Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ5743

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
08-01-2007
Zaaknummer
06 / 1472 WIA K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een vervolg op AZ3113 mbt de eisen aan onderzoek door een verzekeringsarts en herstel van geconstateerde gebreken in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1472 WIA K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 21 juli 2006,

kenmerk: B&B 614.085.24 YD.

Datum van behandeling ter zitting: 24 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef genoemde besluit van 21 juli 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 april 2006 inzake de toepassing van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeid (Wet WIA) ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is namens eiser door mr. J.T.R. Lucassen, advocaat en procureur te Venlo, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden. Vervolgens heeft zowel de gemachtigde van eiser als verweerder nog nadere stukken aan de rechtbank toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 24 november 2006, waar eiser en zijn gemachtigde mr. Lucassen, voornoemd, zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Eiser, geboren op [...] 1964, is laatstelijk werkzaam geweest bij [werkgever] BV als productiemedewerker. Sedert 10 december 2001 ontvangt eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 26 april 2004 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld ten gevolge van fysieke klachten.

Op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 3 april 2006 geweigerd om eiser ingaande 24 april 2006 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen, omdat eiser per die datum in staat is om meer dan 65% te verdienen van zijn maatmaninkomen per uur.

Hiertegen is namens eiser bezwaar gemaakt waarbij eiser zich op het standpunt stelt dat hij gelet op zijn medische beperkingen niet in staat is de geduide werkzaamheden te verrichten. Voorts acht eiser een urenbeperking aanwezig en heeft eiser een afsprakenkaart van dr. Frederiks, neuroloog, een afsprakenkaart van dr. Pernot, revalidatiearts, en een aanvraagformulier voor behandeling in het Laurentius Ziekenhuis te Roermond overgelegd. Vervolgens heeft er een hoorzitting plaatsgevonden waarbij eiser zijn standpunt mondeling heeft toegelicht.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts opnieuw een rapport uitgebracht. Op basis hiervan heeft verweerder bij besluit van 21 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

In beroep hiertegen wordt namens eiser gesteld dat hij zijn in bezwaar ingenomen standpunt handhaaft. Voorts voelt eiser zich ernstiger beperkt dan door verweerder is aangenomen en kan hij zich niet verenigen met de stelling van de bezwaarverzekeringsarts dat er sprake is van een stabiele eindsituatie. Hierbij heeft eiser onder meer een brief van oefentherapeut L. Hebben overgelegd. Tenslotte is eiser bereid om bij twijfel aan de juistheid van het bestreden besluit zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door een eventueel door de rechtbank te benoemen deskundige.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Ingevolge het arbeidsongeschiktheidscriterium van de Wet WIA is -kort gezegd-:

A. gedeeltelijk arbeidsgeschikt, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur;

B. volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Onder voormeld begrip arbeid wordt in de Wet WIA verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, en onder maatmaninkomen wordt verstaan: hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge de Wet WIA vindt de vaststelling van de mate van arbeids(on)geschiktheid plaats op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waarvan de strekking en vereisten zijn omschreven in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Uit het voorgaande volgt dat de rechterlijke toetsing van de arbeids(on)geschiktheidsvaststelling in het bijzonder is gericht op beantwoording van de volgende vragen:

- of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de geldende eisen en of de functionele mogelijkheden en beperkingen van de betrokkene daarbij juist zijn vastgesteld;

- of daaraan in het arbeidskundig onderzoek de juiste conclusies zijn verbonden over de mate waarin de betrokkene in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

De beoordeling van de medische aspecten

Het primaire besluit berust mede op de bevindingen van arts B. de Veen. Deze heeft op basis van eigen onderzoek(en) en dossieronderzoek de medische beperkingen van eiser vastgesteld. De geldende mogelijkheden en beperkingen zijn verwoord in de opgestelde FML. Naar aanleiding van het bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen opnieuw een rapport uitgebracht. De bezwaarverzekeringsarts komt tot de conclusie dat er geen overtuigende argumenten bestaan, althans op medische inhoudelijke gronden, om tot een andere conclusie dan de Veen te komen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan de wettelijke eisen voldoet. In een op 28 november 2006 gewezen uitspraak (LJN-nr. AZ3113) heeft deze rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, gelet op de WAO, het schattingsbesluit en de in die uitspraak genoemde jurisprudentie, dient te worden uitgevoerd door een verzekeringsarts. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat wanneer er in eerste instantie sprake is geweest van onderzoek door een arts, zijnde geen verzekeringsarts, het rapport van deze arts niet is mede-ondertekend door een geregistreerd verzekeringsarts, er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en de bezwaarverzekeringsarts zich heeft beperkt tot dossierstudie, de medische advisering het bestreden besluit niet kan dragen.

In casu is er sprake van een beoordeling in het kader van de Wet WIA. In artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA is uitdrukkelijk bepaald dat de beoordeling van de mate van arbeids(on)geschiktheid wordt gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De strekking en vereisten daarvan zijn omschreven in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Ook uit artikel 6, zesde lid, van de Wet WIA blijkt dat beoordeling van het recht op arbeidsongeschiktheid gebaseerd wordt op onderzoek door een verzekeringsarts.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat in dit geval de medische beoordeling in eerste instantie heeft plaatsgevonden door een arts, zijnde geen verzekeringsarts. Deze arts is, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld, in opleiding tot verzekeringsarts. Voorts stelt de rechtbank vast dat de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig is geweest en dat deze eiser ten tijde van de hoorzitting heeft geobserveerd. Voorts heeft er na afloop van de hoorzitting een (fysiek) onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts plaatsgevonden in zijn spreekkamer en heeft deze dossierstudie verricht.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank, anders dan de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, dat het vorenstaande gebrek in de bezwaarfase is hersteld doordat er alsnog een compleet verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden in de vertrouwelijkheid van de spreekkamer.

De rechtbank heeft - gelet op alle voorhanden medische gegevens - geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van voormeld verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De informatie van de behandelende sector is uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken dat de klachten van eiser zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. In ieder geval is niet gebleken dat eiser op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor hem geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de rechtbank aan de eigen beleving van eiser over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis kan en mag toekennen. Eiser heeft geen gegevens overgelegd, waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door verweerder is aangenomen. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden in hetgeen door eiser is aangevoerd om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Op grond van het vorenstaande moet dan ook worden gezegd dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag.

De beoordeling van de arbeidskundige aspecten

Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft verweerder gebruik gemaakt van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een aantal op 9 november 2004 gewezen uitspraken geoordeeld dat het CBBS rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid (onder meer rechtspraak.nl, LJN: AR4718). Wel heeft de CRvB een aantal onvolkomenheden in het CBBS aangewezen op het punt van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. De CRvB heeft aangegeven dat deze onvolkomenheden uiterlijk voor besluiten op bezwaar die worden genomen vanaf 1 juli 2005, moeten zijn weggenomen.

Het arbeidskundige onderdeel van het bestreden besluit, dat is genomen na 1 juli 2005, steunt op een rapport van de (bezwaar)arbeidsdeskundige met het daarbij behorende Resultaat Functiebeoordeling. Het Resultaat Functiebeoordeling vloeit voort uit een aanpassing in het CBBS-systeem waarmee verweerder heeft beoogd te voldoen aan de eisen zoals die zijn gesteld in de genoemde uitspraken van de CRvB van 9 november 2004. In een aantal op 12 oktober 2006 gewezen uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat verweerder met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals die zijn beschreven in de genoemde uitspraak van 9 november 2004, in voldoende mate heeft opgeheven (onder meer rechtspraak.nl, LJN: AY9971). Voorts heeft de CRvB geoordeeld dat alle door het systeem aangebrachte signaleringen dienen te worden voorzien van een afzonderlijke toelichting, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn. Overigens zal een motivering niet in alle gevallen steeds even uitvoerig behoeven te zijn.

De rechtbank is, gelet op de uitspraak van 12 oktober 2006, van oordeel dat ten aanzien van de functies die aan het onderwerpelijke schattingsbesluit ten grondslag liggen, de wijze waarop het gewijzigde CBBS is toegepast in dit geval in overeenstemming is met de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid en overweegt hiertoe als volgt.

Echter eerst bij rapportage van 17 november 2006 heeft gemachtigde van verweerder Huijs, voornoemd, als aanvulling op het bestreden besluit, in overeenstemming met de uitspraak van 12 oktober 2006, alle door het systeem aangebrachte signaleringen voorzien van de vereiste afzonderlijke toelichting. Dit betekent, zo is de rechtbank van oordeel, dat pas in de beroepsfase de hiervoor gewenst geachte onderbouwing, toelichting en / of motivering is gegeven.

Arbeidsdeskundige A. van den Broeke heeft op grond van de door de adviserend arts opgestelde FML met behulp van het CBBS functies geduid, die eiser naar het oordeel van verweerder, gelet op de voor hem geldende medische beperkingen kan vervullen. Voor de schatting zijn de functies van monteur loopwerken, soldering technician en monteur als uitgangspunt genomen. De geduide functies zijn volgens verweerder aan te merken als algemeen geaccepteerde arbeid. Daarmee kan dezerzijds worden ingestemd. De rechtbank is van oordeel dat de wijze en het eindresultaat van de arbeidskundige beoordeling in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen.

Met het verrichten van hiervoor genoemde functies zou eiser geen verlies aan verdienvermogen hebben.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit op goede grond heeft geconcludeerd dat eiser op en na 24 april 2006 in staat is om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur te verdienen. De weigering van de uitkering van eiser ingevolge de Wet WIA met ingang van genoemde datum moet dan ook voor juist worden gehouden.

Gelet op het hiervoor overwogene met betrekking tot de gewenst geachte onderbouwing, toelichting en / of motivering in de beroepsfase moet zulks tot de conclusie leiden dat ex-tunc toetsend, het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat thans voldoende aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser om toekenning van schadevergoeding overweegt de rechtbank dat dit niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 2,00 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1,00.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. A.M. Schmeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 december 2006

RR

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.