Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:BA0989

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
04/864018-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis. XTC-produktie. Niet-ontvankelijkheidsverweer: antedateren en van het falsificeren van processen-verbaal.

De rechtbank is van oordeel dat het herstellen van geconstateerde onjuistheden of onvolledigheden dient te geschieden in een aanvullend proces-verbaal. Daarin dient te worden aangegeven dat het gaat om een proces-verbaal tot herstel. Dit herstel dient expliciet in dat proces-verbaal dient te worden aangegeven. Het herstellen van of aanvullen met gegegevens door het onjuiste/onvolledige proces-verbaal opnieuw te gebruiken en de daarin vermelde onjuistheid (niet zichtbaar) te corrigeren dan wel de aanvulling daarin op te nemen, acht de rechtbank principieel onjuist en kan niet anders worden gezien dan een vormverzuim.

Of dit vormverzuim gevolgen dient te hebben, dient in dit geval per proces-verbaal nader te worden bezien.

Met betrekking tot het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van aanhouding is de rechtbank van oordeel dat dit vormverzuim geen gevolgen dient te hebben, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat het aanvankelijk proces-verbaal opzettelijk zo is gemaakt om verdachte in een mogelijk slechtere positie te brengen, terwijl voorts uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de belangen van verdachte niet zijn geschaad door het herstel proces-verbaal. Het verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, wordt afgewezen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de geschetste gang van zaken geen gevolgen hoeft te hebben voor de op te leggen straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Parketnummer : 03/864018-05

Uitspraak d.d. : 21 december 2006

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Maastricht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli, 5 oktober, 16, 21 en 23 november, 5 en 7 december 2006.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2005 tot en met 29 november 2005 te Nederweert-Eind, in elk geval in de gemeente Nederweert, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (een) hoeveelhe(i)d)(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2B en/of D Opiumwet juncto artikel 10 Opiumwet)

(Zaaksdossier 3)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging.

De raadsman heeft tijdens de terechtzitting van 23 november 2006 met betrekking tot de ontvankelijk van de officier van justitie in de vervolging het volgende aangevoerd.

"Wat betreft de door de verdediging aangehaalde merkwaardigheden in het aanvullend proces-verbaal over de inval op 27 december 2005 afgezet tegen het vervangend aanvullend proces-verbaal relaterend de inval van 29 november 2005.

Naar visie van de verdediging is er sprake van antedateren. Het als bijlage sub 1 bij de pleitnota overgelegde aanvullend proces-verbaal zal zijn opgemaakt op 27 december 2005 te Eindhoven. Onder aan het proces-verbaal immers staat dat dit proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt op die datum en door de twee verbalisanten is ondertekend. Door EXO-09 en EXO-18.

In de tweede alinea van het aanvullend proces-verbaal staat kennelijk abusievelijk vermeld dat er sprake is van een aanhoudingsactie op 27 december 2005 in plaats van op 29 november 2005. Naderhand is deze vergissing bemerkt. Ergens mogelijk in januari 2006. Toen is het proces-verbaal gewijzigd. Deze wijziging is dus van na 27 december 2005. Dit terwijl wel is opgenomen in het na 27 december 2005 gewijzigde proces verbaal dat dit proces-verbaal is gesloten en ondertekend op 27 december 2005. Dat is dus gewoonweg niet waar. Het proces-verbaal is in elk geval na 27 december 2005 gewijzigd en ook na 27 december 2005 opnieuw in deze gewijzigde vorm ondertekend. Bovendien is dat proces-verbaal ook niet ondertekend door EXO-18, maar door iemand in opdracht van EXO-18, dit terwijl EXO-18 wel

verklaart dat het op zijn ambtseed is ondertekend. Daarnaast is de aanvankelijk gemaakte vergissing in alinea 2 van het proces-verbaal hersteld. Juridisch is derhalve sprake van het opnieuw hebben opgemaakt van een proces-verbaal nu er immers sprake is van het relateren van een andere datum waarop de genoemde aanhoudingsactie heeft plaatsgevonden, terwijl bovendien ook op een andere datum dan 27 december 2005 het aldus gewijzigde proces-verbaal opnieuw is ondertekend en, ook niet onbelangrijk, een van de twee verbalisanten het proces-verbaal juist niet heeft ondertekend. Het is zeker niet zo dat op het papier van het bestaande proces-verbaal een doorhaling c.q. wijziging heeft plaatsgevonden en dat dus sprake bleef van een en hetzelfde proces-verbaal.

De verdediging blijft er derhalve bij dat er sprake is van een proces-verbaal dat niet weergeeft hoe een en ander daadwerkelijk is geschied wat betreft het opmaken van het proces-verbaal en ondertekenen daarvan. De datum die onder aan het proces-verbaal is geplaatst geeft niet de juiste datum weer waarop het proces-verbaal is opgemaakt c.q. is voltooid en is ondertekend. Naar visie van de verdediging is er derhalve wel degelijk sprake van antedateren en van het falsificeren.

Datzelfde geldt voor de observatie van 18 november 2005. Het proces-verbaal van 18 november 2005 als door de verdediging overgelegd bij pleidooi de dato 23 november 2006 als bijlage 3 inclusief het activiteitenjournaal, is qua waarnemingen toch wezenlijk anders dan het over diezelfde observatie opgemaakt proces-verbaal als overgelegd als bijlage 4. Meer in het bijzonder wat betreft het activiteitenjournaal door de verdediging genummerd met 4A. Het activiteitenjournaal 4A is afkomstig uit het zaaksdossier 1. Het activiteitenjournaal van bijlage 3 daarentegen komt uit het A-dossier, ordner 5. En het met dit laatste proces-verbaal overeenstemmende activiteitenjournaal als door de verdediging overgelegd als bijlage 4B, zat ook weer in zaaksdossier 1 en is overeenkomstig het proces-verbaal van observeren als gevoegd in zaaksdossier 3. [verdachte] wordt alleen de kwestie van Nederweert ten laste gelegd, derhalve zaaksdossier 3. In dat zaaksdossier komt alleen de wat beperktere observatie aan de orde waarin niet gesproken wordt over de bestuurder van de Beetle met kenteken [kenteken]. In het kennelijk naderhand opgemaakte activiteitenjournaal is dat aangevuld hetgeen toch, in combinatie met de "semi-herkenning" (ik doel op de gebezigde bewoordingen "sterke gelijkenis vertonend met") kennelijk als belastend is bedoeld tegen cliënt. Naar visie van de verdediging blijft derhalve ook hier sprake van processen-verbaal waarvan tenminste kan worden gezegd dat daar onregelmatigheden aanzitten.

Conclusie: er is met twee processen-verbaal geknoeid. Er is geantedateerd en gefalsificeerd met op ambtsedige verklaringen, dit zijn ernstige feiten. Zodoende kom ik tot de conclusie dat primair het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden en subsidiair dat daarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van de strafmaat ".

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

De rechtbank is, gelijk de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat het herstellen van geconstateerde onjuistheden of onvolledigheden dient te geschieden in een aanvullend proces-verbaal, in welk proces-verbaal dient te worden aangegeven dat het gaat om een proces-verbaal tot herstel van een onjuistheid en/of onvolledigheid en welk herstel expliciet in dat proces-verbaal dient te worden aangegeven. Het herstellen van of aanvullen met gegegevens door het onjuiste/onvolledige proces-verbaal opnieuw te gebruiken en de daarin vermelde onjuistheid (niet zichtbaar) te corrigeren dan wel de aanvulling daarin op te nemen, acht de rechtbank principieel onjuist en kan niet anders worden gezien dan een vormverzuim. Of dit vormverzuim gevolgen dient te hebben, dient in dit geval per proces-verbaal nader te worden bezien.

Met betrekking tot het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van aanhouding is de rechtbank van oordeel dat dit vormverzuim geen gevolgen dient te hebben, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat het aanvankelijk proces-verbaal opzettelijk zo is gemaakt om verdachte in een mogelijk slechtere positie te brengen, terwijl voorts uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de belangen van verdachte niet zijn geschaad door het herstel proces-verbaal.

Het verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, wordt afgewezen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de geschetste gang van zaken geen gevolgen hoeft te hebben voor de op te leggen straf.

Met betrekking tot het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van observatie is de rechtbank eveneens van oordeel dat dit vormverzuim geen gevolgen dient te hebben, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat het aanvankelijk proces-verbaal opzettelijk zo is gemaakt om verdachte in een mogelijk slechtere positie te brengen. Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de belangen van verdachte niet zijn geschaad door het herstel proces-verbaal omdat de inhoud van het herstel proces-verbaal weliswaar uitgebreider is dan het aanvankelijke proces-verbaal, maar daarmee niet strijdig is en in ieder geval al hetgeen in het aanvankelijke proces-verbaal staat vermeld, bevat.

Het verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, wordt afgewezen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de geschetste gang van zaken geen gevolgen hoeft te hebben voor de op te leggen straf.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 november 2006 gevorderd dat het ten laste gelegde feiten zullen worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft als stelling met betrekking tot de aanwezigheid van verdachte in het in te Nederweert - Eind aangetroffen laboratorium / productieruimte als mogelijkheid aangevoerd dat verdachte aldaar aanwezig was in het kader van sollicitatieprocedure nadat hij was uitgenodigd om aldaar te komen werken. Verdachte had op 28 november 2005 in voornoemd kader een rondleiding gehad en deze was zo laat geëindigd dat verdachte afzag van het nog naar huis gaan. Verdachte is daarom daar blijven slapen.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat verdachte tijdens de terechtzitting op 23 november 2006 op de vraag van de voorzitter of hij, verdachte, inderdaad daar aanwezig was in het kader van een sollicitatieprocedure, heeft geantwoord dat zulks het geval zou kunnen zijn geweest. Nu zowel de stelling van de raadsman als de bewering van verdachte zijn geformuleerd als mogelijkheid en niet als feitelijkheid en de door de verdediging geopperde mogelijkheid op geen enkele wijze is onderbouwd, acht de rechtbank die mogelijkheid niet aannemelijk.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hieronder opgenomen motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de paginanummering van door de officier van justitie conform ondertekende fotokopie van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door het korps landelijke politiediensten. Dienst Nationale Recherche, Unit Zuid-Nederland, d.d. 23 mei 2006, nummer 25-006129-0 (onderzoek Everzwijn).

Met betrekking tot het bewijs overweegt de rechtbank het navolgende.

Ten aanzien van het tezamen en in vereniging vervaardigen en/of bereiden van een materiaal bevattende MDMA, zijn als bewijsmiddelen de navolgende stukken aanwezig.

-Een proces verbaal van aanhouding d.d. 29 november 2005, inhoudende de aanhouding van [medeverdachte] en een N.N. verdachte. Dit proces-verbaal omvat onder andere de aanhouding van [medeverdachte] en een onbekend persoon in de woning gelegen aan de [adres I] te Nederweert. Van de onbekende persoon komt op een later tijdstip vast te staan dat dit verdachte is geweest. (Dossier B, pagina 804-806)

-Een aanvullend proces-verbaal d.d. 30 november 2005, bevattende het relaas van verbalisanten T.M.J. Vrenken en M.H.A. van Aaken. De betreffende verbalisanten verklaren dat zij op 29 november 2005 omstreeks 07.45 uur, in een loods gelegen achter en behorende bij [adres I] te Nederweert-Eind een persoon aangehouden hebben. Deze persoon bleek na raadpleging van een foto uit het HKD-systeem te zijn:

[verdachte], [voornaam], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], [adres].

(Dossier B, pagina's 810-811)

-Een proces-verbaal d.d. 15 mei 2006, bevattende een samenvatting van het onderzoek met betrekking tot de in Nederweert - Eind aangetroffen laboratorium / productieruimte. Dit proces verbaal omvat onder andere een omschrijving van de productielocatie/laboratorium dat daadwerkelijk in werking was.

In de stal behorende bij [adres I] te Nederweert-Eind werden een viertal ruimtes daadwerkelijk in gebruik voor MDMA aangetroffen, namelijk:

1.D.1: Een productieruimte met reactievaten. In deze ruimte werden onder andere mengkuipen met aanwezige restanten MDMA-poeder aangetroffen.

1.D.2: Een ruimte bestemt voor de opslag van gasflessen. In deze ruimte werden onder andere nieuwe en gebruikt speciekuipen met daarin vermoedelijk MDMA-poeder aangetroffen. Ook stond werd er in deze ruimte een droogruimte aangetroffen met restsporen van MDMA-poeder.

1.D.3: Een gang met vaten en afzuigapparatuur.

1.D.4: Een ruimte bedoeld als vries- en kristallisatieruimte. Hierin stonden een negental vrieskisten opgesteld die in werking waren. In ieder van deze vrieskisten zaten vaten met daarin vermoedelijk MDMA-base (=olie) die opgelost was in een oplosmiddel.

1.D.5: Een centrifugeruimte met vaten. Hierin bevond zich onder andere een grote industriële centrifuge die blijkbaar gebruikt werd ten behoeve van filtratie van eerder genoemd MDMA-zout in de vriezers. Nabij deze centrifuge lagen katoenen centrifugezakken met restanten MDMA-poeder.

(Zaaksdossier 3, ZK 3.11-ZK 3.13, in het bijzonder de omschrijving van RBS 26-001870)

- Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 februari 2006, inhoudende een onderzoek naar de aanwezigheid van en/of vervaardiging van middelen, welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet. Uit dit onderzoek blijkt dat er in de stal behorende bij [adres I] te Nederweert-Eind, MDMA werd vervaardigd en bewerkt. Daarnaast was er ook MDMA aanwezig.

(Zaaksdossier 3, pagina 03.024-03.030)

De rechtbank acht op grond van de hierboven vermelde bewijsmiddelen die de rechtbank ook als bewijsmiddel heeft gebezigd, zonder dat de rechtbank met hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewijs voor het feit is weergegeven, uitputtend heeft willen zijn, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De rechtbank acht gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, het feit dat verdachte op heterdaad is aan getroffen op de productieplaats/ laboratorium op de [adres I] te Nederweert Eind en voor zijn aanwezigheid geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aldaar heeft bezig gehouden met het vervaardigen en/of bereiden van een materiaal bevattende MDMA.

Bewezenverklaring:

dat hij in de periode van 15 oktober 2005 tot en met 29 november 2005 te Nederweert-Eind, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid, hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bovengenoemde bewijsmiddelen.

9. Kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op het navolgende misdrijf:

medeplegen van opzettelijke handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef B en D, van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet, juncto artiel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 21 november 2006 met betrekking tot de op te leggen straffen gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman is van mening dat deze straf ten onrechte is, aangezien hij van mening is dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feitencomplex. Daarnaast vindt hij de straf te hoog voor iemand die nog nooit met justitie in aanraking is geweest.

11.1 De algemene overwegingen van de rechtbank.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen van de rechtbank.

In de zaak tegen verdachte heeft de rechtbank bewezen verklaard, kort gezegd: het produceren van synthetische drugs.

De productie van synthetische drugs gebeurde in niet daarvoor ingerichte ruimten, mede waardoor de kans op ongelukken, met name ontploffing gevolgd door brand, als groot is in te schatten. De verdachte heeft dat gevaar niet onderkend, dan wel het risico dat zojuist gememoreerde ongelukken zouden gebeuren, geaccepteerd.

Daarnaast komen er bij deze productie grote hoeveelheden afvalstoffen vrij. Deze afvalstoffen worden in de regel niet via een reguliere weg op een verantwoorde wijze verwerkt, maar ergens gedumpt, zoals ook in deze zaak is geschied.

Hierdoor ontstaat er ofwel een zeer grote kans op milieuschade, ofwel - bij tijdige ontdekking - zeer hoge kosten voor de samenleving omdat alsdan deze afvalstoffen zorgvuldig verwijderd moeten worden en er alsnog voor een verantwoorde verwerking van deze afvalstoffen zorg gedragen moet worden.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging verder meegewogen dat verdachte heeft gehandeld uit winstbejag. Met de verkoop van deze drugs worden enorme winsten gemaakt. Met betrekking tot het gevaar voor de volksgezondheid overweegt de rechtbank dat blijkens onderzoek na gebruik van genoemde drugs lichamelijke, levensbedreigende en psychiatrische complicaties kunnen optreden. In een enkel geval heeft het gebruik van XTC al tot de dood geleid. Gezien de berekende hoeveelheid moet deze bestemd zijn geweest voor verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in drugs zoals MDMA gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Deze gevolgen heeft verdachte niet, dan wel in onvoldoende mate laten meewegen bij zijn keuze om zijn persoonlijk, financieel belang te laten prevaleren.

Gelet op hiervoor weergegevene is in beginsel een onvoorwaardelijk gevangenisstraf (van enige duur) op zijn plaats.

Met betrekking tot de visie van verdachte op de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen daarvan heeft de verdachte niets kenbaar gemaakt, doordat hij om hem moverende redenen niet wenste te verklaren. Wel heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat hij nog niet eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, maar een hogere straf dan door de verdediging is bepleit, nu de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op de persoon van verdachte, de hierna te melden straf meer passend acht.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 10, 27, 47, 91

Opiumwet: artikel 2 en 10

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs F. Oelmeijer, D.C.M. Bomans en W.H.A.J. Poppeliers, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker en R.P. van der Pijl, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op

21 december 2006.