Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AZ1228

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
72666 / HA ZA 06 - 210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft als feitelijk uitvoerder reparatiewerkzaamheden verricht aan een computer van eiser. Na de reparatie bleken de bestanden op de computer te zijn gewist, waaronder een door eiser ontwikkeld managementpakket. Eiser heeft na de reparatie eerst een procedure gestart tegen de vennootschap waar gedaagde in dienst was. De vordering tot schadevergoeding is in die procedure toegewezen. De vennootschap is inmiddels in staat van faillissement verklaard en is per 14 oktober 2004 opgehouden te bestaan. In deze procedure stelt eiser zich op het standpunt dat gedaagde jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en vordert eiser schadevergoeding. De vordering is gegrond op artikel 6:170 BW dan wel 6:171 BW dan wel 6:162 BW.; geoordeeld is dat dat artikelen 6:170 en 6:171 BW niet kunnen dienen als grondslag voor de vordering nu in onderhavig geschil geen sprake is van een (afgeleide) aansprakelijkheid van de vennootschap maar het eigen onrechtmatig handelen van gedaagde.

Vervolgens wordt beoordeeld of sprake is van een onrechtmatige daad izv artikel 6:162 BW. Geconcludeerd wordt dat de inbreuk op het eigendomsrecht van eiser alsmede het onzorgvuldig handelen van gedaagde leiden tot de conclusie dat onrechtmatig is gehandeld, wat gedaagde kan worden aangerekend; toewijzing hoofdsom + wettelijke rente, afwijzing buitengerechtelijke incassokosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 170
Burgerlijk Wetboek Boek 6 171
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/8

Uitspraak

uitspraak: 18 oktober 2006

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiser:

[eiser],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. J.F.G. Godart;

tegen:

gedaagde:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. P.W.M. Broekmans.

Partijen worden als volgt aangeduid:

eiser: [eiser];

gedaagde: [gedaagde].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding met bijlagen van 8 maart 2006;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- de conclusie van repliek met bijlagen;

- de conclusie van dupliek.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

- [eiser] houdt zich beroepsmatig bezig met de ontwikkeling en verkoop van software en heeft onder meer een managementpakket ontwikkeld (het pakket E+) waarvoor hij jaarlijks de updates maakt. Voor de ontwikkeling van de sofware gebruikt [eiser] een computer.

- [gedaagde] is oprichter van [naam] Automatisering BV. Voorts is [gedaagde] enig directeur van [naam] Holding BV, thans genaamd Zipp-It BV. Zipp-It BV was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam] Automatisering BV. Laatstgenoemde vennootschap is bij vonnis van 31 december 2003 van de rechtbank Roermond in staat van faillissement verklaard. Per 14 oktober 2004 is het faillissement beëindigd en is de vennootschap opgehouden te bestaan.

- Omstreeks 3 september 2001 heeft [eiser] aan [naam] Automatisering BV een computer aangeboden ter reparatie, in verband met problemen in het back-up systeem. [gedaagde], die zich bij de vennootschap bezig hield met inkoop, verkoop en reparatie van computers en bijbehoren, heeft de computer namens de vennootschap in ontvangst genomen en reparatiewerkzaamheden verricht.

- [eiser] heeft na de reparatie een procedure tegen voornoemde vennootschap aanhangig gemaakt en de betaling gevorderd van een schadevergoeding uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Bij vonnis van 16 juli 2003 van de rechtbank Roermond is de vordering tot betaling van een bedrag van € 16.771,72 toegewezen.

3. Vordering en stellingen van [eiser]

[eiser] vordert dat het de rechtbank Roermond behage, [gedaagde] te veroordelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan [eiser] te voldoen, tegen een deugdelijk bewijs van finale kwijting:

a. de hoofdsom ad € 16.771,62

b. de wettelijke rente over dit bedrag per 4 september 2001 tot het moment van voldoening;

c. de buitengerechtelijke incassokosten, groot € 1.483,66, vermeerderd met de wettelijke rente, zulks tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure,

d. althans een bedrag zoals Uw Edelachtbare voor redelijk en billijk houdt.

[eiser] stelt daartoe - kort gezegd - dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. De verwijten die [naam] Automatisering BV worden gemaakt zijn rechtstreeks van toepassing op [gedaagde] aangezien hij de opdracht persoonlijk als vertegenwoordiger van de vennootschap heeft aangenomen, enig uitvoerder was, feitelijk bestuurder van de vennootschap was en belangrijkste kennisdrager binnen de vennootschap. [gedaagde] is derhalve aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW jo 6:170 BW dan wel op grond van artikel 6:162 BW jo 6:171 BW. Dan wel heeft [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld door inbreuk te maken op het eigendomsrecht dan wel het recht op voortbrengselen van de geest van [eiser]. [gedaagde] heeft immers onzorgvuldig gehandeld door [eiser] niet te wijzen op de gevolgen van de formattering die bij de reparatie van de computer zou worden uitgevoerd.

4. Verweer van [gedaagde]

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de wanprestatie van [naam] Automatisering BV niet automatisch tot een onrechtmatige daad leidt van degene die de feitelijke handelingen heeft verricht. Van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW is geen sprake nu [gedaagde] niet in loondienst was. De bepalingen van artikel 6:171 BW zijn evenmin van toepassing nu deze zien op de aansprakelijkheid van een opdrachtnemer voor een niet ondergeschikte. Voor zover het aansprakelijkheid betreft uit hoofde van artikel 6:162 BW moet tenminste aan de criteria zijn voldaan waarvan in onderhavig geschil niet blijkt. [gedaagde] heeft bij de uitgevoerde reparatie geen overdreven risico’s genomen, niet gevaarzettend gehandeld, geen opzettelijk verkeerde handelingen gepleegd of grof onzorgvuldig gehandeld. Van toerekenbaar onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake. Ten slotte heeft [gedaagde] de omvang van de door [eiser] gevorderde schade en de buitengerechtelijke kosten bestreden.

5. Beoordeling van het geschil

Vooropgesteld worde dat het enkele feit dat de vennootschap aansprakelijk is uit hoofde van wanprestatie niet zonder meer leidt tot het aannemen van een onrechtmatige daad van degene die bij de feitelijke werkzaamheden betrokken was. Dit sluit overigens niet uit dat de bij de wanprestatie meegewogen handelingen ook onrechtmatig kunnen zijn doch daartoe dient een eigen afweging op grond van artikel 6:162 BW.

Voor zover de vordering van [eiser] is gegrond op de artikelen 6:170 BW of 6:171 BW wordt overwogen dat de betreffende artikelen zien op de aansprakelijkheid van degene in wiens dienst een ondergeschikte is of van degene in wiens opdracht de niet-ondergeschikte de werkzaamheden heeft verricht. De vraag naar deze (afgeleide) aansprakelijkheid komt eerst aan de orde indien de aansprakelijkheid van het eigen onrechtmatig handelen van de ondergeschikte of de niet-ondergeschikte is komen vast te staan. In onderhavig geschil is echter niet de (afgeleide) aansprakelijkheid van de vennootschap aan de orde doch het eigen onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Reeds daarom kunnen de artikelen 6:170 BW en 6:171 BW niet dienen als grondslag voor de vordering van [eiser] jegens [gedaagde].

Ter zake de stelling van [eiser] dat sprake is van een inbreuk op het recht op voortbrengselen van de geest wordt overwogen dat de strekking van dergelijke rechten duidelijk afgebakend is en dat de inhoud en de omvang van deze rechten tamelijk nauwkeurig in de wet zijn omschreven. De gestelde handelingen van [gedaagde] zijn derhalve niet zonder meer te beschouwen als een inbreuk op deze rechten. Het had op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling daaromtrent te onderbouwen. [eiser] heeft dit echter nagelaten zodat aan deze stelling wordt voorbij gegaan bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

Met betrekking tot de stelling van [eiser] ten slotte dat sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] wordt het volgende overwogen. Bij gebreke van enige betwisting kan als vast staand worden aangenomen dat [eiser] de eigendom heeft van de computer en van het managementprogramma E+. Derhalve is sprake van een subjectief recht van [eiser] tegen inbreuken waarvan 6:162 BW bescherming biedt.

Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting, kan als vast staand worden aangenomen dat de computer van [eiser] het managementprogramma E+ bevatte ten tijde van het aanbieden van de computer ter reparatie aan [gedaagde]. Vast staat ook dat het betreffende managementprogramma na de reparatie van de computer niet meer op de harddisk aanwezig was. Ten slotte staat vast dat [gedaagde] de eigenlijke reparatie heeft uitgevoerd. Weliswaar heeft [gedaagde] aangevoerd dat er overleg is geweest met mevrouw [achternaam] en zij derhalve bij de reparatie betrokken is geweest, doch ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van deze stelling laat zij onverlet dat de feitelijke werkzaamheden door [gedaagde] zijn uitgevoerd. Gelet op deze feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat het managementprogramma E+ verloren is gegaan door de door [gedaagde] uitgevoerde reparatie. Niet gesteld noch anderszins is immers gebleken dat het verloren gaan van het programma kan zijn gelegen in een andere oorzaak. [gedaagde] heeft derhalve inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser]. Daaraan doet niet af dat het programma nadien opnieuw is kunnen worden ingevoerd, nu de inbreuk op het eigendomsrecht niet beperkt is tot het daadwerkelijk verloren gaan van gegevens.

Vast staat daarnaast dat [gedaagde] niet aan [eiser] heeft meegedeeld dat het formatteren van de harde schijven een standaardonderdeel is van de reparatieprocedure; niet heeft gevraagd of er gegevens op de harde schijven stonden of dat daarvan kopieën waren gemaakt; niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van de formattering en dat hij [eiser] niet de gelegenheid heeft gegeven om voorzorgsmaatregelen te nemen om het wissen van de bestanden te voorkomen terwijl hij evenmin zelf maatregelen heeft genomen om de bestanden te behouden. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat wel een back-up is gemaakt nu uit de door hem afgelegde verklaring (productie 10 bij repliek), voor zover thans van belang, wel kan worden opgemaakt dat standaard een back-up wordt gemaakt doch dit sluit niet uit de mogelijkheid dat bij onderhavige reparatie het maken van een standaard back-up is nagelaten. [gedaagde] had zijn stelling dienaangaande nader moeten onderbouwen. Voorts gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat het formatteren geen standaardonderdeel is van de reparatie nu deze stelling niet ter zake doende is. Het formatteren van de harddisk heeft immers wel plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat het niet geven van deze waarschuwingen in onderhavig geval als onzorgvuldig moet worden beschouwd. Immers, vast staat dat bij het formatteren van de harddisk de data die daarop aanwezig waren, verloren zouden gaan. Vast staat voorts dat het formatteren een onderdeel is geweest van de reparatie. Weliswaar heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat de harde schijf slechts bootable is gemaakt, doch zulks strookt niet met zijn eigen verklaring (productie 10 bij conclusie van repliek), die onder ede is afgelegd. Het had gelet op deze omstandigheden op de weg van [gedaagde] gelegen deze stelling deugdelijk te onderbouwen wat hij heeft nagelaten, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

Vast staat voorts dat het maken van een back-up zou hebben voorkomen dat de data die op de harddisk aanwezig waren, verloren zouden zijn gegaan. Bovendien staat vast dat [gedaagde] [eiser] niet als deskundig heeft ingeschat en dacht van doen te hebben met iemand die aan het “knutselen en rommelen” was. Gelet op deze feiten en omstandigheden had [gedaagde] [eiser] dienen te waarschuwen met voornoemde waarschuwingen. Het nalaten daarvan is te aan te merken als onzorgvuldig handelen van [gedaagde].

Inachtnemende het feit dat [gedaagde] een inbreuk heeft gepleegd op het eigendomsrecht van [eiser], alsmede inachtnemende het feit dat [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld als hiervoor weergegeven, in onderling verband en samenhang bezien, heeft [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Deze onrechtmatige handeling kan, bij gebreke van enige betwisting daaromtrent, aan [gedaagde] worden toegerekend.

De door [eiser] gevorderde schadevergoeding bestaat uit de kosten die zijn gemaakt voor het opnieuw verzamelen en opnieuw invoeren van de informatie. [eiser] heeft gesteld dat daaraan 264 uren besteed en hij heeft een uurtarief gehanteerd van

fl. 140,-. [gedaagde] heeft ten verwere aangevoerd dat het aantal besteedde uren voor herstel hem ongeloofwaardig voorkomt. Volgens [gedaagde] zouden er dan 33 dagen zijn besteed aan herstel terwijl er eerst 26 dagen waren verstreken tussen de reparatie en het tijdstip van de claim. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] bij het bepalen van het aantal dagen is uitgegaan van 8 uur per dag. Niet gesteld noch anderszins is evenwel gebleken dat [eiser] alle dagen slechts 8 uur per dag heeft willen of kunnen besteden aan het opnieuw invoeren van de gegevens die verloren waren gegaan. Nu het aantal uren ter onderbouwing van de hoogte van de schade de rechtbank ook anderszins niet ongeloofwaardig overkomen aangezien alle gegevens op de harddisk waren gewist en de vordering in hoofdsom voor het overige niet is bestreden, zal de rechtbank de vordering in hoofdsom toewijzen als hierna in het dictum vermeld. De vordering tot betaling van de wettelijke rente zal bij gebreke van enige betwisting, eveneens worden toegewezen.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen nu [gedaagde] deze kosten gemotiveerd heeft bestreden en deze door [eiser] niet nader zijn onderbouwd.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

Veroordeelt gedaagde om aan eiser te voldoen tegen een deugdelijk bewijs van finale kwijting:

a. de hoofdsom ad € 16.771,62 (zegge: zestienduizend zevenhonderd en een en zeventig euro en twee en zestig eurocent),

b. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2001 tot het moment van voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiser, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 400,- aan griffierechten,

€ 93,20 aan explootkosten en

€ 904,- aan salaris ten behoeve van de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en op de openbare civiele terechtzitting van 18 oktober 2006 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: KvdBJ