Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY9294

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
06 / 1565 WRO V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een (lichte) bouwvergunning voor het vergroten van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] met een erker en luifel boven de voordeur.

De uniforme openbare voorbereidingsprocedure kan slechts van toepassing zijn indien daartoe een expliciet besluit is genomen en bekendgemaakt (dan wel bij wettelijk voorschrift bepaald); intentie om ook de bouwvergunningprocedure te laten sporen met de vrijstelllingsprocedure (waarop ingevolge een wettelijk voorschrift de u.o.v. van toepassing is) is darvoor niet voldoende.

Uitleg van artikel 6:13 Awb in relatie tot artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet en artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Awb; het ontbreken van het indienen van zienswijzen leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot een niet-ontvankelijk bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/246

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 06 / 1565 WRO V1

Inzake : [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

het besluit van verweerder d.d. 31 juli 2006,

kenmerk: BL 2006066.

Datum van behandeling ter zitting: 22 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 31 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder], hierna te noemen vergunninghouder, vergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel, sectie [...] nr. [...], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats].

Tegen dit besluit is door verzoeker bij schrijven van 31 augustus 2006 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de overige partijen gezonden.

Bij brief van 18 september 2006 heeft verzoeker de gronden van zijn verzoek aangevuld.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 september 2006, waar verzoeker, zoals van tevoren schriftelijk aangekondigd, niet is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door G.H.H. Slaats. Vergunninghouder is eveneens met bericht van verhindering niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij aanvraag van 30 mei 2006 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een (lichte) bouwvergunning voor het vergroten van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] met een erker en luifel boven de voordeur.

Naar aanleiding van opmerkingen van de welstandscommissie is het bouwplan qua maatvoering door vergunninghouder aangepast.

Verweerder heeft conform het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb in week 24 in het “Gemeente Contact” zijn voornemen bekend gemaakt om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het realiseren van voormeld bouwplan. Het ontwerpbesluit heeft daartoe met ingang van 16 juni tot en met 27 juli 2006 ter inzage gelegen. In de publicatie is erop gewezen dat binnen de inzagetermijn door een ieder zienswijzen kunnen worden ingediend tegen het voorgenomen besluit.

Binnen deze termijn zijn door verzoeker geen zienswijzen ingediend.

Bij besluit van 31 juli 2006, verzonden op 1 augustus 2006, heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning met vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO verleend.

In het bezwaarschrift dat verzoeker tegen dit besluit heeft ingediend, is aangevoerd dat geen vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO dient te worden verleend, omdat het om een relevante uitbreiding van de woning gaat en het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria uit de Welstandsnota Nederweert.

Door realisering van het bouwplan dreigt verzoekers woning in waarde te dalen.

Realisering van het bouwplan betekent een inbreuk op de privacy omdat vanuit de aanbouw rechtstreeks in verzoekers woonkamer kan worden gekeken. Verzoeker heeft daarbij aangegeven dat hij geen zienswijzen heeft ingediend omdat hij noch door de aanvrager, noch door de gemeente is ingelicht over de bouwplannen en hij er tot voor kort geen kennis van had.

Bij brief van 18 september 2006 heeft verzoeker aanvullend aangevoerd dat er een 1,25 meter blinde muur voor verzoekers woonkamerraam wordt gebouwd, waardoor hij onevenredig wordt benadeeld. Verder dat niet duidelijk is of is voldaan aan de voorwaarde in het Beleid Kruimellijst dat 40% van het perceel onbebouwd moet blijven en ten slotte dat het bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar, zodat geen vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO mogelijk is.

Op 21 september 2006 heeft vergunninghouder een schriftelijke uiteenzetting aan de rechtbank doen toekomen.

Ingevolge artikel 19a, vierde lid, onder a, van de WRO, zoals deze bepaling luidt sinds 1 juli 2005, is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht. Afdeling 3.4 betreft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (u.o.v.) en omvat de artikelen 3:10 tot en met 3:18 van de Awb.

In artikel 3:10 van de Awb is (sedert 1 juli 2005) bepaald dat de afdeling 3.4 van toepassing is op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

In artikel 6:13 van de Awb is (sedert 1 juli 2005) bepaald dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Gelet op het bepaalde in artikel 19a, vierde lid, onder a, van de WRO heeft verweerder het besluit tot vrijstelling terecht voorbereid met toepassing van de genoemde afdeling 3.4 van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet dan direct beroep worden ingesteld tegen de vrijstelling en hoeft niet eerst bezwaar te worden gemaakt.

In het onderhavige geval is vrijstelling verleend tezamen en met het oog op de bouwvergunning voor het aangevraagde bouwplan.

In de Kamerstukken II 2003 – 2004, 29 412, nr. 3, MvT, p. 85-86 is ter zake aangegeven dat uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet volgt “dat de beroepsgang met betrekking tot de bouwvergunning leidend is. Aangezien op een bouwvergunning (als regel) niet de u.o.v. van toepassing is, dient alvorens beroep in te kunnen stellen eerst een bezwaarschriftprocedure te worden gevolgd ingevolge artikel 7:1 Awb. Dit geldt derhalve ingevolge artikel 49, vijfde lid, ook voor vrijstellingen die betrekking hebben op een bouwvergunning, ook al is die vrijstelling wel voorbereid met toepassing van de u.o.v., waarbij normaliter ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, de bezwaarschriftprocedure buiten toepassing zou blijven”.

Uit de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb volgt dat de wetgever nadrukkelijk voor ogen heeft gehad dat ingeval een vrijstellingsbesluit wordt genomen met het oog op een te verlenen bouwvergunning uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet volgt dat de beroepsgang met betrekking tot de bouwvergunning leidend. Voordat beroep kan worden ingesteld tegen een vrijstelling, die gecombineerd is met een bouwvergunning, moet eerst een bezwaarschriftprocedure worden gevolgd. Naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter geldt het vorenstaande niet indien het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb de u.o.v. op de verlening van de bouwvergunning van toepassing heeft verklaard. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb staat in een dergelijk geval ook tegen de verlening van de bouwvergunning rechtstreeks beroep open. Gelet op de “concentratie van rechtsbescherming” ex artikel 49, vijfde lid, van de Awb, wordt het besluit tot verlening van vrijstelling voor de mogelijkheid van het instellen van beroep dan geacht deel uit te maken van het besluit tot verlening van bouwvergunning. In dat geval staat derhalve een (gezamenlijk) direct open tegen zowel de vrijstelling als de bouwvergunning.

In het onderhavige geval heeft verweerder een ontwerpbesluit, dat zowel betrekking heeft op de vrijstelling als op de bouwvergunning, alsmede de aanvragen en bijbehorende stukken, waaronder het bouwplan ter inzage gelegd. Verder heeft verweerders gemachtigde desgevraagd bij de behandeling ter zitting aangegeven dat verweerder de intentie heeft bij een aanvraag bouwvergunning, die alleen na vrijstelling van het bestemmingsplan kan worden verleend, zoals bedoeld in artikel 46, derde lid, laatste zin, van de Woningwet, zowel de vrijstelling als de bouwvergunning gecombineerd voor te bereiden met toepassing van de u.o.v. Een expliciet besluit, als bedoeld in artikel 3:10 van de Awb, wordt daarbij niet genomen. Naar het voorlopig oordeel volgt uit het vorenstaande dat verweerder (ondanks zijn intenties) niet met toepassing van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb de u.o.v. op de verlening van de onderhavige bouwvergunning van toepassing heeft verklaard, omdat van het nemen en de bekendmaking van een dergelijk besluit niet uitdrukkelijk is gebleken. In het bijzonder kan uit de publicatie “Ontwerpbesluiten bouwvergunning en/of vrijstelling WRO”, niet worden opgemaakt dat verweerder zou hebben besloten dat (ook) de in de publicatie vermelde besluiten tot verlening van bouwvergunning met toepassing van de u.o.v. worden voorbereid. Overigens zou dan zowel tegen de bouwvergunning als de vrijstelling (gecombineerd) beroep openstaan op de administratieve rechter. Verweerder gaat er overigens ten onrechte vanuit dat uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet zou volgen dat bij een gecombineerde vrijstelling/bouwvergunning altijd eerst bezwaar moet worden gemaakt.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers brief van 31 augustus 2006 aangemerkt dient te worden als een bezwaarschrift gericht tegen zowel de vrijstelling als de bouwvergunning en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden aangemerkt als een verzoek gedaan in het kader van de bezwaarprocedure.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. De rechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen.

Nu de bouwwerkzaamheden zijn gestart, kan niet reeds op voorhand gezegd worden dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten.

De rechter komt vervolgens toe aan een voorlopig oordeel in de hoofdzaak. Daarbij ziet de rechter zich allereerst - ambtshalve - geplaatst voor de vraag of de omstandigheid dat verzoeker geen zienswijzen heeft ingediend tegen verweerders ontwerpbesluit moet leiden tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar van verzoeker voor zover gericht tegen het vrijstellingsbesluit voor niet-ontvankelijk moet worden gehouden. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. De rechter stelt voorop dat in artikel 6:13 van de Awb niets is bepaald ten aanzien van de (niet-) ontvankelijkheid van het bezwaar. Verder geeft ook de hierboven vermelde wetsgeschiedenis geen uitsluitsel over deze specifieke situatie. Blijkens AbRS d.d. 14 juli 2004 (AB 2004, 304) strekt artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, zich mede uit tot de bezwaarfase. Onder deze omstandigheden moet naar het voorlopig oordeel van de rechter worden aangenomen dat artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet tot gevolg heeft dat de rechtsgang ten aanzien van de bouwvergunning prevaleert boven die betreffende de vrijstelling. Dit artikel derogeert als lex specialis aan het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Awb. Het houdt ook in een afwijking van het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb ten aanzien van het niet indienen van zienswijzen tegen het ontwerpvrijstellingsbesluit, wanneer ten aanzien van de bouwvergunning de u.o.v. niet aan de orde is geweest. Dit brengt mee, dat, ondanks het ontbreken van zienswijzen, bezwaar tegen de vrijstelling kan worden beoordeeld in het kader van het bezwaar tegen de bouwvergunning, waarop de vrijstelling betrekking heeft. Het ontbreken van zienswijzen tegen het ontwerpvrijstellingsbesluit dient derhalve in deze situatie niet aan de bezwaarmaker te worden tegengeworpen.

Vervolgens wordt dan ook toegekomen aan een verdere – voorlopige - inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van verweerders besluit van 31 juli 2006. Daartoe is als volgt overwogen.

Verweerder heeft het bouwplan, dat ziet op het uitbreiden van de woning aan de voorkant met een erker en luifel boven de voordeur, in zoverre in strijd bevonden met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Budschop” dat gebouwd wordt op gronden met de bestemming “Tuin I”. Op gronden met deze bestemming is geen bebouwing toegestaan.

Op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. In artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komt een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. Ander dan verzoeker stelt, vindt de eis dat een derde belanghebbende uitdrukkelijk en persoonlijk over een dergelijke procedure moet worden geïnformeerd, geen steun in het recht.

De rechter stelt vast dat het onderhavige bouwplan aan de in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1 van het Bro gestelde voorwaarden voldoet. Verweerder was dan ook in beginsel bevoegd tot het verlenen van vrijstelling over te gaan.

In het “Beleid Kruimellijst”, dat door verweerder op 3 juli 2006 is vastgesteld en op 14 juli 2006 in werking is getreden, zijn beleidsregels neergelegd met betrekking tot de uitoefening van verweerders bevoegdheid, gegeven in artikel 19, derde lid, van de WRO. Ten aanzien van de (vergroting) van de inhoud van woongebouwen wordt een maximuminhoud voor aaneengesloten/halfvrijstaande woningen van 650 m³ een goed uitgangspunt geacht, waarbij als aanvullende eis geldt dat 40% van het perceel onbebouwd dient te blijven. Qua hoogte dient een maximum nokhoogte van 8,5 meter te worden aangehouden. In artikel 3, eerste lid, sub g van het Beleid Kruimellijst is bepaald dat vrijstelling kan worden verleend ten behoeve van de uitbreiding van een woongebouw binnen de bebouwde kom mits de voorgevelrooilijn alleen wordt overschreden ten behoeve van een uitbouw in de vorm van een afdak of erker mits de afstand tot de naar de weg gekeerde begrenzing van de bestemming minimaal 3 meter bedraagt. Aan deze voorwaarden wordt in het onderhavige geval voldaan. Als algemene voorwaarden voor vrijstelling is in het Beleid Kruimellijst gesteld dat voldaan moet worden aan het stedenbouwkundig uitgangspunt van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan en dat het verlenen van een vrijstelling niet mag leiden tot een verkeersonveilige situatie of onevenredig nadeel voor derden (meestal naburig perceel).

Het onderhavige geding spitst zich toe op beantwoording van de vraag of het belang van verzoeker onevenredig wordt geschaad door de realisatie van het bouwplan. Vergunninghouder heeft de aanbouw beperkt tot 1,25 meter. De erker heeft aan de zijde van verzoekers perceel geen raam, zodat van een direct uitzicht op verzoekers woning geen sprake is, laat staan van enige inkijk in diens aan deze zijde van de woning gelegen keuken. Van enige (relevante) vermindering van lichtinval in verzoekers woning is evenmin gebleken. Voor zover verzoeker heeft betoogd dat zin privacy onevenredig wordt aangetast door inkijk in zijn woonkamer en beperking van lichtinval daarin, mist deze stelling feitelijke grondslag. Ter zitting is gebleken dat verzoekers woonkamer aan de andere zijde van de woning is gesitueerd. De beoogde erker heeft daarop geen invloed. Naar het voorlopig oordeel van de rechter kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder kennelijk onredelijk heeft besloten door voor de uitbouw vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

Ten slotte wordt nog overwogen dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de omstandigheid dat het geldende bestemmingsplan ouder dan 10 jaar is in dit verband niet van belang is. Dat het bouwplan niet zou voldoen aan redelijke eisen van welstand is door verzoeker weliswaar gesteld, maar niet met enig deskundig rapport onderbouwt.

Gelet op voorgaande overwegingen maakt het bestreden besluit een gerede kans in de hoofdzaak in stand te kunnen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening wordt dan ook geen aanleiding gezien. Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. V.P. van Deventer in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2006

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 3 oktober 2006

hw

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.