Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:AZ7576

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06 / 2131, 06 / 2132 en 06 / 2133 WRO V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Overwegingen over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, vrijstelling (en de aan te wenden rechtsmiddelen daartegen) en de op die vrijstelling gebaseerde en later nog te baseren bouw- en aanlegvergunningen.

Zie ook AZ7577

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenrs. : 06 / 2131, 06 / 2132 en 06 / 2133 WRO V1

Inzake : [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasbree, verweerder.

Datum en aanduiding van de bestreden besluiten ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

het besluit van verweerder d.d. 12 oktober 2006, 17 oktober 2006 en 16 oktober 2006 kenmerk: BR-2006118.

Datum van behandeling ter zitting: 10 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder aan [vergunninghouder I, II en III], hierna te noemen vergunninghouders, vergunning verleend tot het bouwen van een woning aan respectievelijk kavel [...] ([vergunninghouder I]), kavel [...] ([vergunninghouder II) en kavel [...] ([vergunninghouder III) gelegen aan de [straat] te [woonplaats].

Tegen deze besluiten heeft mr. J.H.M. Verjans, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand, namens verzoeker bij schrijven van 14 november 2006 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake van de verleende vergunningen een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb zijn de vergunninghouders in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de overige partijen gezonden.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 10 januari 2007, waar verzoeker is verschenen bij zijn echtgenote, [echtgenote], bijgestaan door mr. Verjans voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.J. van Houtert, medewerker Ruimtelijke Ordening bij verweerders gemeente. Van vergunninghouders is [vergunninghouder I] verschenen bij zijn echtgenote, bijgestaan door de gemachtigde mw. mr. F.J.J. van West de Veer, verbonden aan SRK Rechtsbijstand, en [vergunninghouder II] bij zijn gemachtigde mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond. [vergunninghouder III] is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 12 april 2006 heeft verweerder het voornemen gepubliceerd om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het vigerend bestemmingsplan te verlenen voor het oprichten van 10 grondgebonden woningen aan de [straat] te [woonplaats]. Het ontwerpbesluit en de aanvraag met de daarbij behorende stukken hebben met ingang van 13 april 2006 ter inzage gelegen. Binnen de termijn van terinzagelegging heeft verzoeker gebruik gemaakt van de mogelijkheid een schriftelijke zienswijze in te dienen. In die zienswijze is onder andere bezwaar gemaakt tegen de omstandigheid dat uit de tekeningen, die onderdeel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing, blijkt dat tegenover verzoekers woning een weg is gepland. Verzoeker stelt van de geplande weg hinder te zullen gaan ondervinden wanneer deze wordt gerealiseerd.

Bij besluit van 18 juli 2006, verzonden op 7 augustus 2006, heeft verweerder vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend van de voorschriften van bestemmingsplan “Woongebieden Maasbree” ten behoeve van het in de aanvraag omschreven project dat ziet op het oprichten van 10 grondgebonden woningen aan de [straat] in [woonplaats].

Bij brief van 7 september 2006, bij verweerder ontvangen op 8 september 2006, heeft mr. J.H.M. Verjans, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand, namens verzoeker bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 18 juli 2006.

Bij brief van 21 september 2006 heeft verweerder het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank om het als beroepschrift in behandeling te nemen onder overweging dat in het kader van de vrijstellingsprocedure, zonder bouwvergunning, de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 Awb is gevolgd.

Bij uitspraak ex artikel 8:54 van de Awb van 12 oktober 2006 (AWB 06 / 1661 WRO) heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. Tevens is de brief van 7 september 2006 met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan verweerder teruggezonden ten einde deze brief als (prematuur) bezwaarschrift in behandeling te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft verweerder tijdig verzet gedaan, welk verzet bij uitspraak van de rechtbank van heden ongegrond is verklaard.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten van 12 oktober 2006, 16 oktober 2006 en 17 oktober 2006, heeft verweerder aan [vergunninghouder I], [vergunninghouder II] en [vergunninghouder III], hierna te noemen vergunninghouders, vergunning verleend tot het bouwen van een woning op respectievelijk kavel [...] ([vergunninghouder I]), kavel [...] ([vergunninghouder II]) en kavel [...] ([vergunninghouder III]) gelegen aan de [straat] te [woonplaats].

In het bezwaarschrift dat op 14 november 2006 namens verzoeker tegen deze besluiten is ingediend, is (opnieuw) aangevoerd dat het bezwaar zich in principe niet richt tegen de bouw van de woningen, maar tegen de locatiekeuze. Die locatiekeuze heeft tot gevolg dat pal tegenover verzoekers woning een ontsluitingsweg is ingetekend, waarvan verzoeker veel overlast verwacht. In het verzoekschrift is aangegeven dat verzoeker een spoedeisend belang heeft omdat met de bouw van een aantal van de woningen al een begin is gemaakt.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank of, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaken kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder en de vergunninghouders bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van de besluiten.

De rechter is van oordeel dat niet reeds op voorhand gezegd kan worden dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaken kan afwachten. Daartoe is in aanmerking genomen dat door de bouw van de woningen de mogelijkheid om een alternatief te vinden voor de toekomstige ontsluiting van Meuleveld (steeds verder) wordt beperkt. Ter zitting is in dit verband nog aangegeven dat de bouw van [vergunninghouder II] (kavel [...]) al ver is gevorderd en dat begin januari 2007 de eerste verdieping wordt geplaatst.

De rechter komt dan ook vervolgens toe aan een verdere belangenafweging en in dat verband aan een voorlopig oordeel in de hoofdzaken. Daartoe dient allereerst vastgesteld te worden tegen welk besluit het verzoek en het bezwaar zijn gericht en of sprake is van een verzoek hangende beroep of hangende bezwaar. Voor beantwoording van deze laatste vraag is het navolgend wettelijk kader van belang.

Ingevolge artikel 19a, vierde lid, onder a, van de WRO, zoals deze bepaling luidt sinds 1 juli 2005, is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht. Afdeling 3.4 betreft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en omvat de artikelen 3:10 tot en met 3:18 van de Awb.

In artikel 6:13 van de Awb is (sedert 1 juli 2005) bepaald dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in haar uitspraak van 14 juli 2004, 200307108/1, LJN: AQ1105, (AB 2004, 304) de werkingssfeer van deze bepaling ook van toepassing bevonden op de fase van bezwaar.

Verweerder heeft het besluit tot vrijstelling (terecht) voorbereid met toepassing van de genoemde afdeling 3.4 van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet dan direct beroep worden ingesteld tegen de vrijstelling en hoeft niet eerst bezwaar te worden gemaakt.

In het onderhavige geval is vrijstelling verleend teneinde bouwvergunning voor een woningbouwproject te kunnen verlenen.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb heeft de wetgever nadrukkelijk voor ogen gehad dat uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet volgt dat de beroepsgang met betrekking tot de bouwvergunning leidend is en dat, voordat beroep kan worden ingesteld tegen een vrijstelling die gecombineerd is met een bouwvergunning, eerst een bezwaarschriftprocedure moet worden gevolgd. Verweerder heeft immers niet met toepassing van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (eveneens) op de verlening van de bouwvergunning van toepassing verklaard.

Uit de jurisprudentie van de AbRS (o.a. AbRS van 24 maart 2004, Gemeentestem 2004, nummer 7208/90, AbRS van 7 april 2004, 200305788/1 en AbRS van 26 oktober 2005, 200505017/1, LJN: AU4979, AB 2005, 440) volgt dat de wetgever met de bepaling van artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad, ter voorkoming van onnodige procedures. Voor zover vrijstelling is vereist teneinde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, is de beslissing op het vrijstellingsverzoek niet zelfstandig appellabel. Hiertegen kan eerst worden opgekomen in het kader van een beslissing op een voor dat project ingediende bouwaanvraag. Uit deze jurisprudentie kan - anders dan van verweerders kant is betoogd - niet worden opgemaakt dat het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet niet van toepassing zou zijn bij één vrijstellingsbesluit dat wordt gevolgd door afzonderlijke bouwvergunningen. Verwezen wordt naar de eerder genoemde verzetsuitspraak, waarin op de argumenten van verweerder ter zake is ingegaan. Alleen indien de tegen een vrijstelling gemaakte bezwaren betrekking hebben op een onderdeel van het vrijstellingsbesluit, dat ziet op vrijstelling voor een activiteit waarvoor geen bouwvergunning is vereist, is dat (onderdeel van het) besluit volgens voornoemde jurisprudentie zelfstandig appellabel.

In het onderhavige geval richt het bezwaar van verzoeker zich tegen de locatie van de woningen omdat deze locatie de mogelijke situering van de toekomstige ontsluitingsweg bepaalt. Verzoeker wil door het tegenhouden van de bouw voorkomen dat hij voor voldongen feiten komt te staan omdat een andere wijze van ontsluiting illusoir wordt als de woningen er eenmaal staan.

De rechter stelt met partijen vast dat het vrijstellingsbesluit van 18 juli 2006 alleen erop is gericht om de bouw van woningen ter plaatse planologisch mogelijk te maken. In het bijzonder is daarbij geen vrijstelling van het bestemmingsplan verleend om de aanleg van een ontsluitingsweg mogelijk te maken. Dat zou overigens op basis van het door verweerder gehanteerde artikel 19, tweede lid, van de WRO, juncto Onderdeel A, artikel 1, lid a, van de Provinciale lijst ook niet (bevoegdelijk) kunnen nu de ontsluitingsweg niet aangemerkt kan worden als een aan deze woningen inherente voorziening. Ook de verkaveling die onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing bij de vrijstelling, kan niet als een zelfstandig appellabel (onderdeel van het) besluit worden aangemerkt.

Naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter kan het bezwaar van verzoeker derhalve alleen geacht worden gericht te zijn tegen de onder vrijstelling verleende bouwvergunningen, die het mogelijk maken om op de aangewezen percelen een woning op te richten. Van enig ander, zelfstandig appellabel, (onderdeel van een) besluit waartegen het bezwaar zich zou (kunnen) richten, is in het onderhavige geval geen sprake. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek aangemerkt dient te worden als een verzoek hangende het bezwaar tegen de onder vrijstelling van het bestemmingsplan verleende bouwvergunningen nu ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet de rechtsgang voor de bouwvergunning in dezen leidend is.

Met betrekking tot de verdere belangenafweging en de rechtmatigheid van de aangevochten besluiten oordeelt de rechter als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat er geen onlosmakelijk verband bestaat tussen de bouw van de onderhavige woningen en de situering van de ontsluitingsweg. De situering van de woningen leidt niet onontkoombaar tot een ontsluitingsweg op de geplande plaats, zulks alleen al omdat vooralsnog onzeker is of het plan Meuleveld doorgang zal vinden. Beoordeling van de planologische rechtmatigheid van de ontsluiting zelf zal eerst aan de orde zijn indien appellabele besluitvorming over de ontsluitingsweg voorligt.

Het vorenstaande neemt evenwel niet weg dat de toekomstige ontsluiting van het plan Meuleveld in de ruimtelijke onderbouwing van de onderhavige vrijstelling is betrokken. Uit de gegevens die bekend waren over het plan Meuleveld, blijkt onder meer dat er wel een reële kans bestaat dat de ontsluiting zal gaan lopen via de onbebouwd te laten strook. Door realisering van het onderhavige project zal een situatie ontstaan die die kans nog aanzienlijk groter maakt. Dit betekent dat de mogelijkheden van verzoeker om met vrucht op te komen tegen toekomstige besluitvorming over de bedoelde ontsluiting door de aangevochten vrijstelling wezenlijk beperkt worden, waarmee de rechter derhalve in zijn voorlopige beoordeling rekening dient te houden.

Uitgaande van het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd onvoldoende grond om tot een schorsing van de verleende bouwvergunningen over te gaan. Naar het voorlopig oordeel van de rechter heeft verweerder in zijn reactie op de ingediende zienswijze en in de ter zitting gegeven toelichting toereikend en voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de ontsluiting op de geplande locatie wordt beoogd. De rechter ziet vooralsnog geen aanwijzingen dat verweerder kennelijk onredelijk heeft besloten door de belangen die pleiten vóór een ontsluiting op de geplande plaats zwaarder te laten wegen dan de belangen van verzoeker die daarvan in de toekomst mogelijk hinder zal gaan ondervinden. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat de woning van [vergunninghouder III], waarvoor op kavel [...] een bouwvergunning is verleend, gezien de ligging in wezen niet van invloed is op de ontsluitingsmogelijkheden.

In dit verband is verder nog van belang dat verweerders gemachtigde bij de behandeling ter zitting heeft verduidelijkt dat verweerder in aanmerking heeft genomen dat het verschuiven van de situering van de ontsluitingsweg alleen zou leiden tot het verschuiven van de hinder omdat de overzijde van de [straat] volledig is bebouwd. Er is derhalve niet gebleken dat met een alternatief een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren.

Vastgesteld moet wel worden dat in de thans bestreden besluiten niet expliciet is ingegaan op de door verzoeker in de zienswijze aangevoerde bezwaren c.q. hinder als gevolg van de ontsluiting vóór zijn woning. Gelet op de ter zitting gegeven toelichting kan dit gebrek echter door verweerder bij de nog te nemen besluiten op bezwaar worden hersteld.

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechter van oordeel dat de bestreden besluiten een gerede kans maken in de hoofdzaken in stand te kunnen blijven en dat de verzoeken ex artikel 8:81 van de Awb dienen te worden afgewezen. Mitsdien wordt beslist als in rubriek III is aangegeven.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 25 januari 2007.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.