Gezien de uiterlijke kenmerken is de loden rondkopkogel zeer waarschijnlijk van het kaliber .38 special. De kogel is aan de kop iets beschadigd. In de omtrek van de kogel bevinden zich vijf naar rechts gerichte groeven. De groeven hebben een breedte van ongeveer 2.5 mm. De groeven zijn veroorzaakt door de velden van een loop. Dit duidt er op dat het betreffende vuurwapen is voorzien van een loop met vijf naar rechts draaiende trekken en velden met een veldbreedte van ongeveer 2,5 mm. De revolver (PA20) is voorzien van een dergelijke loop. Het NFI komt op grond van het uitgevoerde wapen- en munitieonderzoek tot de volgende conclusies:

- de revolver (PA20) is bestemd en geschikt voor het verschieten van revolverpatronen kaliber .38 Special;

- de kogel (VA1) is zeer waarschijnlijk van het kaliber .38 Special. Deze is waarschijnlijk afgevuurd uit de loop van de revolver PA20;

Ter terechtzitting d.d. 13 februari 2007 heeft de getuige-deskundige P. Pauw-Vugts van het NFI een verklaring afgelegd en het door haar uitgebracht rapport d.d. 14 maart 2006 nader toegelicht. De getuige-deskundige heeft verklaard dat de door het NFI ontvangen revolver (PA20) niet door het NFI is schoongemaakt dit in verband met een mogelijke verstoring van het sporenbeeld. De bij de onderzoeken te volgen procedures staan een schoonmaak van een vuurwapen ook niet toe. De getuige-deskundige heeft voorts conform de procedurevoorschriften de revolver op wapenspecifieke beschadigingen onderzocht waarbij door haar niets relevants werd geconstateerd. De trekken en velden in een loop zorgen ervoor dat de kogel tijdens de vlucht roteert en stabiel blijft. Dit verklaart ook de kraslijnen. Loden kogels “slippen” als het ware in de loop en laten daarom op de kogel slipsporen achter hetgeen duidelijk op afbeelding 3 behorende bij het aanvullend deskundigenrapport is te zien. Op afbeelding 3 behorende het aanvullend deskundigenrapport is duidelijk een brede groef over de gebruikelijke kraslijnen te zien wat is veroorzaakt door het “slippen” van de afgevuurde lodenkogel (VA1). In het onderhavige geval sluit het slipspoor op de kogel VA1 aan bij de afgevuurde proefkogel, dit had ook anders kunnen zijn. In de diepere delen van de groeven zitten de specifieke verschillen. De grote groef op afbeelding 3 is niet te verklaren aan de hand van een wapenspecifieke eigenschap, maar is ontstaan door het slippen van de gebruikte loden kogel.

De conclusie dat de kogel VA1 waarschijnlijk is afgevuurd met de revolver PA20 is gebaseerd op het aantal gevonden kraslijnaansluitingen. De verschillen in kraslijnen zijn in dit geval verklaarbaar. Onverklaarbare verschillen hadden tot een negatieve conclusie geleid betreffende de vraag of de kogel VA1 is afgevuurd met de revolver PA20.

De deskundige van het NFI, mevrouw P. Pauw-Vugts heeft in haar aanvullend rapport op de vraag van de verdediging of het type kogel (kaliber .38) aangetroffen in het lichaam van verdachte [verdachte] ook uit een ander wapen kan zijn afgeschoten, niet zijnde een Smith & Wesson 49.2, opgemerkt dat het gebruik van een ander vuurwapen niet geheel kan worden uitgesloten, doch dat de kans dat een ander wapen deze sporen heeft veroorzaakt veel kleiner geacht wordt dan de kans dat de onderzochte revolver deze sporen heeft veroorzaakt.

Door de opsporingsambtenaar Wever voornoemd zijn op 17 maart 2006 onder meer de projectielen met spoornummer PA4 en PA15 verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag met de vraag of de twee kogels PA4 en PA15 zijn afgevuurd uit de loop van de bij het slachtoffer aangetroffen revolver, spoornummer PA20.

Uit het rapport van het NFI van 17 mei 2006 blijkt dat het hier gaat om loden kogels. Gezien de massa en de uiterlijke kenmerken zijn ze waarschijnlijk van het kaliber .38 Special. De kogels zijn vervormd en rondom beschadigd. In de omtrek van de kogel PA4 bevinden zich nog drie van de oorspronkelijke vijf naar rechts gerichte groeven. De groeven hebben een breedte van ongeveer 2,5 mm. De groeven zijn veroorzaakt door de velden van een loop. Het voorgaande duidt erop dat het betreffende wapen is voorzien van een loop met vijf naar rechts draaiende trekken en velden met een veldbreedte van ongeveer 2,5 mm. De revolver PA20 is voorzien van een dergelijke loop.

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank gezien het feit dat er 3 hulzen in de revolver (PA20) aanwezig waren het aannemelijk is dat door het slachtoffer [slachtoffer] 3 patronen zijn afgevuurd. De rechtbank acht het zeer waarschijnlijk dat de 2 aangetroffen kogels (PA4 en PA15) gezien de plaats waar zij zijn aangetroffen en het rapport van het NFI d.d.14 maart 2006 afkomstig zijn uit de revolver van [slachtoffer]. Dat betekent dat 1 afgevuurde kogel niet is aangetroffen en de woning dus op andere wijze heeft verlaten, hetgeen overeenstemt met de verklaring van [slachtoffer 1] waarin zij verklaart dat één van de overvallers na de schotenwisseling zwaargewond was.

Verder is de rechtbank van oordeel dat het rapport van het NFI d.d. 14 maart 2006 en het aanvullend rapport d.d. 8 december 2006 in samenhang met de toelichting die deskundige Pauw nog ter terechtzitting heeft gegeven de conclusie van het NFI waaruit blijkt dat de kogel die in het lichaam van verdachte is aangetroffen zeer waarschijnlijk van het kaliber .38 is en waarschijnlijk afkomstig is uit het wapen van [slachtoffer], kan dragen.

Verweren

Verdachte heeft volgens R. Jansen, beveiligingsmedewerker bij het Maxima Medisch Centrum, blijkens zijn afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris op 15 juni 2006, verklaard dat hij in het centrum van Eindhoven is neergeschoten. De rechtbank overweegt als volgt.

De politie heeft in de politiesystemen van de regio Politie Limburg-Noord en Brabant Zuid- Oost gezocht naar meldingen van eventuele schietincidenten. Hieruit bleek dat in deze regio’s behoudens het schietincident te Nederweert, geen schietincident op 27 februari 2006 had plaatsgevonden.

Door opsporingsambtenaar H.P.M. Heinings, hoofdagent van gemeente politie, Basiseenheid Roermond, district Roermond, regio Limburg Noord is onderzocht of er in de grensstreek omstreeks 27 februari 2006 mogelijk een persoon met een schotwond in een ziekenhuis in België is binnengebracht. Uit het onderzoek kwamen daarvoor drie ziekenhuizen in aanmerking, te weten het ziekenhuis in Bree, in Genk en in Overpelt. Met alle genoemde drie ziekenhuizen is contact gezocht en gevraagd of er iemand met een schotwond omstreeks 27 februari 2006 in het ziekenhuis is gebracht. Het resultaat van dit onderzoek was negatief.

Verdachte heeft verklaard niet meer te weten waar hij geweest is vanaf zaterdagavond 25 februari 2006 tot het moment waarop hij in het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven is bijgekomen. Hij herkent op de bewakingsbeelden noch de man noch de auto die hem bij het ziekenhuis heeft afgeleverd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat ook niemand van zijn familie of kennissen een aanwijzing heeft kunnen geven over zijn doen en laten vanaf die zaterdagavond.

Nu er geen enkele aanwijzing in het dossier is die de verklaring van verdachte dat hij in Eindhoven was ondersteunt acht de rechtbank deze niet aannemelijk.

De raadsman heeft bij pleidooi - kort samengevat - als verweer gevoerd dat in deze zaak geen objectief onderzoek heeft plaatsgevonden, dat de politie tijdens de verhoren vooringenomen is geweest jegens verdachte en dat de politie te kort is geschoten ten aanzien van het onderzoek door onder andere geen schiethand van verdachte af te nemen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het dossier is op geen enkele wijze gebleken dat de politie willens en wetens bepaalde onderzoekshandelingen achterwege heeft gelaten. Ten aanzien van bijvoorbeeld de niet afgenomen schiethand blijkt uit het dossier dat verdachte geopereerd werd op het moment dat de politie in het ziekenhuis arriveerde. Dat er sprake zou zijn geweest van tunnelvisie bij de politie acht de rechtbank eveneens niet aannemelijk. Uit het proces-verbaal van politie blijkt dat het onderzoek niet beperkt is gebleven tot de kring van verdachte, maar dat door de politie juist ook buiten deze kring zeer uitvoerig is gerechercheerd.

De raadsman heeft voorts aangevoerd, dat uit de onderzoeken welke wel zijn verricht niet is gebleken dat verdachte direct of indirect bij het doden [slachtoffer] betrokken was. Uit het ingestelde onderzoek blijkt immers dat er geen bloed of andere sporen van verdachte in de woning van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Als verdachte al geraakt zou zijn door kogels uit de revolver van [slachtoffer], dan moet er, aldus de raadsman, toch tenminste enig bloed van verdachte in de woning van de heer [slachtoffer] zijn achtergebleven, hetgeen niet het geval bleek te zijn.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat het feit dat van verdachte geen DNA-materiaal of andere sporen zijn aangetroffen, niet uitsluit dat verdachte op 27 februari 2006 in de woning van [slachtoffer] is geweest. Voor wat betreft het niet aangetroffen hebben van bloed op de plaats delict overweegt de rechtbank dat ook die niet uitsluit dat verdachte ter plaatse is geweest.

Op de vastgelegde videobeelden van de bewakingscamera’s is te zien dat verdachte een licht / donker gestreepte trui droeg toen hij zich op 27 februari 2006 omstreeks 5.27 uur meldde bij het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven. Op deze beelden zijn geen bloedvlekken op de trui waarneembaar, zodat het niet uit te sluiten valt dat de wond van verdachte niet of pas later geleid heeft tot hevige bloedingen.

Conclusie

Het vorengaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettigt de conclusie dat verdachte een van de overvallers is geweest op [slachtoffer] en [slachtoffer 1] op 27 februari 2006, waarbij [slachtoffer] het leven heeft gelaten.

Ten aanzien van de vraag of er sprake was van een poging tot diefstal met geweld overweegt de rechtbank als volgt.

Op 27 februari 2006 zijn de woning en tuin van de slachtoffers onderzocht door de technische recherche. Hierbij is ook een berghok in de rechterhoek van de oprit van het perceel [adres slachtoffer] onderzocht en gefotografeerd. Op de bovenzijde werden diverse schoenafdrukken aangetroffen en in de deuren, die open stonden, zaten gaten op een hoogte van ongeveer 75 cm. Gezien werd dat deze gaten van de binnenzijde naar de buitenzijde van de deuren geboord waren. In het berghok stond een tas die op de foto 55 te zien is. In het proces-verbaal technisch onderzoek staat gerelateerd dat het berghok op maandag 27 februari 2006 werd gefotografeerd en dat op foto 58 de tas aan de rechter binnenzijde van het berghok te zien is. Foto 58 is echter een foto van het hekwerk aan de voorzijde van het pand, zodat de rechtbank dit als een kennelijke schrijffout beschouwt en er van uit gaat dat foto 55 bedoeld wordt. Op deze foto is de genoemde tas immers wel te zien. Op 27 februari 2006 werd deze tas niet nader onderzocht. [slachtoffer 1] heeft deze tas eerst op 3 maart 2006 aangetroffen en overgedragen aan de politie. In deze tas zaten een accuboormachine, een rol grijze tape en 8 kabelbinders. Volgens [slachtoffer 1] behoorden deze spullen niet aan haar of aan [slachtoffer] toe. Uit nader onderzoek in het bedoelde berghok is gebleken dat het berghok plaats bood aan twee volwassen personen en dat door de gaten in de deuren duidelijk het alarmbedieningspaneel in de garage zichtbaar was.

Bij het onderzoek op 27 februari 2006 is door een speurhond van de politie een grote hoeveelheid menselijk lucht waargenomen in dit berghok, zodat de rechtbank het er voor houdt dat een of meerdere overvallers zich in dit berghok hebben schuilgehouden en de thuiskomst van [slachtoffer] en [slachtoffer 1] hebben afgewacht, waarna zij, na het uitschakelen van het alarm door [slachtoffer 1], het berghok hebben verlaten en tezamen met hun mededaders de woning zijn binnengedrongen.

Gelet op de in dit berghok aangetroffen spullen, de vermommingen van de overvallers die er duidelijk op gericht waren om herkenning te voorkomen, alsmede de zware bewapening van de overvallers, gaat de rechtbank er van uit dat de bedoeling van de overvallers was om geld dan wel spullen van enige waarde buit te maken. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank nog ondersteund door de keuze van de slachtoffers. [slachtoffer 1] en [slachtoffer] exploiteerden immers al jarenlang een grote discotheek in het centrum van Weert. Het is derhalve niet onaannemelijk dat de overvallers ervan uit gingen dat [slachtoffer] en [slachtoffer 1] goed bemiddelde ondernemers waren.

Ten aanzien van de vraag of verdachte als medepleger van de doodslag op [slachtoffer] kan worden aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel gelet op alle omstandigheden niet uit de dossierstukken kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededaders naar de woning van [slachtoffer] en zijn echtgenote zijn gegaan met de intentie om [slachtoffer] te doden – dat lag ook niet voor de hand nu diens medewerking wellicht vereist was bij de zoektocht naar de in de woning verondersteld aanwezige buit – kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden aangenomen dat verdachte door met getrokken (en doorgeladen) vuurwapens samen met zijn mededaders bij het latere slachtoffer in de woning binnen te dringen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat ingeval van enig verzet een van de vuurwapens zou worden gebruikt met het fatale gevolg van dien.

Dat niet vast is komen te staan of verdachte degene was die de fatale schoten op [slachtoffer] heeft gelost acht de rechtbank niet van belang nu duidelijk sprake is geweest van een bewuste samenwerking tussen de daders, gezien hun vooropgezet plan, blijkende uit de voorbereidingen die zijn getroffen in de vorm van vuur- en slagwapens, vermommingen, in het berghok verborgen tie-rips en tape.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2006 in de gemeente Nederweert tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte of een van zijn mededaders met dat opzet met een vuurwapen kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag toen en aldaar werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van een hoeveelheid geld en/of wat van hun gading was, welke poging tot diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en [slachtoffer 1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers straffeloosheid te verzekeren;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

T.a.v. primair:

medeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 288 junctis de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 13 februari 2007 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het primair telastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van achttien jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 13 februari 2007 ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde straf aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair telastegelegde dient te worden vrijgesproken en dat zijn voorlopige hechtenis onmiddellijk dient te worden opgeheven.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag. Voor gekwalificeerde doodslag, zoals primair bewezen, heeft de wetgever gekozen voor een hoger strafmaximum dan de straf die op doodslag is gesteld. Het strafmaximum voor een dergelijk strafbaar feit komt in duur overeen met dat van moord, te weten levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.

Op geraffineerde wijze hebben verdachte en zijn mededaders, voorafgaande aan de voormelde gekwalificeerde doodslag, uitvoering gegeven aan het door hen opgevatte plan om [slachtoffer] en [slachtoffer 1] tijdens de carnaval ’s nachts in hun privé woning op brute wijze met een overmacht aan daders te overvallen.

Toen bleek dat [slachtoffer] zich niet zonder meer wilde overgeven is een vuurgevecht ontstaan en hebben verdachte en zijn mededaders twee kogels afgevuurd op [slachtoffer], met voor [slachtoffer] fatale gevolgen. Vervolgens zijn verdachte en zijn mededaders weggevlucht.

Verdachte en zijn mededaders hebben door te handelen zoals zij hebben gedaan, ondraaglijk leed veroorzaakt bij de nabestaanden van [slachtoffer]. Het slachtoffer [slachtoffer] laat een vrouw en twee kleine kinderen achter.

Het misdrijf waarbij [slachtoffer 1] zelf slachtoffer was doordat zij door de overvallers rechtstreeks bedreigd werd en waarbij haar echtgenoot vrijwel voor haar ogen werd doodgeschoten, heeft om begrijpelijke redenen grote psychische schade bij [slachtoffer 1] veroorzaakt zoals onder andere blijkt uit het feit dat zij thans in behandeling is bij de GGZ.

Een dergelijk misdrijf veroorzaakt bovendien in de samenleving sterke gevoelens van onrust en onveiligheid.

De omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders louter met het oogmerk van zelfverrijking er niet voor terugdeinsden om op voornoemde brute en niets ontziende wijze de slachtoffers tijdens de nacht in hun woning - hun eigen vertrouwde omgeving waarin zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen - te overvallen, zulks zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de traumatische gevolgen voor die slachtoffers, getuigt van een mentaliteit waaruit een volkomen gebrek aan respect voor (de levens van) andere mensen en hun bezittingen blijkt.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alleszins gerechtvaardigd is.

10.4 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

1 1.00 STK Landkaart

opengevouwen

2 1.00 STK Krant

van 28 februari 2006

3 2.00 STK Mobilofoon

in een doos;

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n) onder wie deze zijn inbeslaggenomen, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.5 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu naar het oordeel van de rechtbank het causaal verband ontbreekt daar waar de vordering ziet op posten gefactureerd aan [naam café] B.V. te Weert en deze vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 287, 288

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zestien jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave van de rechthebbende(n) van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 1.00 STK Landkaart

opengevouwen

2 1.00 STK Krant

van 28 februari 2006

3 2.00 STK Mobilofoon

in een doos.

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], niet-ontvankelijk in haar vordering met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. E.P.J. Rutten, A.J.M. Huisman en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. A.J.M. Huisman, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de

rechtbank op 27 februari 2007.