Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:AZ9592

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
860050-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Indien militairen van de Koninklijke Marechaussee bij de uitoefening van hun taak stuiten op strafbare feiten, in casu de Opiumwet, die geen verband houden met de uitoefening van hun taak, zijn die militairen ingevolge artikel 6 onder 4 van de Politiewet bevoegd tot ooptreden, maar dienen zij de zaak zo spoedig mogelijk over te dragen aan de politie. Capaciteitsproblemen bij de politie kunnen geen grondslag zijn om buiten hun bevoegdheid te treden en zelf proces-verbaal op te maken ter zake overtreding van de Opiumwet. Uitbreiding van de bevoegdheid tot opsporing van de Koninklijke Marechaussee past niet in het systeem van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 860050-07

B E S C H I K K I N G

van de rechtbank te Roermond, raadkamer voor strafzaken, op een beroep van de officier van justitie in het arrondissement Roermond, tegen de beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Roermond d.d. 24 januari 2007 in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Het beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris voornoemd inhoudende de afwijzing vordering inbewaringstelling van verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken.

De rechtbank heeft op 01 februari 2007 gehoord:

- de officier van justitie;

- de verdachte en diens raadsman.

De rechtbank deelt de mening van de rechter-commissaris dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is geweest en is tevens van oordeel dat de rechter-commissaris de gevorderde bewaring terecht heeft afgewezen.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Met de rechter-commissaris en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de betrokken militairen van de KMar gelet op het bepaalde in artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6 Politiewet onder de gegeven omstandigheden bevoegd waren verdachte wegens overtreding van de Opiumwet aan te houden. Uit de stukken blijkt dat het een zogenaamde ‘toevalstreffer’ betrof, dat wil zeggen dat de leden van de KMar bij de uitoefening van hun taak een strafbaar feit op het spoor zijn gekomen dat geen verband hield met de uitoefening van hun taak. Ingevolge artikel 6, onder 4, van de Politiewet zijn de militairen van de KMar bevoegd tot optreden, maar dienen zij de zaak zo spoedig mogelijk over te dragen aan de politie. Uit het door de officier van justitie bij zijn appelmemorie overgelegde aanvullend proces-verbaal van de KMar blijkt dat de KMar na de aanhouding van verdachte telefonisch contact heeft opgenomen met de politie regio Limburg-Noord teneinde deze zaak te kunnen overdragen. De KMar is daarop medegedeeld dat er geen personeel/capaciteit beschikbaar was om deze zaak over te nemen. De KMar heeft daarop zelfstandig het opsporingsonderzoek voortgezet. De rechtbank geeft de officier van justitie toe dat deze voortzetting als doelmatig kan worden beoordeeld, echter de rechtbank is van oordeel dat reden van doelmatigheid geen grondslag kan zijn buiten de bevoegdheid te treden. Indien dit wel het geval zou zijn, zou de enkele constatering dat de politie geen tijd heeft om een zaak op te pakken ertoe leiden dat de bevoegdheid tot opsporing van de KMar wordt uitgebreid, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet past in het systeem van de wet. De door de verdere opsporing van de KMar verkregen bewijsmiddelen moeten dan ook als onrechtmatig verkregen worden beschouwd en kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs.

Onrechtmatige inverzekeringstelling staat op zichzelf niet in de weg aan het bevelen van bewaring. Echter de rechtbank is van oordeel dat gelet op bovenstaande overweging de daartoe vereiste ernstige bezwaren ontbreken. De rechtbank zal het beroep van de officier van justitie ongegrond verklaren.

B E S L I S S I N G:

De rechtbank verklaart het beroep van de officier van justitie in het arrondissement Roermond ongegrond.

Aldus gedaan te Roermond op 08 februari 2007 door mrs. D.C.M. Bomans, N.J.M. Ruyters, N.I.B.M. Buljevic, rechters, van wie mr. D.C.M. Bomans voorzitter, bijgestaan door E.M. Hendriks-van der Haar als griffier.