Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AY0320

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
71788 / HA ZA 06 - 86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beperkte uitleg artikel 4:52 BW; ex-partnerproblematiek; uitleg "mijn vriendin" in testament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 12 juli 2006

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie:

[J.],

wonende te [woon[plaats], [adres],

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen;

tegen:

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie:

[R.],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. M.F.J.J.M. Tijssen.

Partijen worden als volgt aangeduid:

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie: [J.];

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie: [R.].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding met zestien bijlagen;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- het vonnis van deze rechtbank van 19 april 2006;

- de conclusie van antwoord in reconventie met acht bijlagen;

- een akte van [J.] van 31 mei 2006;

- een akte van [R.] van 31 mei 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 juni 2006.

2. Vaststaande feiten in conventie en in reconventie

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

Van omstreeks 1990 tot en met september 1996 heeft [R.] een relatie gehad en samengewoon met [B.] (verder aangeduid als [B.]).

[R.] en [B.] hadden geen samenlevingscontract.

Gedurende hun samenleving hadden [R.] en [B.] een gezamenlijke bankrekening waarop zij (gedeeltelijk) hun salaris stortten en van welke rekening zij de kosten van hun huishouding betaalden.

Op 21 januari 1992 heeft [B.] tegenover notaris [naam notaris 1] te [standplaats] een testament opgemaakt (verder aangeduid als het testament), dat onder meer inhoudt:

- Ik legateer aan mijn vriendin, mevrouw [R.], inkoopster, wonende [adres] te [woonplaats], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]: het vruchtgebruik haar leven lang durende van mijn flatwoning met toebehoren met de complete inboedel daarvan en al hetgeen zich daarin overigens bevindt (een en ander voor zover mijn eigendom), staande en gelegen [adres] te [plaats]. Ik stel mijn genoemde vriendin vrij van de verplichting tot het stellen van zekerheid voor gemeld vruchtgebruik. Dit vruchtgebruik gaat in bij mijn overlijden en eindigt bij het overlijden van mijn genoemde vriendin, alsook wanneer zij definitief mocht worden opgenomen in een bejaarden-, verzorgings- dan wel verpleeghuis. Onder bezwaar van voorschreven vruchtgebruik legateer ik gemelde flatwoning met toebehoren aan mijn naaste bloedverwanten.

- Onder bezwaar van het voorschrevene benoem ik tot mijn universele erfgename: mijn genoemde vriendin.

Op 21 januari 1992 zijn partijen bij notaris [naam notaris 1] schriftelijk een zogenaamd verblijvingsbeding overeengekomen, dat door hen is ondertekend en onder meer inhoudt: zolang de samenleving voortduurt, geldt ten aanzien van gemeld onroerend goed - de rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld de flatwoning aan de [adres] te [plaats] - alsmede ten aanzien van de gemeenschappelijke zaken, goederen en rechten van beiden, dat dit een en ander bij onverhoopt overlijden van een der ondergetekenden van rechtswege als bij toescheiding verblijft aan de langstlevende der ondergetekenden, zulks onder de verplichting om de lasten die daarop alsdan nog mochten rusten voor zijn/haar rekening te nemen en te voldoen.

[J.] is op [datum] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [B.].

[B.] is op [datum] overleden.

3. Vordering en stellingen van [J.] in conventie

[J.] vordert primair voor recht te verklaren dat zij de erfgename bij versterf is van [B.], subsidiair [R.] te veroordelen om mee te werken aan de vestiging van een vruchtgebruik op het aandeel van [B.] in de tot de huwelijksgoederengemeenschap van [J.] en [B.] toebehorende echtelijke woning en op de inboedel daarvan en op het tot de nalatenschap van [B.] behorende eigen vermogen van € 83.815,00 en - voor het geval [R.] na behoorlijk te zijn opgeroepen niet meewerkt aan de vestiging van dat vruchtgebruik - te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van het deel van de akte dat de (wilsverklaring tot) medewerking door [R.] aan de vestiging van dat vruchtgebruik behelst, alsmede zowel primair als subsidiair [R.] te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen alle kosten die op de tenuitvoerlegging vallen. [J.] stelt daartoe het volgende.

Primair

[J.] stelt zich op het standpunt dat zij de enige erfgename is van [B.] en dat het testament is vervallen. Zij is van mening dat het bepaalde in artikel 4:52 BW zonder meer ook van toepassing is op de situatie waarin sprake is geweest van een samenleving in plaats van een huwelijk.

Als de rechtbank mocht oordelen dat het testament niet is vervallen, dan volgt uit recente gepubliceerde rechtspraak, waarin over vergelijkbare situaties werd geoordeeld als de onderhavige, dat het testament tegenover [R.] geen effect sorteert en dat [R.] daaraan geen rechten kan ontlenen.

Als de rechtbank mocht oordelen dat het testament ook niet op grond van de rechtspraak is vervallen dan dient het testament op grond van het bepaalde in artikel 4:46 BW uitgelegd te worden, waarbij gelet moet worden op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Ook bij uitlegging van het testament sorteert dit tegenover [R.] geen effect. Dit blijkt uit het volgende. [B.] heeft het testament uitsluitend laten opmaken vanwege het bestaan van een affectieve relatie met [R.], met wie hij toen samenwoonde. [R.] hield gedurende de gehele samenlevingsperiode haar eigen flat aan. Na de beëindiging van de relaties hoefden [B.] en [R.] financieel niet met elkaar af te rekenen. Uit de aanduiding “mijn vriendin” in het testament kan worden afgeleid dat het testament betrekking heeft op de periode dat er een affectieve relatie tussen [R.] en [B.] bestond en dat [B.] niet heeft gewild dat [R.] lang nadat hun relatie was beëindigd, van hem zou erven, te meer niet nu [B.] daarna met [J.] in gemeenschap van goederen is getrouwd. Het verblijvingsbeding dat op dezelfde datum als het testament is opgemaakt, gold zolang de samenleving voortduurde. [J.] en [B.] zijn in 2003 bij notaris [naam notaris 2] geweest met de vraag of er een testament opgesteld moest worden ten behoeve van [J.], waaruit blijkt dat [B.] [J.] en niet [R.] als zijn enige erfgenaam wenste. Enige maanden voor zijn overlijden heeft [B.] zijn eigen bankrekening ten behoeve van [J.] laten wijzigen in een en/of-rekening, waaruit eveneens blijkt dat [J.] na het overlijden van [B.] over zijn nalatenschap zou kunnen beschikken zonder eventuele problemen met de bank.

Subsidiair

[J.] maakt aanspraak op de vestiging van een vruchtgebruik op de woning en de inboedel, zoals bepaald in artikel 4:29 BW en - gezien haar inkomen en de zorg voor twee nog thuiswonende studerende kinderen uit een eerder huwelijk - op de overige goederen van de nalatenschap, zoals bepaald in artikel 4:30 BW.

4. Verweer van [R.] in conventie

[R.] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [J.] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling. [R.] voert daartoe het volgende verweer.

Primair is [R.] van mening dat zij de enige erfgename is van [B.]. De bewoordingen van het testament zijn voldoende duidelijk. Artikel 4:52 BW is niet van toepassing, omdat [R.] en [B.] niet waren gehuwd en er ook geen trouwbeloften gewisseld waren. Uitsluitend voor het geval dat de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de grammaticale interpretatie van het testament onvoldoende duidelijk is, zal er aansluiting gezocht moeten worden bij artikel 4:46 BW voor nadere uitleg van het testament.

Gedurende de samenleving van [R.] en [B.] hadden partijen een gezamenlijke bankrekening waarop zij (gedeeltelijk) hun salaris stortten en van welke rekening zij de kosten van de huishouding betaalden. Nadat [B.] in mei 1995 uit zijn arbeidsrelatie was ontslagen, heeft uitsluitend [R.] vanaf mei tot en met december 1995 haar salaris (gedeeltelijk) op de gezamenlijke bankrekening gestort. [R.] stelt zich dan ook op het standpunt dat de verhouding die de uiterste wil in het testament wilde regelen, zag op een financiële compensatie tegenover [R.] vanwege haar bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van haar en [B.].

[R.] was sinds 1967 een vriendin van [B.]. Zelfs na de beëindiging van de samenwoning hebben [R.] en [B.] nog vaak contact met elkaar gehad. Ook de reeds lange vriendschap van partijen was kennelijk de intentie voor [B.] om [R.] tot enige erfgename te benoemen en dit in stand te houden.

Gedurende hun relatie heeft [R.] [B.] altijd emotioneel ondersteund, met name ook ten aanzien van zijn drankprobleem. De relatie met [J.] heeft [B.] in het begin voor [R.] geheim gehouden; [R.] moest daar zelf achter komen. Naar de mening van [R.] heeft [B.] het testament opgesteld en in stand gelaten met de intentie om [R.] voor dit een en ander emotioneel te compenseren.

Kennelijk is er bewust niet voor gekozen om in het testament op te nemen dat de uiterste wil van [B.] niet gekoppeld wordt aan de samenleving van [R.] en [B.].

Subsidiair betwist [R.] dat [J.] voor haar verzorging behoefte heeft aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan de woning en de inboedel daarvan. [J.] heeft gezien haar leeftijd voldoende mogelijkheden om zelf in haar verzorging te voorzien. Zij kan fulltime gaan werken, zij heeft geen kosten ten behoeve van de tot haar huishouding behorende kinderen die per maand € 275,00 aan kinderbijdrage ontvangen en bovendien een leeftijd hebben om met een bijbaantje nadere inkomsten te verwerven.

5. Vordering en stellingen van [R.] in reconventie

[R.] vordert - onder verwijzing naar haar stellingen dienaangaande in conventie - voor recht te verklaren dat zij op basis van het testament de enige erfgenaam is van [B.] en [J.] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

6. Het verweer van [J.] in reconventie

[J.] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [R.] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling. [J.] voert daartoe als verweer dat geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [B.] [R.] bij het opmaken van zijn testament slechts zijn erfgename wilde laten zijn in het geval dat zij ten tijde van zijn overlijden een affectieve relatie met elkaar zouden hebben en hij met haar zou samenwonen, maar niet als hij met een ander zou zijn getrouwd.

7. Beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

Op 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. Het erfrecht behoort tot het vermogensrecht en daarom gelden een aantal algemene bepalingen van overgangsrecht die van kracht werden bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht op 1 januari 1992 ook voor het nieuwe erfrecht. Artikel 68a van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow) bepaalt - kort gezegd - dat het nieuwe erfrecht vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing is, tenzij uit een bijzondere bepaling van de Ow iets anders voortvloeit. Dit laatste doet zich in dit geval niet voor. Een en ander betekent dat het geschil tussen partijen beoordeelt dient te worden aan de hand van de bepalingen van het nieuwe erfrecht.

In zowel conventie als reconventie is het kernpunt van geschil de vraag wie als erfgenaam heeft te gelden van (de nalatenschap van) [B.]: [J.] die zich beroept op het bepaalde in artikel 4:52 BW subsidiair artikel 4:46 BW of [R.] die zich op het testament beroept. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Artikel 4:52 BW bepaalt dat een beschikking, getroffen ten voordele van degene met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden. Met een beroep op literatuur en jurisprudentie betoogt [J.] dat artikel 4:52 BW ook van toepassing is buiten de daarin genoemde gevallen. Voor zover de rechtbank bekend, komt er in de literatuur slechts één opvatting voor die er voor pleit dat artikel 4:52 BW naar zijn strekking ook van toepassing is indien sprake is van een samenwoning ten tijde van het maken van het testament, mits op de samenwoning een huwelijk is gevolgd en vervolgens een echtscheiding of scheiding van tafel en bed. In de jurisprudentie wordt deze opvatting (slechts) aangehaald in de conclusie van de advocaat-generaal, voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2004 (NJ 2005/58). Dat artikel 4:52 BW naar zijn strekking ook van toepassing is buiten de daarin genoemde gevallen, gaat in dit geval alleen daarom al niet op omdat de samenwoning van [R.] met [B.] nimmer door een huwelijk is gevolgd. Het testament is op grond van het bepaalde in artikel 4:52 BW niet komen te vervallen.

De rechtbank komt nu toe aan de vraag of het testament op grond van het bepaalde in artikel 4:46 BW tegenover [R.] effect sorteert. Bij de uitleg van het testament dient te worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt; daden of verklaringen van de erflater buiten het testament mogen slechts dan voor uitleg van een testament worden gebruikt indien het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijk zin heeft.

De volgende omstandigheden acht de rechtbank van belang bij de uitleg van het testament. [B.] heeft zijn testament van 21 januari 1992 gemaakt toen hij al enkele jaren met [R.] samenwoonde in zijn woning. Voor het geval een van hen zou komen te overlijden, zijn [R.] en [B.] op dezelfde datum bij notaris [naam notaris 1], ten overstaan van wie het testament werd verleden, ten aanzien van de woning en van de gemeenschappelijke zaken, goederen en rechten van beiden een verblijvingsbeding overeengekomen zolang de samenleving voortduurt. [R.] en [B.] voerden een gemeenschappelijke huishouding en hadden een gemeenschappelijke bankrekening, die zij ieder met een deel van hun salaris voedden en van welke rekening zij de kosten van hun huishouding betaalden. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat er tussen [R.] en [B.] een affectieve relatie heeft bestaan en dat [B.] uitsluitend uit affectie ten opzichte van [R.] heeft gehandeld. Uit het gebruik van de woorden “mijn vriendin” in het testament leidt de rechtbank dan ook af dat [B.] bij het maken van het testament niet de situatie voor ogen heeft gehad dat de samenwoning met [R.] na enkele jaren zou zijn geëindigd en dat [B.] zijn testament, nu daarin geen andere bedoeling van [B.] is vermeld noch daaruit kan worden afgeleid, niet heeft bedoeld voor de situatie na beëindiging van de samenwoning.

Naar het oordeel van de rechtbank moet uit de woorden “mijn vriendin” dan ook de (meest aannemelijke) bedoeling van [B.] worden afgeleid dat benoeming van [R.] tot erfgename van [B.] uitsluitend gold voor de situatie dat [R.] met [B.] nog samenwoonde op het tijdstip van diens overlijden. Die bedoeling wordt versterkt door het feit dat [B.] na het verbreken van de samenwoning met [R.] in september 1996, op [datum] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [J.]. Onbetwist zijn de stellingen van [J.] dat zij en [B.] in 2003 bij notaris [naam notaris 2] in [standplaats] zijn geweest met de vraag of er een testament opgesteld moest worden ten behoeve van [J.] en dat [B.] zijn bankrekening ten behoeve van [J.] heeft laten wijzigen in een zogenaamde en/of-rekening, waardoor [J.] over de gelden van die rekening kon beschikken.

[R.] heeft nog als verweer aangevoerd dat de verhouding die het testament wilde regelen, zag op een financiële compensatie tegenover [R.] vanwege uitsluitend haar bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, met name in de periode van mei tot en met december 1995. Daarnaast zou [B.] het testament hebben gemaakt en in stand gehouden met de intentie om [R.] te compenseren voor haar emotionele ondersteuning van [B.] bij zijn drankprobleem en ook vanwege het feit van de jarenlange vriendschap tussen [B.] en [R.]. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uiterste wil van [B.] in 1992 niet zijn beïnvloed door het posterieure feit dat [R.] in 1995 een aantal maanden de kosten van de gemeenschappelijke huishouding alleen heeft gedragen; van dit, in 1992 nog toekomstige feit is niet aannemelijk (geworden) dat [B.] dat toen kan hebben verwacht. De stellingen van [R.] dat het testament is gemaakt en in stand gehouden in verband met emotionele ondersteuning en de jarenlange vriendschap acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Al deze verweren worden gepasseerd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [J.] de erfgename bij versterf is van [B.] en wel in haar hoedanigheid van niet van tafel en bed gescheiden echtgenote van [B.]. Het in conventie primair gevorderde is toewijsbaar, met dien verstande dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad ten aanzien van een verklaring voor recht niet mogelijk is en in zoverre dan ook zal worden afgewezen. Op grond van hetgeen de rechtbank in conventie heeft overwogen, dient de vordering in reconventie afgewezen te worden.

[R.] zal als de partij die zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

in conventie

verklaart voor recht dat [J.] de erfgename bij versterf is van de op [datum] overleden [B.];

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst af het gevorderde;

in conventie en reconventie

veroordeelt [R.] in de proceskosten van [J.], daaronder begrepen alle kosten die op de tenuitvoerlegging vallen, welke proceskosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 248,00 aan griffierechten,

€ 84,87 aan explootkosten en

€ 1.130,00 aan salaris procureur;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.L.M. Magnée en op de openbare civiele terechtzitting van 12 juli 2006 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.