Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ6714

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
06 / 486 AWBZ K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 486 AWBZ K1

Inzake : [eiser en eiseres], wonende te [woonplaats], eisers

tegen : het bestuur van de Stichting Ziekenfonds VGZ, te Eindhoven, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 31 januari 2006,

kenmerk: AWBZ/[eiser].

Datum van behandeling ter zitting: 5 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 8 maart 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

Bij uitspraak van 7 april 2006 is met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is verzet gedaan, welk verzet is behandeld ter terechtzitting van de rechtbank op 20 juli 2006. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 juli 2006 het verzet gegrond verklaard.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 5 oktober 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.F.G. Godart als haar raadsman en waar verweerder zich, zoals schriftelijk aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat de verschuldigde eigen bijdrage in verband met het verblijf van de heer [eiser] in verpleeghuis [naam] ingaande 27 december 2004 is herzien en is vastgesteld op een bedrag van € 1700,00 per maand. Namens eisers is bij brief van 23 mei 2005 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat de bezwaartermijn is overschreden en de door eisers aangevoerde redenen voor de te late indiening naar het oordeel van verweerder niet kunnen worden aangemerkt als verschoonbare redenen. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit van 31 januari 2006 de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij dient de rechtbank zich te beperken tot beantwoording van de vraag of verweerder het bezwaar van eisers terecht niet ontvankelijk heeft verklaard en terecht niet is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van het bezwaar.

Het besluit waartegen het bezwaar van eisers was gericht, is op 8 maart 2005 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt onder vermelding binnen welke termijn door eisers bezwaar kon worden gemaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en ingevolge het bepaalde in artikel 3:41 juncto artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt die termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In het onderhavige geval kon tot en met 19 april 2005 een bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift van eisers dateert van 23 mei 2005. Het bezwaar is derhalve te laat ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In beroep is namens eisers – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Eiseres is extreem belast door de zorg voor haar echtgenoot, die lijdt aan de ziekte van Parkinson en aan dementie. Hierdoor is sprake van een gespannen gemoedstoestand bij eiseres. Ter ondersteuning van deze grond is een verklaring van de huisarts bijgevoegd.

- Eiseres kan niet terugvallen op familie en heeft zelf geen enkele ervaring met het afhandelen van zakelijk correspondentie, omdat dit vroeger altijd door haar echtgenoot werd gedaan.

- Door haar toestand en de onervarenheid op dit gebied is eiseres niet in staat geweest de betekenis van het besluit niet beseft. Daarbij komt dat eiseres is afgegaan op onjuiste informatie van een medewerkster van verweerder. Deze medewerkster heeft haar telefonisch geadviseerd een ongehuwden AOW aan te vragen en heeft desgevraagd expliciet verklaard dat er geen nadelige consequenties aan de omzetting van haar pensioen verbonden waren.

Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank ex artikel 8:55 van de Awb heeft verweerder bij brief van 3 oktober 2006 aangegeven dat uit navraag bij het Zorgkantoor is gebleken dat het Zorgkantoor de verzekerde altijd attendeert op het feit dat een verzekerde met een ongehuwden AOW een hogere eigen bijdrage verschuldigd is en dat het Zorgkantoor zich te allen tijde van advies onthoudt. Volgens verweerder is in het onderhavige geval ook niet aannemelijk gemaakt dat door het Zorgkantoor onjuiste informatie zou zijn gegeven. Daarbij is gewezen op de brief d.d. 23 maart 2005 van de zoon van eiseres, waaruit een en ander niet blijkt. Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat het voor risico van degene komt, die zich op (onjuist gebleken) informatie beroept, indien deze nalaat om ter vermijding van misverstanden ervoor te zorgen dat de (vermeende) mededeling schriftelijk wordt bevestigd. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat onjuiste informatie is verstrekt of dat juridisch bindende toezeggingen zijn gedaan stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het feit dat eiseres zich niet heeft gerealiseerd wat de consequenties van haar aanvraag waren voor de eigen bijdrage AWBZ.

In zijn brief van 1 november 2005 heeft de huisarts J.G.B. Roefs aangegeven dat vanwege de toenemende ziekte en hulpbehoevendheid de verzorging van de heer [eiser] voor eiseres zowel lichamelijk als geestelijk een maximale belasting vormde. In de ogen van de huisarts was eiseres hierdoor zelfs overbelast. Daarbij moest ook de emotioneel zware beslissing worden genomen de heer [eiser] in een verpleeghuis te plaatsen. Gelet op deze verklaring en gezien de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2006 (LJN nr AY8173) acht de rechtbank het verzuim van eisers verschoonbaar. Hetgeen zijdens verweerder naar voren is gebracht doet aan de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet af.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden drie punten (beroepschrift, verzetschrift en de behandeling ter zitting) toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 966,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Stichting Ziekenfonds VGZ;

bepaalt dat de Stichting Ziekenfonds VGZ aan eisers het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. V.P. van Deventer in tegenwoordigheid van F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

evm

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.