Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ3458

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
05-12-2006
Zaaknummer
75694 / JE RK 06 - 975
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling ondanks afwijkend advies Stichting bureau jeugdzorg Limburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaak-/rolnummer: 75694 / JE RK 06-975.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006.

B E S C H I K K I N G

van de kinderrechter in de rechtbank Roermond

op het op 15 september 2006 ingediende verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming, mede kantoorhoudende te Roermond, tot verlenging van de ondertoezichtstelling van:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [vader],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- familie [pleeggezin],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

mede kantoorhoudende te 5804 BV Venray,

Noorderhof 14.

Het gezag wordt uitgeoefend door [pleegmoeder].

1. Het verloop van de procedure

De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de stichting voornoemd. De ondertoezichtstelling loopt tot 22 oktober 2006.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, daartoe strekkende dat de duur van de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt verlengd voor de periode van één jaar.

Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

Op 17 oktober 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- [moeder],

- mevrouw [pleegmoeder],

- de gezinsvoogd van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

- mevrouw [M.], vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming.

2. Vaststellingen en overwegingen

2.1 Mevrouw [M.] heeft aangevoerd dat de raad voor de kinderbescherming een beëindiging van de ondertoezichtstelling nog te vroeg vindt. In de beschikking van de rechtbank d.d. 5 april 2006 inzake ontheffing en toewijzing van de voogdij aan de pleegmoeder mevrouw [pleegmoeder] komt naar voren dat het gevaar van belangenverstrengeling kan worden ondervangen indien de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft. De raad acht een periode van 6 maanden te kort om te kunnen vaststellen of aan de voorwaarden is voldaan.

2.2 De gezinsvoogd heeft aangegeven dat er geen gronden meer zijn om de ondertoezichtstelling te verlengen. Alle drie kinderen verblijven ruim drie jaar in het pleeggezin van mevrouw [pleegmoeder], het gaat heel goed met hen. Daarnaast is er ook een goede band tussen pleegmoeder en moeder hetgeen in het belang is van de kinderen. De gezinsvoogd ziet hierin geen belangenverstrengeling. De activiteiten van de gezinsvoogd zijn sinds mevrouw [pleegmoeder] tot voogdes is benoemd in april 2006 minimaal geweest. Pleegmoeder heeft altijd alle medewerking en openheid gegeven aan de gezinsvoogd. Pleegmoeder ziet heel scherp wat de kinderen nodig hebben en als er iets is wat pleegmoeder hen niet kan bieden dan zal zij daar hulp voor zoeken.

2.3 Moeder heeft aangevoerd dat de kinderen goed op hun plaats zijn in het pleeggezin. Daarnaast wordt moeder niet buitengesloten en dat vindt zij heel belangrijk voor haar kinderen. Moeder heeft gesteld dat zij het nut van een verlenging van de ondertoezichtstelling niet ziet. Zij heeft gesteld dat er nooit sprake van een belangenverstrengeling is geweest. De kinderen blijven op de eerste plaats staan.

2.4 Mevrouw [pleegmoeder] is van mening dat de verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig is. Zij heeft gesteld dat de raad voor de kinderbescherming nog nooit bij haar is komen kijken om te controleren hoe het met de kinderen gaat.

2.5 Gelet op de voorhanden gedingstukken, waaronder met name de beschikking van de rechtbank d.d. 5 april 2006, en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling is aangewezen.

Er is in casu sprake van een specifieke situatie. Mevrouw [pleegmoeder] is met de minderjarige in contact gekomen op grond van het feit dat zij is verbonden aan de Stichting [naam], een Stichting die zich beroepsmatig bezig houdt met de opvang van kinderen. Het betreft derhalve geen ‘reguliere’ pleegouder/voogdesrelatie maar een relatie die voortspruit uit de beroepsmatige bezigheden van mevrouw [pleegmoeder] bij genoemde Stichting. Het is op grond van het vorenstaande dat de kinderrechter van oordeel is dat in het belang van de minderjarige een gezinsvoogd betrokken dient te blijven bij de opvoeding en verzorging van de minderjarige. De kinderrechter acht het in de beschikking d.d. 5 april 2006 van de rechtbank aangevoerde argument dat “de gezinsvoogd ervoor kan waken dat in de uitoefening van het gezag geen belangenverstrengeling ontstaat en dat de gezinsvoogd zonodig optreedt mocht dit onverhoeds wel het geval zijn” nog immer van kracht.

Het vorenstaande houdt geen (dis)kwalificatie in van de pedagogische kwaliteiten van mevrouw [pleegmoeder]. Integendeel: direct betrokkenen zijn zeer te spreken over de opvoedkundige kwaliteiten van de voogdes en de zorg die zij de minderjarige biedt.

Mitsdien wordt beslist als hierna bepaald.

BESLISSING

De kinderrechter:

verlengt de termijn waarvoor de minderjarige voornoemd onder toezicht is gesteld van voormelde stichting, met één jaar, ingaande 22 oktober 2006;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2006 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: SD/etol

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.