Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY8218

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
14-09-2006
Zaaknummer
06 / 1324, 06 / 1513 en 06 /768 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een woning en kinderdagverblijf. Vrijstelling o.g.v. art. 19.2 WRO. Geluidscontour.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenrs. : 06 / 1324, 06 / 1513 en 06 /768 WRO

Inzake : [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray, te Venray, verweerder.

Datum en aanduiding van de bestreden besluiten ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

De brieven d.dis. 14 maart 2006 en 30 mei 2006 (nr. ba060113)

Datum van behandeling ter zitting: 6 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder], hierna te noemen vergunninghouder, onder vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een woning en kinderdagverblijf op het perceel [adres, kadastergegevens]

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 14 maart 2006 heeft verweerder het bezwaar, dat verzoeker tegen voornoemd besluit van 29 juni 2005 heeft gemaakt, ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 14 maart 2006 heeft verzoeker op 22 april 2006 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Het beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 06/768.

Bij het eveneens in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit van 30 mei 2006 heeft verweerder aan vergunninghouder bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van genoemde woning en kinderdagverblijf. Tegen dit besluit heeft verzoeker per faxbericht van 10 juli 2006 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder.

Per faxbericht van 27 juli 2006 heeft verzoeker zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake van de (gefaseerd) verleende bouwvergunning een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek hangende beroep is geregistreerd onder nummer AWB 06/1513 en het verzoek hangende bezwaar is geregistreerd onder nummer AWB 06/1324.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoeker en vergunninghouder gezonden.

Het verzoek is aan de orde gesteld op een pro-forma zitting van 31 augustus 2006 teneinde de mogelijkheid van mediation te beproeven. Op deze zitting is verzoeker in persoon verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door J.L.G. Zanders en A.J. Opheij, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. Vergunninghouder is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.

Inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 september 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door […] en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J.L.G. Zanders voornoemd. Vergunninghouder is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.

II. OVERWEGINGEN

Bij aanvraag van 4 maart 2004 heeft vergunninghouder een aanvraag reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het bouwen van een woning en kinderdagverblijf aan de [adres]. Op grond van het ter plaatse vigerend bestemmingsplan “Smakterheide (restgebied)” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Kleine bedrijven”. Op grond van artikel 6, lid 1a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Kleine bedrijven” aangewezen gronden bestemd voor kleine vestigingen van bedrijven in de daar genoemde categorieën. Deze bestemming laat het oprichten van een kinderdagverblijf met bedrijfswoning niet toe.

Grenzend aan het plangebied van bestemmingsplan “Smakterheide (restgebied)” ligt het bedrijventerrein Smakterheide, waarop het bedrijf van verzoeker is gevestigd. Het bedrijventerrein Smakterheide ligt deels in het bestemmingsplan “Smakterheide” (hierna: Smakterheide I) en deels in het bestemmingplan “Bedrijventerrein Smakterheide II e.o.” (hierna: Smakterheide II). Rond deze bestemmingsplannen is een geluidscontour van 50 dB(A) vastgesteld. Op de plankaart van bestemmingsplan Smakterheide II is verder nog een 55 dB(A)-contour weergegeven. Beide contouren zijn op de plankaart buiten het plangebied doorgetrokken en doorsnijden het plangebied van het bestemmingsplan “Smakterheide (restgebied)”. Voor het bestemmingsplan “Smakterheide (restgebied)” is geen geluidscontour vastgesteld.

Bij het thans bestreden besluit op bezwaar van 14 maart 2006 heeft verweerder zijn besluit van 29 juni 2005 gehandhaafd, waarbij met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan “Smakterheide (restgebied)” en bouwvergunning eerste fase is verleend voor het realiseren van het bouwplan. Als ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder het voorontwerp-bestemmingsplan “Bosrand” aan de vrijstelling ten grondslag gelegd. Dit voorontwerp is opgesteld voor een gebied dat deels is gelegen in “Smakterheide (restgebied)”, waarin het perceel van vergunninghoudster is gelegen, en deels in “Smakterheide II”. In het voorontwerp is geen geluidscontour vanwege het aangrenzend bedrijventerrein meer opgenomen. Het voorontwerp voorziet in de mogelijkheid van het ter plaatse oprichten van een kinderdagverblijf met woning. De Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen heeft op 12 november 2003 ten aanzien van de het voorontwerp geadviseerd. Nader aanleiding van dat advies is een nadere ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Naar aanleiding van dit besluit heeft verzoeker in zijn beroepschrift – kort samengevat – onder meer de navolgende gronden aangevoerd:

- Vrijwel het gehele plangebied is gelegen binnen de 55 d(B)A contour van de industrieterreinen Smakterheide I en II. Op grond van de Wet Geluidhinder mogen binnen deze contour geen woningen worden opgericht. Door de bouw van woningen loopt verzoekers bedrijfsvoering reëel gevaar omdat op zijn bedrijfsterrein een (in werking zijnde) betoncentrale aanwezig is. Op grond van de bedrijvenstaat bij het bestemmingsplan moet dan een afstand van 100 meter tot de dichtstbijzijnde woning in acht worden genomen. De afstand tot het kinderdagverblijf bedraagt 40 meter en tot de woning 65 meter hetgeen niet acceptabel is.

- Zo lang de Wet Geluidhinder aan het oprichten van woningen binnen de zone in de weg staat, dient niet via een vrijstellingsprocedure daarop vooruit te worden gelopen.

- Verzoeker komt op voor zijn bedrijfsbelang en niet relevant is in hoeverre er concrete plannen zijn om een betoncentrale of een inrichting tot het breken, zeven of drogen van natuursteen op te starten. Op grond van het vigerend bestemmingsplan is hij immers daartoe gerechtigd en de vrijstelling maakt inbreuk daarop.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank of bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De rechter stelt vast dat aan de in genoemd artikel neergelegde connexiteitseis is voldaan nu verzoeker beroep heeft ingesteld tegen verweerders besluit van 14 maart 2006 en tevens bezwaar heeft gemaakt tegen verweerders besluit van 30 mei 2006, waarbij de bouwvergunning tweede fase is verleend. Gelet op de verlening tweede fase en de omstandigheid dat vergunninghouder met de bouw een aanvang heeft gemaakt, kan niet reeds op voorhand worden gezegd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten.

Nu het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank tegen de vergunningverlening eerste fase, kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting. Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de aanhangige hoofdzaak.

De rechtbank ziet zich daarbij allereerst en ambtshalve geplaatst voor de vraag of verzoeker een (voldoende) procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Bij procesbelang gaat het om de vraag of het doel dat de eiser met het proces wil bereiken daarmee ook daadwerkelijk kan worden bereikt (point d’intérêt, point d’action.) Voor een ontvankelijk bezwaar of beroep is derhalve vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een beslissing van de rechtbank.

Verzoeker heeft in dit verband desgevraagd uitdrukkelijk gesteld dat zijn procesbelang enkel en alleen is gelegen in de omstandigheid dat de realisatie van het onderhavige bouwplan de planologisch bestaande mogelijkheid om een betoncentrale of steenbrekerij op te starten kan belemmeren. Naar het oordeel van de rechter kan hierin echter geen voldoende procesbelang zijn gelegen. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen. Op verzoekers bedrijfsperceel is in 1974 door [ondernemer] met hinderwetvergunning een betoncentrale gevestigd. Vanaf begin tachtiger jaren heeft verzoeker het perceel van [ondernemer] gehuurd. Vast staat dat verzoeker zelf nooit een betoncentrale als zodanig in werking heeft gehad. Hij voert op zijn bedrijfsperceel een een handel in bestratingsmaterialen en verhuur van steiger- en bouwmaterialen. Voor deze activiteiten vormt de op ongeveer 65 meter afstand geprojecteerde woning en het kinderdagverblijf geen belemmering. Ingevolge artikel 27, derde (en sedert de wijziging bij Wet van 4 juni 1981 vierde) lid van de Hinderwet, zoals die tot 1993 heeft gegolden, vervalt de vergunning wanneer een gedeelte van een inrichting is verwoest dan wel gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking is geweest voor dat gedeelte. Hieruit volgt dat voor het in werking hebben van een betoncentrale geen hinderwetvergunning meer van kracht is. Voor het verkrijgen van een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer voor het in gebruik nemen van de betoncentrale of een steenbrekerij is de op te richten woning en het kinderdagverblijf van vergunninghouder geen bepalende factor, omdat er reeds twee woningen aanwezig zijn, die aanmerkelijk dichterbij het bedrijf van verzoeker zijn gelegen.

Op grond van voorgaande overwegingen concludeert de rechter dan ook dat het bestreden besluit van 14 maart 2006 dient te worden vernietigd. Met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb om zelf in de zaak te voorzien, zal de rechter het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Bijgevolg dient het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van de besluiten van 14 maart 2006 en 30 mei 2006 te worden afgewezen.

Tot slot zal de rechter op de hierna aangegeven wijze verweerder veroordelen in de proceskosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep tegen verweerders besluit van 14 maart 2006 gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 29 juni 2005 alsnog niet-ontvankelijk (AWB 06/768);

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af (06/1324 en 06/1513);

veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op € 322,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Venray;

bepaalt dat voormelde gemeente aan verzoeker het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. V.P. van Deventer in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op : 14 september 2006.

Tegen het gedeelte van de uitspraak waarin de voorlopige voorziening wordt afgewezen staat geen rechtsmiddel open.

Tegen het gedeelte van de uitspraak waarin het beroep ongegrond is verklaard kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.