Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ5921

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
06 / 1131 WWB K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de verplichte bijdrage ter zake van schuldsanering (WSNP) geen noodzakelijke kosten zijn: geen bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1131 WWB K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 6 juni 2006,

kenmerk: 106717.

Datum van behandeling ter zitting: 23 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2006 waarbij het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de minimale bijdrage voor de schuldsanering (boedelbijdrage) is afgewezen, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is namens eiser door mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gemachtigde gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 november 2006, waar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Verstraten. Verder is ter zitting verschenen eisers bewindvoerder mevrouw A.T.M. Brekelmans. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F.M. Brouns.

II. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de WWB. Op 19 oktober 2005 heeft de rechtbank te Roermond ten aanzien van eiser de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ingevolge de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) uitgesproken. Vervolgens heeft eisers bewindvoerder verweerder bij brief van 2 december 2005 verzocht haar mee te delen of eiser in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor de verplichte minimale bijdrage ter zake van de schuldsanering ad € 44,63. Dit bedrag wordt op eisers uitkering ingehouden en rechtstreeks aan de bewindvoerder betaald.

Op 26 januari 2006 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren tegen dit besluit onder verwijzing naar de artikelen 13, 15 en 35 van de WWB ongegrond verklaard. Daarbij is –kort samengevat- overwogen dat het bepaalde in artikel 320, zevende lid, van de Faillissementswet dient te worden gezien als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de in het geding zijnde kosten niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB nu eiser uit vrije wil kiest voor het WSNP traject.

Tot slot overweegt verweerder dat bij een eventuele verstrekking van bijzondere bijstand deze op grond van artikel 295, tweede lid, van de Faillissementswet weer in de WSNP- boedel valt, waarmee eiser in feite bijstand vraagt ter aflossing van een schuldenlast hetgeen op grond van artikel 13, eerste lid onder f van de WWB niet mogelijk is.

In beroep is namens eiser –onder meer- aangevoerd dat verweerders standpunt dat eisers WWB-uitkering onder het bewind valt onjuist is. Deze valt slechts onder het bewind voor zover deze het vrij te laten bedrag overstijgt. Eisers inkomen ligt beneden de beslagvrije voet, waarmee vaststaat dat eiser geen financiële ruimte heeft om aan zijn verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling te voldoen.

Eiser stelt voorts in het kader van de door verweerder gestelde vrijwilligheid dat de rechtbank wel degelijk beoordeelt of de WSNP noodzakelijk is. Zou deze niet noodzakelijk zijn dan zou de rechtbank deze niet uitspreken. Toelating is alleen mogelijk door een verzoek van degene die de schulden heeft. Het feit dat de schuldenaar zelf toelating tot de WSNP dient te vragen betekent niet dat hij dit vrijwillig doet. De bestaande schuldenlast is zodanig dat de schuldenaar geen betalingen meer kan doen en op grond daarvan in de gelegenheid wordt gesteld de WSNP aan te vragen.

Namens eiser is in bezwaar verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2001 (LJN: AD3836) waarin wordt geoordeeld dat met de beschikking van de kantonrechter de noodzaak tot onderbewindstelling is gegeven, waarna de uit de bewindvoering voortkomende kosten worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij de aanvraag is een verklaring van de gemeente nodig waaruit blijkt dat de gemeente heeft onderzocht of een buitengerechtelijke sanering tot de mogelijkheden behoort. De kosten van het minnelijke schuldsaneringstraject liggen bij de gemeente. Indien dit mislukt of niet mogelijk blijkt te zijn zal een wettelijk traject in de vorm van de WSNP worden nagestreefd.

Tot slot wordt nogmaals een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel waarbij wordt verwezen naar vergelijkbare zaken waarbij door verweerder wél het salaris van de bewindvoerder als noodzakelijke kosten is aangemerkt, waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend.

In het verweerschrift handhaaft verweerder het eerder ingenomen standpunt. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt opgemerkt dat aan anderen wel bijzondere bijstand voor de thans gevraagde kosten is toegekend. Nu dit ten onrechte en abusievelijk, op basis van onvoldoende onderzoek, is gebeurd kan dit er niet toe leiden dat die fout bij eiser wordt herhaald.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten te voorzien, geen recht op bijstand.

In artikel 5, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder bijstand wordt verstaan: algemene en bijzondere bijstand.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht toereikend en passend te zijn.

Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijk kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Voor zover eiser stelt dat geen bijzondere bijstand wordt gevraagd voor gedeeltelijke aflossing van zijn schuldenlast maar voor het betalen van het bewindvoerderssalaris overweegt de rechtbank dat de WNSP is gericht op het afbetalen van schulden. Vast staat dat eiser ten tijde van het ontstaan van de schuld een bijstandsuitkering ontving. Hij beschikte toen over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB staat daarom aan het verlenen van bijzondere bijstand in de weg.

De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van noodzakelijke kosten nu het in casu gaat om een bewindvoerder die gerelateerd is aan een vrijwillige aanvraag om sanering van de schuldenlast, die enkel in het voordeel van de betrokkene is. Dit in tegenstelling tot een door de kantonrechter in het kader van zijn bevoegdheid tot beoordeling en vaststelling van de noodzaak tot beschermingsbewindvoering gegeven beschikking tot onderbewindstelling, met de daarbij behorende bevoegdheid tot vaststelling van de beloning van de bewindvoerder.

Met betrekking tot de stelling dat eiser door het betalen van de kosten voor bewindvoerdering onder het bestaansminiumum komt, overweegt de rechtbank dat eiser na afloop van de schuldsaneringsperiode met een schone lei kan starten en van zijn schulden bevrijd zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat om dit doel te bereiken van eiser mag worden gevraagd om de hierbij behorende financiële nadelen gedeeltelijk zelf te dragen. Ook in dit kader kan er naar het oordeel van de rechtbank niet aan worden voorbijgegaan dat eiser het schuldsaneringstraject vrijwillig is ingegaan, waarbij overigens niet is gezegd dat eiser ook vrijwillig terecht is gekomen in een situatie waarin hij schulden heeft opgebouwd.

Op grond van voorgaande overwegingen concludeert de rechtbank dat hetgeen namens eiser is aangevoerd onvoldoende aanleiding geeft om aan te nemen dat er in eisers geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de daaruit voortvloeiende kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking dienen te worden gebracht.

De rechtbank is verder, met verweerder, van oordeel dat er geen sprake is van zeer dringende redenen, als bedoeld in artikel 16, van de WWB, die nopen tot bijstandsverlening.

Gelet op het vorenoverwogene dient eisers beroep voor ongegrond te worden gehouden. Hetgeen overigens namens eiser is aangevoerd heeft niet tot een ander oordeel geleid. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert, in tegenwoordigheid van

C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 december 2006

RR

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.