Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY9129

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
04/851025-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak en motivering: geen in vrijheid afgelegde verklaring.

Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat verdachte bij de aanvang van het verhoor gespannen is en emotioneel. Desondanks wordt het verhoor op indringende wijze voortgezet. Ter zitting is door de verdachte aangevoerd dat de spanning en emotie het gevolg was van het afgaan van het brandalarm in het cellencomplex en is aannemelijk geworden dat verdachte in zijn jeugd met brand een traumatische ervaring heeft opgelopen. Dit is ter terechtzitting geadstrueerd met een rapport van psychiater A.M.A. Groot. Het onder die omstandigheid op indringende wijze voortzetten van het verhoor dient naar het oordeel van de rechtbank tot bovengenoemde conclusie. Daar komt nog bij dat in het betreffende verhoor door de verbalisanten nogal wat daderinformatie wordt gegeven, hetgeen de betrouwbaarheid van de verklaring niet ten goede komt.

De verklaring die verdachte op 30 november 2005 heeft afgelegd kan niet bijdragen tot het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit zou hebben begaan, nu de feitelijkheden die verdachte hierin beschrijft, volledig afwijken van de feitelijkheden die door de aangeefster zijn omschreven. De rechtbank is van oordeel dat het niet uit te sluiten is dat aangeefster zich bij het omschrijven van de feitelijkheden die tussen haar en verdachte zouden hebben plaatsgevonden vergist.

Seksueel delict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/851025-05

Uitspraak d.d. : 12 september 2006

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [straatnaam]

plaats : [woonplaats].

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2006.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 1995 tot en met 31 oktober 1996, in de gemeente Weert door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [meisje] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [meisje], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) gestoken althans gebracht in de vagina van die [meisje] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [meisje] bij de kleding heeft vastgepakt en/of

de deur (van de paardestal) heeft dichtgeschoven althans gemaakt en/of de (rij)broek en/of onderbroek van die [meisje] naar beneden heeft getrokken en/of die [meisje] op de diepvries heeft geduwd en/of een schoen althans rijlaars van die [meisje] heeft uitgetrokken en (vervolgens) voornoemde broek(en) heeft uitgetrokken en/of de be(e)n(en) van die [meisje] uit elkaar heeft getrokken althans geduwd, en/of (aldus) voor die [meisje] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 29 augustus 2006 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachtes verklaringen afgelegd bij de politie niet bruikbaar zijn aangezien van deze verklaringen niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid in de zin van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering zijn afgelegd.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de door verdachte op 3 december 2005 afgelegde verklaring niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid is afgelegd.

Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat verdachte bij de aanvang van het verhoor gespannen is en emotioneel. Desondanks wordt het verhoor op indringende wijze voortgezet. Ter zitting is door de verdachte aangevoerd dat de spanning en emotie het gevolg was van het afgaan van het brandalarm in het cellencomplex en is aannemelijk geworden dat verdachte in zijn jeugd met brand een traumatische ervaring heeft opgelopen. Dit is ter terechtzitting geadstrueerd met een rapport van psychiater A.M.A. Groot. Het onder die omstandigheid op indringende wijze voortzetten van het verhoor dient naar het oordeel van de rechtbank tot bovengenoemde conclusie. Daar komt nog bij dat in het betreffende verhoor door de verbalisanten nogal wat daderinformatie wordt gegeven, hetgeen de betrouwbaarheid van de verklaring niet ten goede komt.

De verklaring die verdachte op 30 november 2005 heeft afgelegd kan niet bijdragen tot het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit zou hebben begaan, nu de feitelijkheden die verdachte hierin beschrijft, volledig afwijken van de feitelijkheden die door de aangeefster zijn omschreven. De rechtbank is van oordeel dat het niet uit te sluiten is dat aangeefster zich bij het omschrijven van de feitelijkheden die tussen haar en verdachte zouden hebben plaatsgevonden vergist.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, D.C.M. Bomans en K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, rechters, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M, Müller, als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 september 2006.