Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY8217

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
14-09-2006
Zaaknummer
06 / 1462 en 06 / 975 WRO V1
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan vergunninghoudster 1 de verzochte vrijstelling ex artikel 19, eerste lid van de WRO verleend.

Rechtbank oordeelt dat de lijst ogv artikel 19 lid 2 WRO niet in werking is getreden nu die niet overeenkomstig artikel 136 Provinciewet is gepubliceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 06 / 1462 en 06 / 975 WRO V1

Inzake : [verzoeker] en 2 anderen, wonende te [woonplaats], verzoekers,

tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Gennep, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

De brief d.d. 12 april 2006,

kenmerk: 2006/1410.

Datum van behandeling ter zitting: 25 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij een tweetal besluiten van 8 november 2005 heeft verweerder vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan de gemeente Gennep (hierna te noemen vergunninghoudster 1) voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied “Omgeving Hogeweg” en aan woningstichting De Vuurkuul (hierna te noemen vergunninghoudster 2) een bouwvergunning en een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor het bouwen van zes starterswoningen in dit gebied.

Namens mevrouw [verzoeker] en de heer en mevrouw [anderen] (hierna:verzoekers), heeft mr. M.J. Tunissen, werkzaam bij Hekkelman Advocaten & Notarissen te Nijmegen, tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 april 2006 zijn de bezwaren van verzoekers door verweerder ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door gemachtigde voornoemd namens verzoekers een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de rechtbank. Voorts heeft de huidige gemachtigde van verzoekers, mr. G.J.M. Meulepas, eveneens werkzaam bij Hekkelman Advocaten & Notarissen te Nijmegen, zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb zijn de vergunninghoudsters en gedeputeerde staten van Limburg in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers en de andere partijen gezonden.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 25 augustus 2006, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. de Haas en M. Peeters, ambtenaren van verweerders gemeente. Vergunninghoudsters en Gedeputeerde Staten hebben zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Op 31 mei 1999 heeft de gemeenteraad van Gennep besloten tot aankoop van een perceel grond ter grootte van ca. 19.887 m², gelegen aan de Hogeweg te Ven-Zelderheide om te kunnen voorzien in de toekomstige woningbouw van de kern Ven-Zelderheide.

Bij aanvraag, ontvangen 3 augustus 2004, heeft vergunninghoudster 1 aan verweerder verzocht vrijstelling te verlenen voor het bouwrijp maken van het gebied gelegen aan de westzijde van de Hogeweg, zuidzijde achtertuinen van woningen aan de Spiekerbeekstraat, kadastraal bekend Ottersum, sectie E, nrs. 2763 en 2724.

Bij aanvraag van 30 juli 2004, ontvangen 3 augustus 2004, heeft vergunninghoudster 2 aan verweerder verzocht vrijstelling ex art 19, eerste lid van de WRO te verlenen voor de bouw van zes starterswoningen, gelegen aan de Kluizenaarstraat 8, 10 en 12 en Antoniusstraat 41, 43 en 45 Ven-Zelderheide, kadastraal bekend Ottersum, sectie E, nr. 2663 (ged.).

Ingevolge het ten tijde van de aanvragen vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” rust op de in dat plan gelegen percelen de bestemming “Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke waarden”(AL). Het bouwrijp maken van de grond alsook de bouw van de zes woningen is in strijd dit bestemmingsplan.

Bij besluit I van 8 november 2005 heeft verweerder aan vergunninghoudster 1 de verzochte vrijstelling ex artikel 19, eerste lid van de WRO verleend -onder meer- overwegende dat:

- het vrijstellingsverzoek van de zes starterswoningen past in het ontwerp-bestemmingsplan “Omgeving Hogeweg 2003”;

- Gedeputeerde Staten op 27 juli 2005 hebben besloten om voor het bouwrijp maken van de grond een verklaring van geen bezwaar af te geven;

- de gemeenteraad op 9 mei 2005 voor de betreffende percelen een voorbereidingsbesluit heeft genomen, dat op 14 mei 2005 is bekend gemaakt en waartegen geen bezwaar is gemaakt.

Bij besluit II van eveneens 8 november 2005 heeft verweerder aan vergunninghouder 2 een bouwvergunning en de verzochte vrijstelling ex artikel 19, tweede lid van de WRO verleend onder meer overwegende dat:

- gezien de brief van Gedeputeerde Staten van 12 oktober 2004 verweerder, in het kader van het 1000-woningen plan, voor het bouwplan zonder tussenkomst van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan verlenen;

- naar aanleiding van de ter inzage legging ingebrachte zienswijzen de ruimtelijke onderbouwing is aangepast;

- gelet op de betreffende bepalingen van de Woningwet, het Bouwbesluit alsmede de gemeentelijk bouwverordening geen bezwaar bestaat tegen het plan.

Namens verzoekers is tegen beide besluiten bij verweerder een bezwaarschrift ingediend waarin met name kanttekeningen zijn gezet bij de noodzaak tot woningbouw (in een geplande omvang van 27 woningen) en het bouwrijp maken van het gehele gebied. Verder zijn verzoekers van mening dat het bestemmingsplan “Omgeving Hogeweg 2003”, -vastgesteld op 24 oktober 2004 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 2 mei 2006- dat de ruimtelijke onderbouwing vormt van het plan, is gebaseerd op deels onjuiste uitgangspunten en niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve niet kan fungeren als ruimtelijke onderbouwing van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO. Er is, zo stellen zij, onvoldoende onderzoek verricht naar het bestaande woningaanbod en het verloop binnen de kern Ven-Zelderheide. Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekers die met name zijn gelegen in een rustige en stille woonomgeving.

Bij het bestreden besluit op bezwaar van 12 april 2006 heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften de bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

Tegen het besluit is namens verzoekers beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Daartoe hebben zij, onder handhaving van hetgeen reeds in bezwaar was aangevoerd, naar voren gebracht dat:

- ter onderbouwing van beide vrijstellingsbesluiten het bestemmingsplan “Omgeving Hogeweg 2003” is gebruikt, waarin ten onrecht wordt uitgegaan van de noodzaak van de bouw van 27 nieuwe woningen. In het in opdracht van de gemeente opgestelde advies van Laagland, dat aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, wordt het aantal van 27 woningen onderschreven maar niet cijfermatig onderbouwd. Het bestreden besluit berust daardoor niet op een goede ruimtelijke onderbouwing;

- ten onrechte heeft verweerder zich slechts gebaseerd op het Laaglandadvies en is voorbij gegaan aan de conclusies in het Etil rapport van december 2003, op grond waarvan volstaan kan worden met de bouw van 11 extra woningen. Verder heeft verweerder de uitkomsten van het Woningmarktonderzoek gemeente Gennep, waaruit volgt dat er geen behoefte bestaat aan de bouw van nieuwe woningen, ten onrechte buiten beschouwing gelaten;

- verweerder heeft niet aangetoond dat de leefbaarheid en de vitaliteit van Ven-Zelderheide moeten worden versterkt, noch dat het gesteld effect door de bouw van 27 woningen zal worden bereikt;

- aangezien de noodzaak van de bouw van 27 woningen niet is aangetoond bestaat er geen aanleiding om het gehele gebied bouwrijp te maken.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

Met betrekking tot die hoofdzaak wordt het volgende overwogen.

Ten aanzien van de vrijstelling voort het bouwrijp maken van het exploitatiegebied.

Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel rustende bestemming, ingevolge het ten tijde van het bestreden besluit vigerende bestemmingsplan “Buitengebied”, dat door de gemeenteraad is vastgesteld in juni 1986 en op 27 januari 1987 door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

De gemeenteraad kan, zoals hier is geschied, de in de eerste volzin van artikel 19, eerste lid, van de WRO bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Bij schrijven van 26 juli 2005 is door Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar afgegeven ten behoeve van het bouwrijp maken van de grond exploitatieplan Omgeving Hogeweg mede ten behoeve van zes starterswoningen op het betreffende perceel.

De gemeenteraad heeft op 9 mei 2005 ten aanzien van het onderha¬vige gebied een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO genomen, welk besluit in werking is getreden op 15 juni 2005. Hierdoor staat het gegeven dat het vigerende bestemmingsplan niet tijdig is herzien niet aan verweerders bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO, in de weg.

Voorts heeft de gemeenteraad ten behoeve van het bouwrijp maken van de grond en de geplande woningbouw het ontwerp-bestemmingsplan ‘Omgeving Hogeweg 2003’ opgesteld, dat door de raad is vastgesteld op 24 oktober 2005 en door Gedeputeerde Staten op 2 mei 2006 is goedgekeurd. Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Omgeving Hogeweg 2003’ heeft verweerder gehanteerd als ruimtelijke onderbouwing voor de verleende vrijstelling.

Verzoekers zijn van mening dat voormeld bestemmingsplan - waartegen namens verzoekers beroep is ingesteld bij de Raad van State maar ten tijde van de behandeling ter zitting van de voorzieningenrechter geen schorsingsverzoek was gedaan- niet als ruimtelijke onderbouwing kan dienen voor de verleende vrijstelling, met name omdat daarin, volgens verzoekers onterecht en ongemotiveerd, wordt uitgegaan van de noodzaak van de bouw van uiteindelijk 27 woningen en het bouwrijp maken van de grond voor deze beoogde 27 woningen.

Gelet op het voorgaande dient de rechter ter beoordeling van de voorwaarde in artikel 19, eerste lid, van de WRO, inhoudende dat een goede ruimtelijk onderbouwing aanwezig moet zijn, de vraag te beantwoorden of het aannemelijk is dat het bestemmingsplan ‘Omgeving Hogeweg 2003’ onherroepelijke rechtskracht zal verkrijgen. Daarover wordt als volgt overwogen.

Nadat in het ontwerpbestemmingsplan aanvankelijk werd uitgegaan van een te realiseren bouw van 37 woningen heeft verweerder naar aanleiding van -onder meer- de door verzoekers ingebrachte zienswijzen de behoefte aan woningen in Ven-Zelderheide laten onderzoeken door Laagland’advies te Amersfoort (hierna: Laagland’advies). In het door Laagland’advies op 12 april 2005 uitgebrachte rapport, dat deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, wordt geconcludeerd dat er met een aantal van 27 woningen in de komende 10 jaar in een kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte kan worden voorzien. Ter motivering van dit aantal aantal woningen heeft Laagland”advies aangegeven dat in het woningbehoefteonderzoek in de regio Maasduinen onderzoek is betrokken, waarbij is uitgegaan van recente Primos-bevolkingsprognoses. Uit deze gegevens blijkt dat de bevolking van de gemeente Gennep in de komende jaren zal afnemen. Voorts is gekeken naar de huishoudensprognoses. Gelet op de algemeen geldende trends van vergrijzing is uitgegaan van huishoudensverdunning, ook voor de kern Ven-Zelderheide. Aldus heeft Laagland’advies een autonome woningbehoefte van 9 woningen berekend. Uit de regionale Wonen-Welzijn-Zorg-visie blijkt volgens Laagland”advies dat Gennep en ook Ven-Zelderheide in de eerste plaats wil bouwen voor de eigen bevolking. Dat desalniettemin 27 woningen dienen te worden gerealiseerd hangt op de eerste plaats samen met de aanname dat bij de bouw van negen woningen er niet van kan worden uitgegaan dat iedereen die een woning zoekt ook een geschikte woning zal kunnen vinden. Deze aanname hangt samen de redelijke verwachting dat door de vergrijzing van de bevolking en de huishoudingverdunning, mede gelet op de bestaande woningvoorraad, behoefte zal zijn aan nultredenwoningen en kleinere huurwoningen. De bouw van seniorenwoningen past ook in de opgave die is vastgelegd in het regionale beleidsrapport “Vitaal tot in de kern”. Naast de te bouwen woningen voor de opvang van de kwantitatieve behoefte betekent de bouw van seniorenwoningen een antwoord op de kwalitatieve vraag naar woningen voor senioren waardoor bovendien de doorstroming zal worden bevorderd. Daarenboven zijn extra woningen nodig voor het behoud van de leefbaarheid, die door de vergrijzing en het gegeven dat het aandeel van jongeren in het dorp ondervertegenwoordigd is, onder druk staat. Een evenwichtige samenstelling van de bevolking is essentieel voor het behoud van de leefbaarheid. Het is daarom van groot belang dat starters zich in de kern kunnen vestigen. Dit standpunt komt tevens naar voren in de regionale Wonen-Welzijn-Zorg-visie. De planning van zes starterswoningen is tevens in overeenstemming met het provinciale beleid (1000-woningenplan). Daarnaast zijn er de komende 10 jaar nog zeven zogenaamde ‘Ruimte voor Ruimtewoningen’ nodig om de afbraak van opgeheven agrarische bedrijven mogelijk te maken. Deze woningen vloeien voort uit het provinciaal beleid en zijn niet bedoeld om de lokale vraag op te vangen. Het aantrekken van nieuwe bewoners is van belang voor de vitaliteit van het dorp en voor het behoud van voorzieningen.

Op grond van de door Laagland’advies gehanteerde prognoses kan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte worden onderbouwd. De rechter volgt verzoekers niet in hun stelling dat het rapport te zeer is gebaseerd op aannames en daarom niet deugdelijk zou zijn. Aan de prognose liggen recente onderzoeksgegevens ten grondslag die deels overeenstemmen met de door verzoekers aangehaalde onderzoeken (vermindering van het bevolkingsaantal) doch gelet op de hiervoor aangehaalde aspecten als kwaliteit en leefbaarheid, leiden tot de conclusie dat in de komende tien jaar in gevarieerde woningbouw dient te worden voorzien. Naar het oordeel van de rechter mag worden aangenomen dat het bestemmingsplan in rechte stand zal houden en de daarin gelegen ruimtelijke onderbouwing daarmee voldoet voor de vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, die verweerder heeft verleend om het gebied bouwrijp te maken.

Bij het verlenen van de onderhavige vrijstelling is geen sprake van een zodanige onevenwichtige afweging van de in aanmerking te nemen belangen dat moet worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid niet tot dat vrijstellingsbesluit is kunnen komen. Gezien het feit dat verweerder mede op grond van de door verzoekers ingediende zienswijzen nader onderzoek heeft laten verrichten, welk onderzoek heeft geleid tot een reductie van het aantal te bouwen woningen, kan moeilijk staande worden gehouden dat verweerder geen oog heeft gehad voor de gezichtspunten en belangen van verzoekers. De stelling dat in het verleden toezeggingen zijn gedaan dat op korte termijn geen bebouwing zal plaatsvinden is niet zodanig onderbouwd dat dit tot een andere conclusie zou moeten leiden. Zulks geldt evenzeer ten aanzien van de door verzoekers als alternatief aangewezen bouwlocaties. De rechter volgt ten slotte verweerder in zijn stelling dat het gezien het feit dat zal worden gestart met de zes starterswoningen, die midden in het plan zijn gesitueerd, niet onredelijk is dat het hele terrein bouwrijp wordt gemaakt.

Met betrekking tot de vrijstelling ex artikel 19, tweede lid van de WRO voor de bouw van zes starterswoningen overweegt de rechter voorts als volgt.

Verweerder heeft, gelet op het besluit van Gedeputeerde Staten van 12 oktober 2004, in het kader van het 1000-woningen plan, op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO in het primaire besluit vrijstelling verleend. In deze brief van 12 oktober 2004 heeft Gedeputeerde Staten medegedeeld dat de op bijlage I vermelde projecten, in het kader van het “1000-woningenplan” van de provincie, gerealiseerd kunnen worden door het verlenen van een vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zonder dat daarvoor een verklaring van geen bezwaar van de provincie is vereist, zulks in overeenstemming met de VROM Inspectie Regio Zuid.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder voor zijn bevoegdheid vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan verwezen naar de door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst van gevallen artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Gelet op de taak van de rechter om ambtshalve kwesties van openbare orde te beoordelen, is de vraag aan de orde of verweerder zijn bevoegdheid kan ontlenen aan de door hem bedoelde lijst van gevallen. Het bestaan van die bevoegdheid hangt ervan af of het bouwplan waarvoor vrijstelling is gevraagd behoort tot de categorieën van gevallen welke gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur hebben aangegeven. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2006 (LJN: AX9458, AB 2006,236) is geoordeeld dat de bedoelde categorieën van gevallen een algemeen verbindend voorschrift betreffen. Ingevolge artikel 136, eerste en tweede lid, van de Provinciewet verbinden besluiten van het provinciebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, niet dan wanneer zij bekend zijn gemaakt door plaatsing in het provinciaal blad dat algemeen verkrijgbaar wordt gesteld, aldus de Afdeling.

Naar het oordeel van de rechter kan de verplichting tot plaatsing in het provinciaal blad geen andere betekenis hebben dan dat de integrale tekst van het desbetreffende algemeen verbindend voorschrift in het provinciale blad moet worden gepubliceerd. De rechter ziet een bevestiging voor dat oordeel in de Memorie van Toelichting bij het grotendeels gelijkluidende artikel 139 van de Gemeentewet waarin uitdrukkelijk is vermeld dat integrale publicatie nodig is. Tevens is in die toelichting het belang van de beschikbaarheid van een “naslag-werk” uit het oogpunt van rechtszekerheid en kenbaarheid voor burgers benadrukt, hetgeen overigens de wenselijkheid van bekendmaking via andere media onverlet laat. De lijst van gevallen waarop verweerder in casu zijn bevoegdheid heeft gestoeld is niet nader door verweerder aangegeven. Verweerder heeft mogelijk het oog gehad op (de aanvulling van) de lijst die door Gedeputeerde Staten op 25 oktober 2005 is vastgesteld. In het provinciaal blad van Limburg 2005/71 van 10 november 2005 is bekend gemaakt dat de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg met inbegrip van de nieuwe lijst van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, WRO is vastgesteld en in werking treedt daags na de publicatie. Daarbij is vermeld dat de Handreiking beschikbaar is via www.limburg.nl/ruimte. Tevens is in dat provinciale blad bekendgemaakt dat de vigerende Handreiking inclusief de lijst van gevallen is ingetrokken.

De rechter is van oordeel dat voormelde vorm van bekendmaking van de lijst van gevallen niet voldoet aan het vereiste van integrale publicatie als voormeld. Noch de verwijzing naar de website van de provincie, noch de (eventuele) beschikbaarheid van een papieren versie van de Handreiking maakt dat anders, alleen al omdat daardoor niet is gewaarborgd dat steeds aan de hand van de provinciale bladen is te traceren welke tekst van de lijst van gevallen in een bepaald, eventueel in het (verre) verleden gelegen, tijdvak van kracht was. Dit betekent dat door de publicatie in het provinciale blad 2005/71 de lijst van gevallen die Gedeputeerde Staten op 25 oktober gevallen niet voldoet aan het vereiste van integrale publicatie als voormeld. Noch de verwijzing naar de website van de provincie, noch de (eventuele) beschikbaarheid van een papieren versie van de Handreiking maakt dat anders, alleen al omdat daardoor niet is gewaarborgd dat steeds aan de hand van de provinciale bladen is te traceren welke tekst van de lijst van gevallen in een bepaald, eventueel in het (verre) verleden gelegen, tijdvak van kracht was. Dit betekent dat door de publicatie in het provinciale blad 2005/71 de lijst van gevallen die Gedeputeerde Staten op 25 oktober 2005 hebben vastgesteld, niet in werking is getreden, maar de eerder vigerende lijst juist wel is ingetrokken.

De rechter stelt voorts vast dat in het provinciaal blad 2006/33 van 27 april 2006 is bekendgemaakt dat de lijst van gevallen ex artikel 19, tweede lid, WRO is gewijzigd per 1 april 2006. Daarbij is de integrale tekst van artikel 1, onderdeel a, van de lijst, betreffende het bouwen van een of meer woningen, met daaraan inherente voorzieningen, opgenomen en daarnaast een aanvullend onderdeel van artikel 2. Naar het oordeel van de rechter betekent het voorgaande dat artikel 1, onderdeel a, van de lijst van gevallen alsnog in werking is getreden. De aanvulling van artikel 2 levert daarentegen geen complete, hanteerbare, tekst op, zodat deze niet geacht kan worden in werking te zijn getreden. De omstandigheid dat niet de volledige lijst van gevallen zoals die gedeputeerde staten voor ogen stond, van kracht is geworden doet echter niet af aan de toepasbaarheid van artikel 1, onderdeel a, van de lijst van gevallen. De rechter concludeert uit het voorgaande dat het bestreden besluit geacht moet worden te voldoen aan de voorwaarde van artikel 19, tweede lid, van de WRO dat dit een door gedeputeerde staten aangewezen categorie van gevallen betreft.

Wat betreft de vraag of aan de voorwaarde is voldaan dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing verwijst de rechter naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen betreffende de vrijstelling voor het bouwrijp maken van het gebied. Opgemerkt zij dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning weliswaar slechts betrekking hebben op de zes starterswoningen, maar dat verweerder op goede gronden voor de ruimtelijke onderbouwing het gehele project in aanmerking heeft genomen, temeer nu de door de verzoekers aangevoerde gronden met name zijn gericht op het aantal van 27 woningen.

Ter zitting hebben gemachtigden van verweerder verklaard dat de bouwaanvraag tijdens de bezwaarprocedure opnieuw is voorgelegd aan de welstandscommissie en dat deze akkoord is bevonden door middel van een stempel op de bouwaanvraag. Hoewel dat stempel in het dossier niet is terug te vinden heeft de rechter geen reden om aan die verklaring te twijfelen en acht hij de desbetreffende beroepsgrond voldoende weerlegd.

Nu voldaan is aan de bevoegdheidsvoorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO en niet kan worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid, terwijl het besluit ook overigens niet in strijd is met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, moet het beroep ook ten aanzien van de verleende bouwvergunning en vrijstelling voor ongegrond worden gehouden.

Er is dan ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Aangezien geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan een der partijen zou moeten worden veroordeeld in de proceskosten van een van de andere partijen, wordt beslist als in rubriek III aangegeven.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbankRoermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2006

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 september 2006

el

Tegen het gedeelte van de uitspraak waarin de voorlopige voorziening wordt afgewezen staat geen rechtsmiddel open.

Tegen het gedeelte van de uitspraak waarin het beroep ongegrond is verklaard kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.