Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY3859

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
06/1168 AW V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het tweede lid van artikel 8:1 van de Awb waarborgt dat ambtenaren ook beroep kunnen instellen tegen mondelinge beslissingen, feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen die hen in hun belang als ambtenaar rechtstreeks raken. Verzoeker heeft de mededelingen van verweerder van 23 juni 2006, welke –onder meer- strekten tot afwijzing van zijn verzoek- als zodanig opgevat. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, gelet op het dossier alsmede het verhandelde ter zitting en in aanmerking genomen dat in het schrijven van verweerder van 26 juni 2006 is vermeld dat in het gesprek van 24 mei 2006 aan verzoeker is medegedeeld dat zwaarwegende dienstbelangen zich verzetten tegen het verzoek, deze mondelinge beslissing op grond van het tweede lid van artikel 8:1 van de Awb evenzeer als voor beroep vatbaar kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 06 / 1168 AW V1

Inzake : [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [plaatsnaam werkadres], verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

het besluit van verweerder d.d. 23 juni 2006.

Datum van behandeling ter zitting: 30 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij beweerdelijk besluit van 23 juni 2006 heeft verweerder verzoeker medegedeeld zich niet te kunnen verenigen met diens conclusie dat op 1 juni 2006 van rechtswege is beslist op verzoekers aanvraag tot vermindering van arbeidsuren.

Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoeker gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 juni 2006, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door H.M.T. Snijders, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.T.G. van den Bongard, hoofd afdeling juridische zaken, en mr. M.T.J.H. Berns, werkzaam bij CAPRA te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

Verzoeker is als juridisch medewerker fulltime in dienst van verweerder. Bij schrijven van 25 februari 2006 heeft verzoeker verzocht de arbeidsduur ingaande 1 juli 2006 te verminderen met één dag (7 uur en 12 minuten), bij voorkeur op maandag of vrijdag.

Bij fax-bericht van 21 juni 2006 heeft verzoeker aan verweerder medegedeeld dat vanwege het uitblijven van een beslissing na 1 juni 2006, op zijn verzoek van 26 februari 2006 om aanpassing van de arbeidsduur, ingevolge artikel 2, tiende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa), de arbeidsduur is aangepast conform het verzoek. Verzoeker heeft aangegeven dat hij daarom met ingang van 1 juli 2006 op de maandagen niet meer zal werken.

Op 23 juni 2006 heeft vervolgens overleg plaatsgevonden tussen verzoeker, de sectordirecteur en het afdelingshoofd waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het tussen partijen gevoerde overleg, de in artikel 2, tiende lid, van de Waa gestelde termijn opschort. In dit overleg heeft verweerder tevens medegedeeld dat indien verzoeker op 3 juli 2006 niet op zijn werk zal verschijnen dit als een werkweigering zal worden opgevat.

Verzoeker, van mening dat de mededeling op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb, dient te worden gekwalificeerd als een voor bezwaar vatbaar besluit, heeft in bezwaar aangevoerd dat verweerders standpunt in strijd is met artikel 2, tiende lid van de Waa. Nu verweerder niet voor 1 juni 2006 schriftelijk op het verzoek heeft beslist, mist het (beweerdelijke) besluit van 23 juni 2006 elke rechtsgrondslag. Voorts is het besluit onjuist, onbehoorlijk, niet gemotiveerd en onrechtmatig. Tenslotte is verzoeker van mening dat verweerder ten onrechte heeft gemeend dat er zwaarwegende bedrijfsbelangen aan inwilliging van het verzoek in de weg staan. Verzoeker heeft er in dit verband op gewezen dat hij in het verleden jaar in het kader van ouderschapsverlof een dag per week minder kon werken, zonder nadere aanpassingen in de bedrijfsvoering.

Verzoeker heeft op 26 juni 2006 de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende de schorsing van het besluit van 23 juni 2006.

Bij fax-bericht van 29 juni 2006 heeft verweerder verzoeker en de rechtbank het schriftelijke besluit van gelijke datum, strekkende tot weigering van verzoekers aanvraag, doen toekomen.

Ter zitting heeft verzoeker nogmaals aangegeven dat de besluiten genomen na 1 juni 2006 rechtskracht missen omdat op 1 juni 2006 de verzochte vermindering arbeidsuren van rechtswege is toegekend.

Overwogen wordt als volgt.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Als vorenstaande situatie zich niet voordoet dan is het antwoord op de vraag of sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in de hoofdzaak al dan niet voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Ook acht de rechter de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. In het tweede lid van artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat onder een besluit (onder andere en voor zover hier van belang) tevens wordt verstaan een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.

Het tweede lid van artikel 8:1 van de Awb waarborgt dat ambtenaren ook beroep kunnen instellen tegen mondelinge beslissingen, feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen die hen in hun belang als ambtenaar rechtstreeks raken. Verzoeker heeft de mededelingen van verweerder van 23 juni 2006, welke –onder meer- strekten tot afwijzing van zijn verzoek- als zodanig opgevat.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, gelet op het dossier alsmede het verhandelde ter zitting en in aanmerking genomen dat in het schrijven van verweerder van 26 juni 2006 is vermeld dat in het gesprek van 24 mei 2006 aan verzoeker is medegedeeld dat zwaarwegende dienstbelangen zich verzetten tegen het verzoek, deze mondelinge beslissing op grond van het tweede lid van artikel 8:1 van de Awb evenzeer als voor beroep vatbaar kan worden aangemerkt.

Weliswaar moet worden vastgesteld dat het in artikel 2, vierde lid, Waa voorgeschreven overleg over het verzoek tot arbeidsduurverkorting daadwerkelijk pas heeft plaatsgevonden ná 24 mei 2006, dit maakt het vorenstaande niet anders. Immers niet kan worden voorbijgegaan aan artikel 2, vijfde lid, Waa, waarin is bepaald dat de werkgever indien zwaarwegende bedrijfs-of dienstbelangen zich daartegen verzetten, het verzoek kan afwijzen. In dergelijke situaties is, zo oordeelt de rechter, artikel 2, vierde en vijfde lid in onderling verband beziend, geen ruimte voor overleg.

Dit laat overigens onverlet dat verweerder omtrent een andere invulling van het verzoek om arbeidsduurverkorting met verzoeker dient te overleggen.

Van een dergelijk overleg is ook sprake geweest en gebleken is dat er inderdaad nog slechts overleg is gevoerd over een groter aantal urenvermindering en een andere ingangsdatum. Nota bene werd dit overleg mede op verzoek van verzoeker aanvankelijk uitgesteld en ook na het verstrijken van 1 juni 2006 voortgezet, hoewel daarbij het verzoek zoals door verzoeker voorgelegd niet meer ter discussie stond. (Hetgeen verzoeker zélf ook vond, maar om een andere reden). Voor verzoeker kon er geen misverstand over bestaan dat verweerder, gezien zwaarwegend bedrijfsbelang, afwijzend stond tegenover zijn verzoek en gevoerd overleg nog uitsluitend betrekking had op alternatieven om verzoeker enigszins tegemoet te komen.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verzoeker zich niet met vrucht kan beroepen op het ontstaan van een besluit van rechtswege op 1 juni 2006.

In artikel 2, zevende lid, van de Waa is weliswaar eveneens bepaald dat de beslissing op het verzoek schriftelijk –en bij afwijzing met redenen omkleed- wordt medegedeeld, doch daaraan kan een mondelinge beslissing voor ommekomst van de termijn aan voorafgaan.

Het bezwaar van verzoeker wordt dan ook mede te zijn gericht tegen de mondelinge beslissing van 24 mei 2006, weergegeven in het schrijven van 26 juni 2006 en bevestigd in het schriftelijke besluit van 29 juni 2006.

Verzoeker heeft bestreden dat er sprake is van zwaarwegende belangen.

De rechter deelt dit standpunt niet. Zoals in het schriftelijke besluit van 29 juni 2006 is toegelicht, is er sprake van onderbezetting. Tijdens het ouderschapsverlof van verzoeker is volgens verweerder gebleken dat er zoveel taken bleven liggen of door anderen moesten worden uitgevoerd, dat dit voor een structurele duur niet aanvaardbaar zou zijn. Verweerder heeft in het schriftelijk besluit voldoende –nader- gemotiveerd dat er sprake is van een zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 2, achtste lid, sub a, van de Waa.

Verweerder kan worden tegengeworpen dat de onderbezetting structureel is en vanaf najaar 2004 bekend, doch gelet op het feit dat eerst recent budgettaire ruimte is ontstaan de problemen te onderzoeken en er momenteel nog een (extern) onderzoek plaats naar de positie van de juridische functies is er thans nog sprake van een zwaarwegend belang. Van verweerder mag worden verwacht dat op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid wordt geschapen over eventuele vacatureruimte. In dat geval ligt het in de rede dat verweerder als goed werkgever een nieuw verzoek spoedig -binnen de termijn van twee jaar- in overweging zal nemen indien het overleg tussen verweerder en verzoeker al niet eerder tot een voor beide partijen bevredigende oplossing heeft geleid.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding het bestreden besluit, zoals dat thans voorligt, te schorsen.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

id

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.