Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:AZ7165

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
06 / 1172 WAO / WAZ K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of sprake is van een dienstbetrekking moet voor de toepassing van de werknemersverzekeringen worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie en niet van de formele situatie, ook bij een directeur-grootaandeelhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1172 WAO / WAZ K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen : De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Nijmegen), te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 30 mei 2006,

kenmerk: B&B 383.067.12 TG.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een besluit van 17 februari 2005 ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is door Dr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 december 2006, waar eiser is verschenen, bijgestaan door Dr. Vermunt voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Eiser, loodgieter van beroep, was ten tijde van belang, werkzaam bij Installatiebedrijf [bedrijf] BV te [plaats]. Van deze BV bezit eiser 12,5% van de aandelen. Uit de stukken blijkt verder dat verweerder bij brief van 25 januari 1988 aan eiser heeft bericht dat gelet op zijn aandelenbezit en zijn daarmee samenhangende positie in de aandeelhoudersvergadering en gelet op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, hij niet kan worden geacht zijn werkzaamheden voor de vennootschap onder gezagsverhouding te verrichten en dat hierdoor zijn verplichte verzekering ingevolge de sociale werknemersverzekeringen dient te worden beëindigd. Hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de datum van beëindiging van de verplichte verzekering gesteld op 1 januari 1989 om eiser in de gelegenheid te stellen zich op een andere wijze te verzekeren. Vervolgens heeft eiser een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Achmea.

Sedert 27 december 2000 is eiser arbeidsongeschikt en ontvangt hij van Centraal beheer Achmea (kennelijk vanaf 26 januari 2001) een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 1 juni 2004 vraagt eiser een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan. Volgens een telefoonnotitie van 30 augustus 2004 van een medewerker van verweerder wordt op grond van de uitspraak van de kantonrechter verzekeringsplicht aangenomen en wordt de WAO-aanvraag in behandeling genomen.

Bij besluit van 23 december 2004 wordt een WAO-uitkering toegekend met ingang van 26 december 2001. Tegen dit besluit wordt namens eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 februari 2005 wordt aan eiser meegedeeld dat uit nader onderzoek is gebleken dat eiser niet verzekerd is op grond van de WAO nu hij, anders dan blijkt uit de uitspraak van de kantonrechter van 22 mei 2001, niet wordt beschouwd als zijnde in dienst van werkgever [bedrijf] BV. De WAO-uitkering wordt ingaande 1 maart 2005 weer ingetrokken. Tevens wordt eiser ingaande 1 januari 1989 wél beschouwd als verzekerd ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en wordt hem zodanige uitkering toegekend. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij als belangrijkste grief naar voren is gebracht dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de werkelijke situatie.

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtsmiddelen heeft ingediend tegen het besluit van verweerder van 25 januari 1988, zodat dit in rechte vaststaat. Zijn daarin bepaalde status van aandeelhouder, niet werkend in een gezagsverhouding is, zo stelt verweerder vast, door eiser lang geaccepteerd.

Verweerder vervolgt met aan te geven dat de arbeidsverhouding van een directeur-grootaandeelhouder niet wordt beschouwd als een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking, zodat op die grond eiser niet kan worden aangemerkt als verzekerde voor de WAO. Als directeur-grootaandeelhouder wordt mede verstaan de bestuurder van een vennootschap waarvan tenminste tweederde deel van de aandelen wordt gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. Voor de echtgenote van een directeur en de familieleden tot en met de derde graad geldt dat zij niet verzekerd zijn voor de sociale wetgeving indien zij werken onder omstandigheden en op voorwaarden, die afwijken van de voorwaarden welke worden aangetroffen bij personen die werkzaam zijn in ondergeschiktheid. Afwijkende voorwaarden kunnen, zo vervolgt verweerder, betrekking hebben op beloning, vakantiedagen, werktijden. Vervolgens stelt verweerder vast dat de beloning van eiser afweek van die van niet tot de familie behorend personeel. Voorts was het eiser toegestaan een eigen invulling te geven aan zijn werkzaamheden voor [bedrijf] BV, terwijl niet is gebleken dat dit ook ander personeel was toegestaan. Verweerder concludeert dat in de arbeidsrelatie tussen eiser en de BV de familieverhoudingen overheersen.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Daarbij is als grief aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat verweerders stelling dat het loon dat eiser genoot, afwijkend was van dat van het niet tot de familie behorend personeel, onjuist is en niet wordt gemotiveerd. De door verweerder in het besluit op bezwaar vermelde verwijzing naar de uitspraak van de kantonrechter van 19 november 2003 is, zo stelt eiser, uit zijn verband gehaald en er wordt een verkeerde conclusie aan verbonden. Ten onrechte komt verweerder tot het oordeel dat de arbeidsrelatie tussen eiser en de BV wordt overheerst door de familierelatie; eiser vindt steun daarvoor in het arrest van het gerechtshof van 21 februari 2006.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Daartoe heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft aangenomen dat in het geval van eiser geen sprake was van een verplichte verzekering in de zin van de WAO. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 6, eerste lid sub d, van de WAO luidt:

1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van:

d. de directeur-grootaandeelhouder;

De Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder luidt, voor zover hier van belang:

Artikel 2

1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet, wordt verstaan:

a. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen;

b. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen dat, indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken;

c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen; of

d. de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die zeggenschap heeft in de algemene vergadering van de vennootschap door tussenkomst van een rechtspersoon.

Artikel 3

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd, in afwijking van artikel 2, een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken, indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap.

In het algemeen wordt er van uit gegaan dat voor de toepassing van de werknemersverzekeringen, de arbeidsverhouding tussen een directeur-grootaandeelhouder en een BV/NV in het algemeen niet als een arbeidsverhouding naar burgerlijk recht kan worden aangemerkt en de directeur-grootaandeelhouder derhalve niet als een werknemer in de zin van onder meer de WAO kan worden aangemerkt. De vraag of sprake is van een dienstbetrekking moet voor de toepassing van de werknemersverzekeringen worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie en niet van de formele situatie.

Hoewel niet valt te ontkennen dat eiser 12,5% van de aandelen bezit en - weliswaar -formeel als directeur-grootaandeelhouder is te beschouwen, valt uit de beschikbare stukken en de lezing van eiser ter zitting van de rechtbank omtrent de gang van zaken binnen het bedrijf, genoegzaam af te leiden dat eiser zich in niets onderscheidde van de andere werknemers binnen het bedrijf. Eiser was dan wel grootaandeelhouder, voor de aandeelhoudersvergadering ontving hij nimmer een uitnodiging. Ten aanzien van het bestuur van de onderneming had eiser ook helemaal geen inbreng. Evenmin genoot eiser de bij het aandeelhouderschap behorende status en privileges.

Ook is eiser, anders dan de andere werknemers, diverse keren ontslagen. Voorts staat niet vast dat eiser door de aandeelhoudersvergadering is ontslagen, hetgeen in dit geval in de rede zou liggen. De hoogte van het salaris is, gelet op het betoog van de gemachtigde ter zitting, mede of in hoofdzaak bepaald door het feit dat eiser veel overwerkte, zoals in weekends dat hij dienst had.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser op ongeveer dezelfde manier werd behandeld als de werknemers, niet zijnde aandeelhouders.

Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank dan ook voldoende komen vast te staan dat eiser feitelijk in een positie van ondergeschiktheid tot de vennootschap werkzaam is, voor welke gevallen artikel 3 van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder is bedoeld.

Gelet op het voorgaand is de rechtbank van oordeel dat het besluit op een onjuiste feitelijke grondslag berust en derhalve niet in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt als aangegeven in rubriek III.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2,00 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1,00.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 23 januari 2007

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.