Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ2572

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
17-11-2006
Zaaknummer
04/660226-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De vraag is gerezen of er sprake is geweest van zodanige feiten en omstandigheden dat verdachte er op mededelingen van de officier van justitie op heeft mogen vertrouwen dat hij niet voor het verleden zou worden vervolgd. Dat lijkt niet ondenkbeeldig.

De rechtbank heeft verdachte evenwel niet nader kunnen horen omdat hij ter terechtzitting verstek heeft laten gaan. De officier van justitie uitdrukkelijk heeft verklaard . Aan een schriftelijke mededeling van de officier van justitie dat verdachte niet is aangesproken op zijn persoonlijk handelen of nalaten met betrekking tot zijn pand en dat er evenmin is gesproken over zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gedragingen of nalaten in het verleden in welke hoedanigheid dan ook,komt thans zodanig gewicht toe dat niet kan worden geoordeeld dat verdachte erop mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd voor strafbare feiten met betrekking tot zijn pand door hem begaan vóór 29 maart 2004.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 primair is ten laste gelegd. De rechtbank acht in het bijzonder onvoldoende bewijs voorhanden voor het feit dat verdachte in het tijdvak van 1 maart 1999 tot en met 23 november 2004 als medepleger betrokken zou zijn bij - kort gezegd - de handel in softdrugs. De afstand tussen verdachte als verhuurder van het pand en degene(n) die mogelijk vanuit het pand in softdrugs hebben gehandeld is dermate groot dat in deze situatie niet gesproken kan worden van medeplegen.

Ten aanzien van het sub 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat uit het dossier naar voren komt dat het pand [adres 1][adres 2] voornamelijk in gebruik lijkt te zijn geweest als coffeeshop. Op geen van de cruciale momenten in het dossier is gebleken dat verdachte zodanige betrokkenheid had bij de drugsgerelateerde activiteiten vanuit het pand of zodanige kennis had van die activiteiten en daarvan vervolgens geen afstand nam, dat hij als medeplichtige kan worden veroordeeld.

Nu verdachte geen wetenschap had van substantiële handel in softdrugs in het betreffende pand, zoals hierboven uiteen is gezet, kan er geen sprake zijn van heling, zodat ook dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

Verdachte moet eveneens van het sub 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het sub 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank, dat zo er al sprake geweest zou zijn van gelden uit de handel in verdovende middelen vanuit het betreffende pand, zulks slechts zou kunnen gelden voor de huurpenningen over de periode na oktober 2004. Niet blijkt dat in november 2004 huurpenningen zijn ontvangen door verdachte, nog daargelaten òf hij voldoende wetenschap zou hebben gehad dat dat afkomstig was uit die handel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/660226-04

Uitspraak d.d. : 27 oktober 2006

VERSTEK (dagvaarding niet in persoon betekend)

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [straatnaam]

plaats : [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland)

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 oktober 2006.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 1999 tot en met 23 november 2004 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht of

afgeleverd of verstrekt of vervoerd of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Art. 3 juncto 11 van de Opiumwet.

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

[dader 1] en/of [dader 2] en/of [dader 3] en/of [dader 4] en/of een of meer ander(en), meermalen althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 maart 1999 tot en met 23 november 2004 in de gemeente Venlo,

vanuit de/het pand(en) [adres 1] en/of [adres 2] in de gemeente Venlo, opzettelijk hebben/heeft

verkocht of afgeleverd of verstrekt of vervoerd of aanwezig hebben/heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk(e) misdrijven/misdrijf hij, verdachte, toen aldaar

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of (een) middel(en) heeft verschaft, door die/dat pand(en) [adres 1] en/of [adres 2], althans een of meer kamer(s) van die/dat pand(en) te verhuren althans te doen of laten onderverhuren, in elk geval ter beschikking te stellen aan die [dader 1] en/of die [dader 2] en/of die [dader 3] en/of die [dader 4] en/of die ander(en);

Art. 3 juncto 11 van de Opiumwet juncto 48 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

hij, meermalen althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 maart 1999 tot en met 13 december 2001 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) door misdrijf verkregen hoeveelheid geld (afkomstig van de handel in verdovende middelen vanuit de/het pand(en) [adres 1] en/of [adres 2] te Venlo) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat geld (telkens) wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (telkens) (een) door misdrijf verkregen hoeveelheid

geld betrof;

Art. 416 subs 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

3.

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 23 november 2004, in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, meermalen althans eenmaal (telkens) een voorwerp, te weten (telkens) een hoeveelheid geld, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten de handel in verdovende middelen vanuit de/het

pand(en) [adres 1] en/of [adres 2] te Venlo;

Art. 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor wat betreft de periode vóórdat het zogenaamde opmaatgesprek d.d. 29 maart 2004 tussen enerzijds de coördinator bestuurlijke handhaving van de gemeente Venlo en de officier van justitie mr. Clarijs en anderzijds verdachte plaatsvond. De vraag is namelijk gerezen of er sprake is geweest van zodanige feiten en omstandigheden dat verdachte er op mededelingen van de officier van justitie op heeft mogen vertrouwen dat hij niet voor het verleden zou worden vervolgd.

Met het oog op het onderzoek ter terechtzitting en de door de rechtbank te beantwoorden vraag van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering is op grond van artikel 258, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering vóór de terechtzitting een aantal vragen aan de zittingsofficier van justitie voorgelegd, die door mr. Clarijs zijn beantwoord.

Uit het verslag van dat gesprek blijkt dat de aanleiding voor dat gesprek en voor de uitnodiging van verdachte is geweest dat er vanuit zijn pand in drugs werd gehandeld c.q. drugs in dat pand waren aangetroffen. In het gesprek is de bedoeling van het zogenaamde plan Hektor - waarover nader meer - nogmaals weergegeven. Vervolgens, zo vervolgt het verslag, "bent u aangesproken op uw verantwoordelijkheid als eigenaar, waarbij is aangekondigd, dat in geval van voortzetting van het drugsgerelateerd gebruik van het pand, naast een verdergaande bestuurlijke reactie zijdens de gemeente volgend op eerdere bestuurlijke waarschuwingen en sluitingen op grond van overlastbepalingen, tevens strafrechtelijk tegen u wordt opgetreden en financiële ontneming plaatsvindt."

Bedoeld plan Hektor, waarvan een brochure in het dossier is opgenomen, betreft een samenwerking tussen gemeente Venlo, justitie, politie, belastingdienst en private partners teneinde de overlast en criminaliteit die samenhangt met de handel in softdrugs te bestrijden.

Voor wat betreft de huiseigenaren wordt het volgende opgemerkt in de brochure.

"Zij waren in het verleden bijna uitsluitend onderwerp van bestuurlijke aandacht, meestal in aansluiting op strafrechtelijke aanpak. In feite faciliteren zij de drugscriminaliteit. Daarom is eind 2001 beleid geformuleerd met betrekking tot de wijze waarop in zijn algemeenheid huiseigenaren rechtstreeks in strafrechtelijke trajecten betrokken kunnen worden. Dit kan een belangrijke bijdrage gaan leveren aan de bestrijding van drugscriminaliteit. Indien het lukt door straf(proces)rechtelijke druk een pand te onttrekken aan het criminele drugsmilieu, kan dat een "final solution" genoemd worden".

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de onder de feiten 1 tot en met 3 ten laste gelegde periode regelmatig door de gemeente is geïnformeerd over bestuurlijke maatregelen ten laste van zijn pand, alsmede regelmatig zelf voorwerp is geweest van die bestuurlijke maatregelen.

Op 6 januari 2005 heeft verdachte over het opmaatgesprek d.d. 29 maart 2004 verklaard dat hem toen duidelijk werd meegedeeld dat er wederom drugs in zijn pand waren aangetroffen en dat hij werd gewaarschuwd dat zijn pand in beslag genomen zou worden "als ik door zou gaan c.q. toe zou laten dat de drugshandel daar door ging".

Indien deze gememoreerde feiten en omstandigheden in chronologische volgorde worden bekeken en gewogen, lijkt het bepaald niet ondenkbeeldig - mede gezien de verklaring van verdachte daaromtrent - dat bij hem de indruk kan zijn ontstaan - mede gezien zijn medewerking aan bepaalde bestuurlijke maatregelen in het verleden - dat hij slechts en serieus rekening moest houden op een strafrechtelijke vervolging voor zijn "aandeel" in de softdrugshandel vanuit zijn pand voorzover die na 29 maart 2004 zou blijken te hebben plaatsgevonden. In die zin was het dan ook een "opmaat" gesprek; de bestuurlijke aanpak, ook richting verdachte, had lang genoeg geduurd, nu zou de strafrechtelijke aanpak van hem kunnen gaan plaatsvinden met als "final solution" inbeslagneming van zijn pand.

Evenwel heeft de rechtbank zelf verdachte daaromtrent niet nader kunnen horen omdat hij ter terechtzitting verstek heeft laten gaan. Terwijl de bij dat gesprek aanwezige officier van justitie uitdrukkelijk heeft verklaard dat verdachte niet is aangesproken op zijn persoonlijk handelen of nalaten met betrekking tot zijn pand en dat er evenmin is gesproken over zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gedragingen of nalaten in het verleden in welke hoedanigheid dan ook.

Aan die schriftelijke mededeling van de officier van justitie komt thans zodanig gewicht toe dat niet kan worden geoordeeld dat verdachte erop mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd voor strafbare feiten met betrekking tot zijn pand door hem begaan vóór 29 maart 2004.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2006 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder 1 subsidiair en het onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 primair is ten laste gelegd. De rechtbank acht in het bijzonder onvoldoende bewijs voorhanden voor het feit dat verdachte in het tijdvak van 1 maart 1999 tot en met 23 november 2004 als medepleger betrokken zou zijn bij - kort gezegd - de handel in softdrugs. De afstand tussen verdachte als verhuurder van het pand en degene(n) die mogelijk vanuit het pand in softdrugs hebben gehandeld is dermate groot dat in deze situatie niet gesproken kan worden van medeplegen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het in casu in een ten laste gelegde periode van ruim 51/2 jaar slechts betreft twee verkopen van meer dan 30 gram softdrugs (zijnde op 7 september 2001 en 26 oktober 2004) en voorts dat op vier momenten in genoemde periode sprake is geweest van de aanwezigheid van forse hoeveelheden softdrugs (zijnde op 22 juni 2000, op 18 februari 2002, op 12 februari 2004 en op 27 oktober 2004).

Ten aanzien van het sub 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat uit het dossier naar voren komt dat het pand [adres 1][adres 2] voornamelijk in gebruik lijkt te zijn geweest als coffeeshop. De controles van de overwegend Duitse bezoekers van het pand leverden vrijwel altijd zogenaamde gebruikers hoeveelheden op. Slechts twee keer is vastgesteld dat er verkopen hebben plaatsgevonden van meer dan 30 gram softdrugs. Dat was op 07 september 2001 en op 26 oktober 2004. Voorts zijn bij doorzoekingen in het pand op vier momenten meer dan 30 gram softdrugs aangetroffen. Deze vondsten werden door de politie gedaan op 22 juni 2000, 18 januari 2002, 12 februari 2004 en op 27 oktober 2004. Voorts is uit het dossier af te leiden dat de verdachte in de ten laste gelegde periode niet in het pand heeft gewoond. De verdachte had het pand met ingang van 1 maart 1999 verhuurd aan [dader 1]. Deze heeft het pand op zijn beurt weer onderverhuurd. Niet gebleken is dat de verdachte zelf de hand in deze onderverhuur heeft gehad. Nadat de verdachte door de gemeente op de hoogte wordt gesteld van de sluiting voor de duur van 6 maanden van zijn pand met ingang van 20 april 2000 heeft hij getracht om de huurder [dader 1] uit het pand te krijgen. Dit is uiteindelijk via een gerechtelijke procedure gelukt omstreeks maart 2002. Vervolgens heeft de verdachte het pand verhuurd aan [dader 3]. In de daarop volgende periode blijft het rustig rond het pand mede omdat het pand voor de duur van een jaar door de gemeente is gesloten. Eerst op 12 februari 2004 worden bij een controle in het pand softdrugs in een hoeveelheid van meer dan 30 gram aangetroffen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte in de periode vanaf maart 2002 weet heeft gehad van de drugsgerelateerde activiteiten van de verschillende gebruikers van het pand. Pas in het "opmaat" gesprek van 29 maart 2004 is de verdachte door de officier van justitie en de coördinator bestuurlijke handhaving gemeente Venlo nadrukkelijk aangekondigd dat bij voortzetting van het drugsgerelateerd gebruik van het pand niet alleen bestuurlijk maar ook strafrechtelijk tegen hem zal worden opgetreden. Naar aanleiding van het "opmaat" gesprek heeft de verdachte de huurder [dader 4] op de verkopen aangesproken, die hem vertelde dat een werknemer kennelijk had verkocht. [dader 4] zei toe deze te ontslaan. Vervolgens is eind oktober 2004 gebleken dat er vanuit het pand softdrugs werden verkocht, waarna bij een doorzoeking op 27 oktober 2004 ruimschoots meer dan 30 gram softdrugs werd aangetroffen. Het onderzoek dat vervolgens heeft plaatsgevonden heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling van de huurder [dader 4] voor het (kort gezegd) medeplegen van softdrugshandel in de periode 1 oktober 2004 tot en met 26 oktober 2004. Daarna werd eind november 2004 het pand door de gemeente gesloten.

Op geen van de cruciale momenten in het dossier is gebleken dat verdachte zodanige betrokkenheid had bij de drugsgerelateerde activiteiten vanuit het pand of zodanige kennis had van die activiteiten en daarvan vervolgens geen afstand nam, dat hij als medeplichtige kan worden veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 subsidiair is ten laste gelegd.

Verdachte moet van het sub 1 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het sub 2 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel, nu verdachte geen wetenschap had van substantiële handel in softdrugs in het betreffende pand, zoals hierboven uiteen is gezet, dat geen sprake kan zijn van heling, zodat ook dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

Verdachte moet eveneens van het sub 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het sub 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank, dat zo er al sprake geweest zou zijn van gelden uit de handel in verdovende middelen vanuit het betreffende pand, dat gelet op het hiervoor overwogene, zulks slechts zou kunnen gelden voor de huurpenningen over de periode na oktober 2004. Niet blijkt dat in november 2004 huurpenningen zijn ontvangen door verdachte, nog daargelaten òf hij voldoende wetenschap zou hebben gehad dat dat afkomstig was uit die handel.

Verdachte dient eveneens van het sub 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vonnis gewezen door mrs. P.H.J. Frénay, C.A.M. Schaap-Meulemeester en C.H.M. Royakkers, rechters, van wie mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van de rechtbank op 27 oktober 2006.

Mr. C.H.M. Royakkers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.