Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ5925

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
06 / 1263 WAO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers mate van arbeidsongeschiktheid per die datum is door verweerder vastgesteld op 15 tot 25%.

Voorts verdient opmerking dat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige weliswaar niet alle signaleringen afzonderlijk zijn besproken, nu de opmerkingen over de signaleringen zijn geclusterd voor alle drie geduide functies tezamen, maar -naar het oordeel van de rechtbank- is de toelichting wel dusdanig eenvoudig naar de afzonderlijke signaleringen te herleiden dat dusdoende aan de door de CRvB bedoelde motiveringsplicht voldaan kan worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1263 WAO K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 7 juni 2006,

kenmerk: B&B 592.034.24 ME.

Datum van behandeling ter zitting: 17 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 31 januari 2006, waarin eiser per 12 april 2006 15 tot 25% arbeidsongeschikt wordt geacht, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is namens eiser door mr. C.J.M. Ackermans, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 november 2006, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Ackermans als zijn raadsvrouw, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

Eiser, geboren op [...] 1970, is op 24 maart 1999 met hoofdpijn- en duizeligheidsklachten uitgevallen voor zijn werk als onderhoudsmonteur en vervolgens is eiser per 22 maart 2000 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt geacht in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO).

Eiser is per februari 2004, na een opleiding te hebben gevolgd als werktuigbouwkundig tekenaar, in dienst getreden bij een nieuwe werkgever.

Op 14 april 2004 is eiser opnieuw uitgevallen en per 12 mei 2004 wordt hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd voor de WAO.

Op basis van medisch en arbeidskundig heronderzoek heeft verweerder bij besluit van 2 december 2005 aan eiser meegedeeld dat zijn WAO-uitkering wordt herzien per 3 februari 2006 en dat zijn arbeidsongeschiktheid per die datum vastgesteld is op 15 tot 25%. Bij besluit van 31 januari 2006 is dat besluit vervolgens herzien en is, in afwijking van het besluit van 2 december 2005, waartegen zijdens eiser reeds bezwaar was gemaakt, aan eiser meegedeeld dat zijn uitkering wordt gewijzigd per 12 april 2006. Eisers mate van arbeidsongeschiktheid per die datum is door verweerder vastgesteld op 15 tot 25%.

Tegen het besluit van 31 januari 2006 heeft de gemachtigde van eiser op 15 februari 2006, in aanvulling op het eerdere bezwaar tegen het herziene besluit, een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts op 11 mei 2006 een rapport uitgebracht, waarin hij correcties heeft aangebracht op het advies van de verzekeringsarts en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eiser heeft aangepast.

Na advisering door de bezwaararbeidsdeskundige (bij rapport van 31 mei 2006) heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, waarbij de bezwaren van eiser ongegrond zijn verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld. Eiser is van mening dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat hij niet in staat is om meer dan 20 uur per week te werken. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder ten onrechte de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS).

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Ingevolge het arbeidsongeschiktheidscriterium in de zin van de WAO is -kort gezegd- arbeidsongeschikt degene die als (rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen) gevolg van ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met gelijke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van die wetgeving en zo ja, in welke mate, zijn dus in het bijzonder twee factoren van belang, te weten:

- of de betrokkene medische beperkingen heeft;

- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

De medische beoordeling

Het primaire besluit berust op de bevindingen van verzekeringsarts B. Simons. Deze heeft op basis van de bevindingen uit een gesprek met eiser en informatie van de behandelend artsen van eiser de medische beperkingen van hem vastgesteld.

De voor eiser geldende mogelijkheden en beperkingen heeft hij verwoord in een door hem opgestelde FML van 26 september 2005.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten heeft de bezwaarverzekeringsarts, J.L. Waasdorp, na dossierstudie te hebben verricht en te hebben deelgenomen aan de hoorzitting, een rapport uitgebracht.

Met inachtneming van de door laatstgenoemde artsen (de oogarts, internist en neuroloog) verstrekte informatie komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat de medische beperkingen van eiser op een aantal punten niet juist zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML van eiser aangepast in zijn versie van 12 mei 2006.

De rechtbank heeft - gelet op de voorhanden medische gegevens - geen aanknopingspunten gevonden de bevindingen van voornoemde verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Niet is gebleken dat de klachten van eiser zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd. In ieder geval is niet gebleken dat eiser op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor hem geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten zonder daarbij een urenbeperking in acht te nemen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat aan de eigen beleving van eiser over het al dan niet kunnen werken en de duur daarvan geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden gehecht. Van de kant van eiser zijn geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan een andersluidend oordeel uitgesproken zou moeten worden.

Met de medische gegevens van de behandelend artsen van eiser is in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende rekening gehouden.

Op grond van het vorenstaande moet dan ook worden gezegd dat het bestreden besluit berust op een juiste, althans toereikende, medische grondslag.

De arbeidskundige beoordeling

Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft verweerder gebruik gemaakt van het CBBS. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een aantal op 9 november 2004 gewezen uitspraken geoordeeld dat het CBBS rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO (onder meer rechtspraak.nl, LJN: AR4718). Wel heeft de CRvB een aantal onvolkomenheden in het CBBS aangewezen op het punt van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. De CRvB heeft aangegeven dat deze onvolkomenheden uiterlijk voor besluiten op bezwaar die worden genomen vanaf 1 juli 2005, moeten zijn weggenomen.

Verweerder heeft door middel van een aantal aanpassingen van het systeem beoogd te voldoen aan de eisen zoals die zijn gesteld in de genoemde uitspraken van de CRvB van 9 november 2004. In een uitspraak van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971) heeft de CRvB vervolgens geoordeeld dat verweerder met die aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals die zijn beschreven in de genoemde uitspraken van 9 november 2004, in voldoende mate heeft opgeheven. Wel heeft de CRvB aangegeven dat alle door het systeem aangebrachte signaleringen voorzien dienen te worden van een afzonderlijke toelichting, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.

Arbeidsdeskundige A. van den Broeke heeft op grond van de door de adviserend verzekeringsarts opgestelde FML met behulp van het CBBS functies geduid, die eiser naar het oordeel van verweerder, gelet op de voor hem geldende medische beperkingen, kan vervullen. Voor de schatting zijn de functies van wikkelaar spoelkokers/bestucker, productiemedewerker inpak en chauffeur bestelauto gebruikt. Met het verrichten van deze functies zou eiser een verlies aan verdienvermogen hebben van 15,51 %.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige, P.M.J. Kursten, op basis van de nadere medische beoordeling en de nieuwe FML geconcludeerd dat functie 2 en 4, zoals geduid door de arbeidsdeskundige, niet passend zijn. Daarop heeft hij de arbeidsmogelijkhedenlijst aangepast en de functies wikkelaar spoelkokers, chauffeur bestelauto en monteur-samensteller geselecteerd. Het verlies aan verdiencapaciteit heeft hij vervolgens herberekend en komt nu uit op 19,42%. De bezwaararbeidsdeskundige ziet daarmee geen reden de eerder bij de primaire beoordeling vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te herzien, nu de indeling in de klasse 15 tot 25% gelijk is gebleven. De laatst geduide functies zijn volgens verweerder aan te merken als algemeen geaccepteerde arbeid. Met genoemde conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige en verweerder kan de rechtbank instemmen.

De rechtbank voegt daaraan toe dat ten aanzien van de functies die aan de onderwerpelijke schatting ten grondslag liggen, de wijze waarop het gewijzigde CBBS is toegepast in dit geval in overeenstemming is met de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Zij overweegt hiertoe dat, in overeenstemming met de eerdergenoemde uitspraak van 12 oktober 2006 van de CRvB, alle door het systeem aangebrachte signaleringen zijn voorzien van een toelichting. Dit is gedeeltelijk gebeurd middels een toelichting van de verzekeringsarts bij de FML en gedeeltelijk middels het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2006. Ten aanzien van de bedoelde toelichtingen bij de FML van de verzekeringsarts merkt de rechtbank op dat die zodanig geformuleerd zijn dat daarmee tevens duidelijk wordt waarom de daarmee corresponderende signaleringen bij de individuele functies niet in de weg staan aan de geschiktheid van eiser voor die functies. Deze kunnen derhalve op één lijn worden gesteld met de door de CRvB bedoelde afzonderlijke toelichtingen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat haar niet gebleken is van verstopte beperkingen als bedoeld in meergenoemde uitspraak van 12 oktober 2006. Voorts verdient opmerking dat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige weliswaar niet alle signaleringen afzonderlijk zijn besproken, nu de opmerkingen over de signaleringen zijn geclusterd voor alle drie geduide functies tezamen, maar -naar het oordeel van de rechtbank- is de toelichting wel dusdanig eenvoudig naar de afzonderlijke signaleringen te herleiden dat dusdoende aan de door de CRvB bedoelde motiveringsplicht voldaan kan worden geacht.

Gezien het voorgaande is beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 28 december 2006

rv

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.