Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ1233

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
73397 / HA ZA 06 - 312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending van artikel 21 Rv door eiser leidt tot passeren stelling als gevolg waarvan de vordering niet kan worden gebaseerd op nakoming. De vordering wordt vervolgens afgewezen nadat is vastgesteld dat deze ook niet kan worden gebaseerd op de subsidiair aangevoerde ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 18 oktober 2006

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres:

de maatschap KOENEN EN CO ACCOUNTANTS & BELASTINGADVISEURS,

gevestigd te Venlo,

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen;

tegen:

gedaagde:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. R.A.J.C. Huijs.

Partijen worden als volgt aangeduid:

eiseres: Koenen;

gedaagde: [gedaagde].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding met bijlagen van 21 april 2006;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- het vonnis van deze rechtbank van 28 juni 2006;

- de akte tot (voorwaardelijke) vermeerdering van de eis ex artikel 30 Rv;

- het proces-verbaal van comparitie van 24 augustus 2006.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

2.1 [gedaagde] is aandeelhouder en bestuurder geweest van [U.] B.V. (hierna: [U.]). [U.] is inmiddels ontbonden.

2.2 Koenen heeft in de periode 2000-2002 werkzaamheden verricht voor – in ieder geval – [U.]. Koenen heeft deze werkzaamheden altijd gefactureerd aan [U.].

2.3 Koenen heeft [gedaagde] (in privé) een factuur gezonden gedateerd 23 januari 2006. Deze factuur betreft werkzaamheden uit juni 2002.

3. Vordering en stellingen van Koenen

Koenen vordert – na eiswijziging - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.010,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari en de beslag- en proceskosten alsmede de wettelijke rente daarover indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zijn betaald.

Koenen stelt daartoe onder meer het volgende.

Tussen partijen bestaat een overeenkomst van opdracht op grond waarvan [gedaagde] gehouden is de nog openstaande factuur te betalen. Indien zou worden aangenomen dat geen overeenkomst van opdracht bestaat is sprake van ongerechtvaardigde verrijking.

4. Verweer van [gedaagde]

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Koenen in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

[gedaagde] voert daartoe onder meer het volgende verweer.

Er is tussen Koenen en [gedaagde] geen overeenkomst van opdracht. De overeenkomst bestond tussen Koenen en [U.]. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 De rechtbank is van oordeel dat de vordering van Koenen moet worden afgewezen en heeft daartoe als volgt overwogen.

5.2 Koenen heeft naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden. Artikel 21 Rv luidt als volgt:

“Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.”

Koenen heeft niet aan deze verplichting voldaan door in de dagvaarding een onvolledig en onjuist beeld te schetsen van de feiten. Koenen heeft in de dagvaarding gesuggereerd dat er sprake zou zijn van een opdracht door alleen [gedaagde] in privé, dat wil zeggen dat enige betrokkenheid van [U.] in de dagvaarding wordt verzwegen. Eerst nadat [gedaagde] verweer heeft gevoerd en er ter comparitie vragen zijn gesteld over dit onderwerp, heeft Koenen gesteld dat er sprake zou zijn geweest van een overeenkomst van opdracht tussen Koenen enerzijds en [gedaagde] en diens vennootschappen anderzijds, waaronder [U.]. (Met andere woorden: eerst dan wordt gezegd dat niet alleen [gedaagde] wederpartij zou zijn maar ook diens vennootschappen. Waar wordt gesproken over vennootschappen gaat het blijkbaar niet alleen om [U.]. Om welke vennootschappen het daarbij gaat, is verder niet aangevoerd.) Verder heeft Koenen ter comparitie gesteld dat alle facturen steeds zijn verzonden naar [U.] en dat Koenen eerst op het moment dat bleek dat [U.] niet meer betaalde de hier in geding zijnde factuur van januari 2006 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Bovendien heeft Koenen daarbij gesteld, dat dezelfde werkzaamheden al eerder aan [U.] gefactureerd waren. Dat in het verleden altijd aan [U.] werd gefactureerd en dat de factuur van januari 2006 de eerste factuur is die aan [gedaagde] is gezonden, staat (inmiddels) vast.

Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank relevante feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] partij is bij de overeenkomst van opdracht of niet. De eerst ter zitting aangevoerde feiten wijzen bovendien meer in de richting van de lezing van [gedaagde] dan in de lezing van Koenen, wat het aanvankelijk verzwijgen daarvan door Koenen kwalijker maakt.

De rechtbank kwalificeert - in het licht van het verweer van [gedaagde] alsmede de nadere stellingname van Koenen ter comparitie en de vaststaande feiten - de door Koenen in de dagvaarding verstrekte informatie als het niet volledig en naar waarheid aanvoeren van de feiten als bedoeld in artikel 21 Rv. Deze kwalificatie is gerechtvaardigd omdat de genoemde feiten de kern van het geschil raken: is [U.] wederpartij van Koenen of ook [gedaagde]. De rechtbank verbindt hieraan de consequentie dat de stelling van Koenen, dat er een overeenkomst van opdracht is waarbij [gedaagde] in privé partij is, wordt gepasseerd. De rechtbank zal uitgaan van de stelling van [gedaagde] inhoudende dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht waarbij hijzelf in privé geen partij was.

Uit het vorenoverwogene volgt, dat de vordering van Koenen niet kan worden gebaseerd op nakoming.

5.3 De rechtbank is verder van oordeel, dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde]. De redenen hiervoor zijn de volgende.

Vaststaat dat er door Koenen werkzaamheden zijn verricht voor [U.]. [gedaagde] was in die periode aandeelhouder en bestuurder van [U.]. [U.] heeft de in geschil zijnde werkzaamheden niet betaald en is inmiddels ontbonden.

Ook als [gedaagde] in privé zou hebben geprofiteerd van de werkzaamheden van Koenen – wat niet vaststaat – is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW: de werkzaamheden van Koenen zijn dan immers gewoon gebaseerd op de overeenkomst met [U.] en als daaruit dan voordelen zouden volgen voor [gedaagde] dan is dat een aangelegenheid tussen [U.] en haar bestuurder [gedaagde] waar Koenen buiten staat.

5.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat de vordering van Koenen moet worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht kan als niet langer terzake doende buiten beschouwing worden gelaten. Koenen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

wijst de vordering af;

veroordeelt Koenen in de proceskosten van [gedaagde], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 299,00 aan griffierechten en

€ 904,00 aan salaris ten behoeve van de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en op de openbare civiele terechtzitting van 18 oktober 2006 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: rk