Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY8782

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
25-09-2006
Zaaknummer
06 / 1460 GEMWT V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat verzoeker binnen drie weken na verzending van het besluit de restanten van het tuinhuis dient te verwijderen en verwijderd te houden.

Voorwaarden voor het vergunningvrij oprichten van een perceelsafscheiding zijn naar het oordeel van de rechtbank anders dan voor het vergunningvrij oprichten van een erfafscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 06 / 1460 GEMWT V1

Inzake : [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasbracht, te Maasbracht, verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

het besluit van verweerder d.d. 21 juli 2006,

kenmerk: Sru/BuC.

Datum van behandeling ter zittin: 4 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat verzoeker binnen drie weken na verzending van het besluit de restanten van het tuinhuis dient te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per week (met een maximum van € 3.000,00).

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 14 augustus 2006 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 september 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door ir. J.J. Grouls. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door dr. A.R. Neerhof.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De rechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek op grond van artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. De rechter is voorts van oordeel dat gelet op de aard van het besluit en het feit dat de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom reeds afliep op 15 augustus 2006, daarmee de vereiste spoed voldoende is aangetoond. Dat verweerder overigens in afwachting van de behandeling van onderhavig verzoek en de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft toegezegd de effectuering van het besluit op te schorten, leidt niet tot de conclusie dat het spoedeisend belang aan het verzoek is komen te ontvallen. Nu de rechter aan de zijde van verzoeker een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht, dient de vraag te worden beantwoord of het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening. Bij die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Verweerder heeft geconstateerd dat verzoeker in zijn tuin een bouwwerk heeft opgericht zonder daarvoor te beschikken over de vereiste bouwvergunning, terwijl dat bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan “Algemeen bestemmingsplan Ohé en Laak”, op grond waarvan op het perceel van verzoeker deels een agrarische bestemming rust.

Verzoeker is van mening dat (delen van) het bouwwerk vergunningvrij zijn, nu het gaat om muurtjes van 40 cm hoog die in alle gevallen vergunningvrij zijn en om een muur van (niet meer dan) 2 meter hoog, synchroon aan de perceelsgrens, die moet worden aangemerkt als vergunningsvrije afscheiding van het erf.

De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig als volgt.

Artikel 40, eerste lid van de Woningwet, bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, bepaalt dat in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, sub e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb), wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt het bouwen van een erf- of perceelsafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1º niet hoger dan 1 m, of

2º niet hoger dan 2 m en gebouwd:

a. op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat,

b. meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn, en

c. meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen.

Voor zover het betreft de twee muurtjes van 40 cm hoogte is de voorzieningenrechter voorlopig met verweerder van oordeel dat deze gezien hun situering haaks op de erf- dan wel perceelsgrens alsmede hun kennelijke functie als sierbestrating, niet aangemerkt kunnen worden als erf- of perceelsafscheidingen.

Voor zover het betreft de 2 meter hoge muur is niet in geschil dat is voldaan aan het bepaalde onder b. en c. als hiervoor weergegeven. Partijen verschillen van mening over de vraag of is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een arf- of perceelsafscheiding in samenhang met het bepaalde onder a. Verweerder is dienaangaande van mening dat voor zover het perceel van verzoeker een agrarische bestemming heeft, niet kan worden gezegd dat dat perceelsgedeelte ten dienste staat van de bestaande gebouwen en deze gronden niet zijn aan te merken als erf, zodat er geen sprake is van een (vergunningvrije) erfafscheiding.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Bblb wordt in dit Besluit onder “erf” verstaan: al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht in ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

Met verweerder oordeelt de voorzieningenrechter voorlopig dat niet het gehele perceel van verzoeker kan worden aangemerkt als erf bij zijn woning nu de agrarische bestemming in de weg staat aan gebruik van het desbetreffende perceelsgedeelte als erf. Daaruit vloeit voort dat er geen sprake is van een vergunningvrije erfafscheiding.

Het Bblb staat echter niet alleen toe een erf af te scheiden maar ook een perceel en het perceel hoeft niet hetzelfde stuk grond te zijn als het erf. Het kadastrale perceel waarop het gebouw staat kan daarbij als uitgangspunt worden gehanteerd als dat gehele perceel ook in ruimtelijk opzicht is op te vatten als één geheel en er bovendien een functionele relatie bestaat tussen de perceelsafscheiding en het op dat perceel gesitueerde gebouw (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 2005, BR 2006/147). Hetgeen ter zitting naar voren is gekomen duidt erop dat het gehele perceel feitelijk in gebruik is als tuin bij de woning van verzoeker, zodat de rechter het ervoor houdt dat in dit opzicht aan de voorwaarden om vergunningvrij een perceelsafscheiding te bouwen is voldaan. Dat daarvoor ook de voorwaarde zou gelden, zoals blijkens de voormelde wettelijke definitie voor een erfafscheiding het geval is, dat het feitelijk gebruik van het perceel in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kan de rechter aan genoemde uitspraak niet ontlenen en hij acht zulks ook niet in de rede liggen, nu de kadastrale indeling van percelen losstaat van de op de desbetreffende grond rustende bestemmingen. Er voorshands vanuit gaande dat in het onderhavige geval sprake is van één kadastraal perceel, dat ook in ruimtelijk opzicht is op te vatten als één geheel en in functionele relatie staat tot de woning van verzoeker, kan de door verzoeker als afscheiding benoemde muur worden aangemerkt als (deel van) een perceelsafscheiding die op grond van het bepaalde in artikel 2, sub e, van het Bblb vergunningvrij kan worden opgericht.

Het vorenstaande leidt tot de voorlopige conclusie dat in elk geval een gedeelte van het bouwwerk waarop de last onder dwangsom ziet niet als vergunningvrij bouwwerk dient te worden aangemerkt. Nu de hoogte van de opgelegde dwangsom mede en vooral is afgestemd op het verwijderen van de 2 meter hoge muur, heeft de rechter aanleiding gezien om het gehele besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom te schorsen tot zes weken nadat verweerder een beslissing op het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift bekend heeft gemaakt.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond:

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

schorst het besluit van verweerder van 21 juli 2006 tot zes weken nadat verweerder het besluit op bezwaar bekend heeft gemaakt;

bepaalt dat verweerders gemeente aan verzoeker het door deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 september 2006

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.