Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY9328

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
04/851049-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijgedrag: een poging tot doodslag of roekeloosheid.

Strafmaatoverwegingen bij roekeloos rijgedrag met zwaar gewonden tot gevolg.

Rechtbank: het bewijs voor voorwaardelijk opzet tot doodslag ter afscheiding van roekeloos handelen is gekoppeld aan zware vereisten. De rechtbank verwijst daartoe naar het zogeheten Porsche-arrest van de Hoge Raad (NJ 1997,199). Ook ligt niet bepaald voor de hand dat de verdachte als bestuurder heeft gehandeld in (juridische) vereniging met de bij het rijgedrag betrokken andere bestuurder.

Volgt een vrijspraak van het primair telastegelegde medeplegen van een poging tot doodslag.

Het rijgedrag wordt aangemerkt als roekeloos: Immers hij gaat op een onverlichte B-weg, waar een maximumsnelheid van 80 km/uur, terwijl een andere auto hem gaat inhalen en terwijl zijn eigen snelheid reeds ruim boven die maximumsnelheid rijdt, zijn snelheid zodanig opvoeren dat hij het andere voertuig belemmert om zijn inhaalmanoeuvre vlot en veilig te kunnen afronden. Hij blijft met oplopende snelheid op de rechterweghelft rijden met een snelheid tot circa 160 km/uur, waarbij hij merkt en weet dat hij de andere auto niet voorbij laat komen. Hoewel hij de keuze had om zijn snelheid te laten zakken en zijn rijgedrag van naast of dichtbij elkaar te blijven voortrijden op te geven - zeker toen hij zag dat de snelheid onder de gegeven omstandigheden onverantwoord hoog werd - waarmee hij zijn verantwoordelijkheid had genomen met name ook voor de inzittenden van de andere auto, blijft hij het gaspedaal diep ingedrukt houden. Vervolgens komt het,tot een aanrijding tussen beide auto's.

Er voldoende verband tussen het roekeloze rijgedrag van verdachte en de aanrijding en het als gevolg daarvan door inzittenden opgelopen zwaar lichamelijk letsel.

Een en ander vraagt om een stevige reactie in de vorm van aan verdachte op te leggen straffen, waarbij de rechtbank heeft meegenomen de zogenaamde oriëntatiepunten voor artikel 6 WVW-zaken zoals die door het landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren zijn ontwikkeld. Deze geven aan een gevangenisstraf van 4 maanden en 2 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid, indien er sprake is geweest van één slachtoffer dat zwaar gewond is geraakt.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank laten meewegen dat er van de strafoplegging een duidelijk signaal naar andere bestuurders van motorvoertuigen - met name ook de jonge bestuurders zoals verdachte en zijn medeverdachte - dient uit te gaan namelijk dat het op grove wijze schenden van de normen in het verkeer met gevolgen als in deze zaak zijn gebleken - wordt gevolgd door een zware bestraffing van de zijde van de rechter. Dit opdat andere bestuurders worden weerhouden van het plegen van vergelijkbaar roekeloos verkeersgedrag.

Volgt een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een rijontzegging van 2 jaren.

Zie ook AY9325

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2006/89 met annotatie van Regterschot onder «Jwr» 2006/88

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/851049-05

Uitspraak d.d. : 3 oktober 2006

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [straatnaam]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2006.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 05 november 2005 te Neer, in elk geval in de gemeente Roggel en Neer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (welke [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] waren/ was gezeten in de hierna te noemen personenauto, merk Toyota) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (merk Fiat) rijdende over de Heldenseweg (komende uit de richting van de Boerderijweg en gaande in de richting van de bebouwde kom van Neer), welke Heldenseweg ter plaatse bestond uit één rijbaan, welke rijbaan bestond uit twee weghelften, op het moment dat een personenauto doende was het door hem, verdachte, (over de gezien zijn, verdachtes, rijrichting rechter weghelft van de Heldenseweg) bestuurde voertuig over de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) linker weghelft (welke was bestemd voor het hem, verdachte, en/of zijn mededader tegemoetrijdend verkeer) in te halen (en daartoe over die linker weghelft reed) naast of (zeer) dicht in de nabijheid van die personenauto is gaan en/of blijven rijden

waarbij/waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en/of de snelheid van het door zijn, verdachtes, mededader bestuurde voertuig is opgevoerd tot een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur, althans een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur,

waarna/waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader (met voornoemde snelheid, althans met een voor de wegsituatie [veel] te hoge snelheid) een in die weg gelegen (flauwe) bocht dusdanig zijn/is in-, door- en/of uitgereden, althans dusdanig hebben/heeft genomen, dat (vervolgens) (bij voornoemde snelheid, althans met die/een voor de wegsituatie [veel] te hoge snelheid) een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en het door zijn, verdachtes, mededader bestuurde voertuig (personenauto, merk Toyota), waardoor

- hij, verdachte, de macht over hem bestuurde voertuig heeft verloren en/of

- zijn, verdachtes, mededader de macht over het door deze bestuurde voertuig heeft verloren en/of

- het door zijn, verdachtes, mededader bestuurde voertuig en/of tegen een zich langs de Heldenseweg bevindende boom tot stilstand is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Art. 287 juncto art. 45 juncto art. 47 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 05 november 2005 te Neer, gemeente Roggel en Neer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Fiat), daarmede rijdende over de weg, de Heldenseweg (komende uit de richting van de Boerderijweg en gaande in de richting van de bebouwde kom van Neer), welke Heldenseweg ter plaatse bestond uit één rijbaan, welke rijbaan bestond uit twee weghelften, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, te weten

op het moment dat een personenauto doende was het door hem, verdachte, (over de gezien zijn, verdachtes, rijrichting rechter weghelft van de Heldenseweg) bestuurde voertuig over de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) linker weghelft (welke was bestemd voor het hem, verdachte, en/of de andere bestuurder tegemoetrijdend verkeer) in te halen (en daartoe over die linker weghelft reed) naast of (zeer) dicht in de nabijheid van die personenauto te gaan en/of te blijven rijden,

waarbij/waarna hij, verdachte, en/of de andere bestuurder de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en/of de snelheid van het door de andere bestuurder bestuurde voertuig heeft opgevoerd tot een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur, althans een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur,

waarna/waarbij hij, verdachte, en/of de andere bestuurder (met voornoemde snelheid, althans met een voor de wegsituatie [veel] te hoge snelheid) een in die weg gelegen (flauwe) bocht dusdanig zijn/is in-, door- en/of uitgereden, althans dusdanig hebben/heeft genomen, dat (vervolgens) (bij voornoemde snelheid, althans met die/een voor de wegsituatie [veel] te hoge snelheid) een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en het door de andere bestuurder bestuurde voertuig (personenauto, merk Toyota), waardoor

- hij, verdachte, de macht over hem bestuurde voertuig heeft verloren en/of

- de andere bestuurder de macht over het door deze bestuurde voertuig heeft verloren en/of

- het door de andere bestuurder bestuurde voertuig tegen een zich langs de Heldenseweg bevindende boom tot stilstand is gekomen, door welk verkeersongeval:

- [slachtoffer 1] (zijnde een inzittende van het door de andere bestuurder bestuurde voertuig) zwaar lichamelijk letsel ([levensbedreigend] stomp letsel van borstkas en buik), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- [slachtoffer 2] (zijnde een inzittende van het door de andere bestuurder bestuurde voertuig) zwaar lichamelijk letsel (gecompliceerde breuken van/in de linker schouder, gecompliceerde breuken van/in de rechter heup en/of gecompliceerde breuken van/in het rechter bovenbeen), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(Art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 juncto art. 47 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

Verdachte en zijn advocaat hebben op in de pleitnota aangevoerde gronden betoogd dat er geen bewijs is voor de aan hem verweten poging tot doodslag en evenmin voor het aan hem verweten misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat kan worden bewezen dat verdachte zich, in vereniging met de medeverdachte, heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op de mede-inzittenden van het voertuig van de medeverdachte.

De rechtbank is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting tot het volgende oordeel gekomen.

Verdachte zal wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken van de aan hem verweten poging tot doodslag op de mede-inzittenden van het andere voertuig dat hem aan het inhalen was, te weten de dames [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

De Hoge Raad heeft ondermeer in het zogenaamde Porsche-arrest (van 15 oktober 1996, NJ 1997,199) aangegeven aan welke bewijs- en motiveringseisen voldaan moet worden om een bestuurder van een voertuig te kunnen veroordelen voor poging tot doodslag indien hij in het verkeer betrokken raakt bij een verkeersongeval. Verdachte heeft als bestuurder in alle toonaarden ontkend dat hij zijn rijgedrag willens en wetens op de dood van de latere slachtoffers heeft gericht.

Onderzocht moet worden of "moet worden aangenomen dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat de andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij - in plaats van erop te rekenen dat een en ander wel goed zal aflopen - de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen (kunnen) laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe (heeft) genomen". Men spreekt dan van voorwaardelijk opzet.

Daarvoor is niet bepalend de ravage die de hulpverleners, waaronder de politie, kort na de crash van de beide auto's hebben aangetroffen.

Iedere deelnemer aan het verkeer kan betrokken raken bij een verkeersongeval waarvan het gevolg kan zijn dat hijzelf of een of meer anderen overlijden of zwaar lichamelijk letsel oplopen. Die verkeersdeelnemer aan wie het ongeval (mede) kan worden verweten, kan worden vervolgd en veroordeeld voor het schuldmisdrijf van handelen in strijd met artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De mate van schuld die uit de toedracht van het ongeval - zijn handelen en nalaten - kan worden afgeleid, kan variëren van aanmerkelijke schuld tot roekeloosheid.

In het voornoemde Porsche -arrest heeft de Hoge Raad nog eens scherp de lijn getrokken voordat het rijgedrag waarbij anderen overlijden of hadden kunnen overlijden, juridisch kan worden gekwalificeerd als doodslag of poging tot doodslag. Bij de beoordeling van een dergelijke zaak speelt natuurlijk ook mee dat verdachte, als bestuurder van zijn voertuig (mede) door zijn rijgedrag ook zelf had kunnen overlijden, zoals ook in deze zaak aan de orde is, en het - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - niet waarschijnlijk is dat verdachte met zijn rijgedrag een aanrijding met de andere auto en als gevolg daarvan zelf het leven te zullen kunnen verliezen, eveneens op de koop heeft toegenomen. In deze zaak zou de rechtbank op grondslag van de telastelegging allereerst hebben te onderzoeken of verdachte met voorwaardelijk opzet op de dood van de beide, latere slachtoffers heeft gehandeld.

Zoals de rechtbank met het voorgaande heeft proberen duidelijk te maken, is het bewijs voor voorwaardelijk opzet ter afscheiding van roekeloos handelen, gekoppeld aan zware vereisten.

Tegen die achtergrond heeft de officier van justitie niet kunnen volstaan met haar betoog dat er in de kern op neerkomt: verdachte, die door een ander voertuig werd ingehaald, heeft zijn snelheid vermeerderd en (in plaats van die ander voorbij te laten gaan) heeft met uiteindelijk een zeer hoge snelheid (tot wel 160 km/uur) gereden, is hij naast het andere motorvoertuig (bestuurd door zijn medeverdachte) blijven rijden, op een onverlichte B-weg terwijl het was gaan schemeren, en daarbij heeft hij samen met de medeverdachte het risico genomen dat het ongeval zou ontstaan, zoals is geschied. Met dit standpunt heeft de officier van justitie geen recht gedaan aan de zware vereisten die het recht stelt aan een veroordeling voor poging tot doodslag in een verkeerszaak. Daarbij laat de rechtbank nog onbesproken dat het bepaald niet voor de hand ligt, dat verdachte heeft gehandeld in (juridische) vereniging met de andere bestuurder/medeverdachte. Ook daaraan heeft de officier van justitie - in het licht van de eisen die de rechtspraak heeft geformuleerd - onvoldoende aandacht besteed. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft uiteengezet en tegen de achtergrond van de door de officier van justitie gegeven motivering komt de rechtbank - nu ook het onderzoek ter terechtzitting niet tot een andere conclusie leidt - tot een vrijspraak voor het primaire verwijt dat de verdachte wordt gemaakt.

Alvorens te oordelen of en in welke mate het ongeval verdachte kan worden verweten en of hem ook het door de dames [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] opgelopen zwaar lichamelijk letsel kan worden verweten, zal de rechtbank eerst uiteenzetten wat er volgens haar feitelijk is gebeurd.

Voor het bewijs baseert de rechtbank zich allereerst op de door [slachtoffer 2] op 29 november 2005 afgelegde verklaring. Meer in het bijzonder gaat het om de handgeschreven versie zoals die in het dossier is aangetroffen, immers dat is de verklaring die ook door [slachtoffer 2] is ondertekend. In de inleiding van haar verklaring maakt zij duidelijk waarom zij met een tweede verklaring komt en waarom deze overeenkomt met de ware toedracht van het ongeval. Vergelijking van deze met haar eerste verklaring maakt zonneklaar dat zij de medeverdachte niet meer in "bescherming" neemt en haar voor de hand liggende sympathie voor die medeverdachte inwisselt voor een complete, waarheidsgetrouwe verklaring. Ten tweede baseert de rechtbank zich op de tweede verklaring van [slachtoffer 1] eveneens in de handgeschreven versie. Ten derde baseert de rechtbank zich op de tweede verklaring van de medeverdachte. Tot slot op een aantal gegevens die uit het technisch onderzoek naar voren zijn gekomen, te weten de berekende snelheid van de auto van de medeverdachte (ca. 150 km/uur) en het aangetroffen spoor in de linkerberm. Hoewel niet uitputtend vormen deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd voor de rechtbank het bewijs voor de toedracht van het ongeluk.

Samengevat komen de feiten op het volgende neer: Verdachten reden ieder in hun eigen auto over de Heldenseweg in de richting van Neer. De medeverdachte gaat inhalen terwijl verdachte op dat moment circa 100 km/uur rijdt. De medeverdachte voert zijn snelheid verder op maar bemerkt dat hij niet voorbij verdachte komt omdat deze de snelheid van zijn auto heeft verhoogd. Aldus rijden gedurende een korte tijdsspanne beide verdachten naast, althans dichtbij elkaar, de één rechts de ander links terwijl de snelheid inmiddels tot circa 160 km/uur is opgelopen. Gekomen in een flauwe bocht naar rechts geraakt de auto van de medeverdachte kort aan de linkerzijde van de weg. Getuige [slachtoffer 1] hoort namelijk plotseling zand en kiezels in de wielkasten spatten en bemerkt dat de medeverdachte daarna een stuurcorrectie uitvoert, weer terug op de rijbaan komt, waarna zij direct een klap voelde en hoorde. Steun voor deze feiten is te vinden in het technisch rapport dat een aangetroffen spoor in de (naar kennelijk wordt bedoeld: linker)berm beschrijft, mogelijk toe te schrijven aan de auto van de medeverdachte, een spoor dat zich ver voor de eerste boom, die werd geraakt, bevindt. Na de aanrijding tussen beide auto's zijn de bestuurders de macht over het stuur verloren en zijn als gevolg daarvan de auto's van de weg geraakt. Ten gevolge daarvan hebben de beide inzittenden van de auto van de medeverdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

In het licht van hetgeen is overwogen, kwalificeert de rechtbank het rijgedrag van verdachte als roekeloos. Immers hij gaat op een onverlichte B-weg, waar een maximumsnelheid van 80 km/uur, terwijl een andere auto hem gaat inhalen en terwijl zijn eigen snelheid reeds ruim boven die maximumsnelheid rijdt, zijn snelheid zodanig opvoeren dat hij het andere voertuig belemmert om zijn inhaalmanoeuvre vlot en veilig te kunnen afronden. Hij blijft met oplopende snelheid op de rechterweghelft rijden met een snelheid tot circa 160 km/uur, waarbij hij merkt en weet dat hij de andere auto niet voorbij laat komen. Hoewel hij de keuze had om zijn snelheid te laten zakken en zijn rijgedrag van naast of dichtbij elkaar te blijven voortrijden op te geven - zeker toen hij zag dat de snelheid onder de gegeven omstandigheden onverantwoord hoog werd - waarmee hij zijn verantwoordelijkheid had genomen met name ook voor de inzittenden van de andere auto, blijft hij het gaspedaal diep ingedrukt houden, wetende dat hij aldus rijdend voor zichzelf en voor de inzittenden van de andere auto een gevaar laat ontstaan en voortduren. Vervolgens komt het, na een foute beweging van de medeverdachte die eerst even links in de berm met de linkerzijde van zijn auto geraakt en vervolgens terugstuurt naar de rijbaan, tot een aanrijding tussen beide auto's.

Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende causaal verband tussen het roekeloze rijgedrag van verdachte en de aanrijding en het als gevolg daarvan door de inzittenden van het andere voertuig opgelopen zwaar lichamelijk letsel. Immers het rijgedrag van verdachte - zoals hiervoor weergegeven - heeft op onmiskenbare wijze bijgedragen aan de plaatsgevonden aanrijding tussen zijn auto en dat van de medeverdachte.

Verdachte had ook rekening moeten houden met het gegeven dat in de andere auto niet alleen een bestuurder maar ook één of meer anderen zouden zitten.

Voor medeplegen van het telastegelegde, dus het samen met de medeverdachte plegen van het misdrijf, is naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs aanwezig. Ieder heeft in een korte tijdspanne zijn eigen keuzes ter plekke gemaakt zonder dat daarvan gezegd kan worden dat hij in de gemaakte keuzes een samenwerking met de ander ten toon heeft gespreid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 november 2005 te Neer, gemeente Roggel en Neer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Fiat), daarmede rijdende over de weg, de Heldenseweg (komende uit de richting van de Boerderijweg en gaande in de richting van de bebouwde kom van Neer), welke Heldenseweg ter plaatse bestond uit één rijbaan, welke rijbaan bestond uit twee weghelften, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden, te weten

op het moment dat een personenauto doende was het door hem, verdachte, (over de gezien zijn, verdachtes, rijrichting rechter weghelft van de Heldenseweg) bestuurde voertuig over de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) linker weghelft in te halen (en daartoe over die linker weghelft reed) naast of (zeer) dicht in de nabijheid van die personenauto te gaan en/of te blijven rijden,

waarbij hij, verdachte, de snelheid van het door hem bestuurde voertuig heeft opgevoerd tot een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur,

waarbij hij, verdachte,(met voornoemde snelheid) een in die weg gelegen (flauwe) bocht dusdanig is ingereden, dat (vervolgens) (bij voornoemde snelheid) een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en het door de andere bestuurder bestuurde voertuig (personenauto, merk Toyota), waardoor

- de andere bestuurder de macht over het door deze bestuurde voertuig heeft verloren en

- het door de andere bestuurder bestuurde voertuig tegen een zich langs de Heldenseweg bevindende boom tot stilstand is gekomen, door welk verkeersongeval:

- [slachtoffer 1] (zijnde een inzittende van het door de andere bestuurder bestuurde voertuig) zwaar lichamelijk letsel ([levensbedreigend] stomp letsel van borstkas en buik), werd toegebracht en

- [slachtoffer 2] (zijnde een inzittende van het door de andere bestuurder bestuurde voertuig) zwaar lichamelijk letsel (gecompliceerde breuken van/in de linker schouder, gecompliceerde breuken van/in de rechter heup en/of gecompliceerde breuken van/in het rechter bovenbeen), werd toegebracht.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het genoemde geschriften is zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. Kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

subsidiair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel is toegebracht en het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze

wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, tweemaal gepleegd.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 175 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

10. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 19 september 2006 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf en bijkomende straf gevorderd dat verdachte ter zake van het primair telastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf niets aangevoerd op grond van het betoog dat de verdachte van zowel het primair als het subsidiair telastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is betoogd dat met de voorhanden bewijsmiddelen slechts bewezen verklaard kan worden dat verdachte ter plaatse te snel gereden heeft.

11.1 De algemene overwegingen van de rechtbank.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straffen en behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen van de rechtbank.

Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straffen laat de rechtbank zwaar wegen dat verdachte roekeloos heeft gereden op de wijze zoals hierboven uitvoerig is uiteengezet. Daardoor is een zwaar ongeval ontstaan en is hij mede-verantwoordelijk voor het zwaar lichamelijk letsel dat de beide inzittenden van de andere auto hebben opgelopen. Het gaat om twee dames, begin twintig, die - zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaring van elk blijkt - hun leven compleet hebben zien veranderen. Beiden hebben grote, lichamelijke en psychische gevolgen ondervonden - en ondervinden die nog steeds - van het ongeval. Als gevolg daarvan is hun toekomstperspectief verandert en onzeker geworden. Mevrouw [slachtoffer 2] zegt daarover "het allerergste vind ik dat het nooit meer helemaal goed komt met mij. Dat ik niet meer gewoon kan lopen en bij alles wat ik doe, na moet denken. Ik kan niet meer impulsief iets doen, dat is onmogelijk geworden", terwijl mevrouw [slachtoffer 1] - die levensbedreigend letsel had opgelopen - aangeeft: "ik word namelijk nooit meer zoals ik was".

Verdachte heeft geen strafblad. Het over hem opgemaakt reclasseringsrapport is eveneens in ogenschouw genomen.

Een en ander vraagt om een stevige reactie in de vorm van aan verdachte op te leggen straffen, waarbij de rechtbank heeft meegenomen de zogenaamde oriëntatiepunten voor artikel 6 WVW-zaken zoals die door het landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren zijn ontwikkeld. Deze geven aan een gevangenisstraf van 4 maanden en 2 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid, indien er sprake is geweest van één slachtoffer dat zwaar gewond is geraakt.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank laten meewegen dat er van de strafoplegging een duidelijk signaal naar andere bestuurders van motorvoertuigen - met name ook de jonge bestuurders zoals verdachte en zijn medeverdachte - dient uit te gaan namelijk dat het op grove wijze schenden van de normen in het verkeer met gevolgen als in deze zaak zijn gebleken - wordt gevolgd door een zware bestraffing van de zijde van de rechter. Dit opdat andere bestuurders worden weerhouden van het plegen van vergelijkbaar roekeloos verkeersgedrag.

In dit geval heeft de rechtbank tevens mee laten wegen de straffen die aan de medeverdachte worden opgelegd.

De slotsom is dat verdachte de hierna geformuleerde straffen krijgt opgelegd, waarbij de geheel voorwaardelijke gevangenisstraf bedoeld is om zijn rijgedrag ten positieve in de toekomst te beïnvloeden. De op te leggen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd om aan de verkeersveiligheid tegemoet te komen.

11.3 Verbeurdverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto, kenteken: [kentekennummer], merk Fiat, type: Marea, kleur: grijs, dient te worden verbeurdverklaard.

Genoemd voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met behulp van dat voorwerp het feit is begaan.

12. Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 91

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175 (oud), 179

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994;

verklaart verbeurd: een personenauto, kenteken: [kentekennummer], merk Fiat, type: Marea, kleur: grijs.

Vonnis gewezen door mrs. P.H.J. Frénay, N.J.M. Ruyters en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. P.H.J. Frénay voorzitter, in tegenwoordigheid van L.H.E.J. Heuts als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

03 oktober 2006.