Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AW2474

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
04/610037-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art. 326 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer dagvaarding: 04/610037-04

Uitspraakdatum: 20 april 2006

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 november 2005, 21 maart 2006, 28 maart 2006, 30 maart 2006 en 6 april 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 september 2005.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 21 maart 2006 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak:

De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe het volgende.

Nadat door [bedrijf] aan [verdachte] een optie was verschaft heeft [bedrijf] bij brief van 14 mei 1999 een aanbod tot verkoop gedaan, met als voorwaarde dat [verdachte] uiterlijk 15 juni 1999 positief zou reageren en achterstallige optietermijnen zou voldoen, bij gebreke waarvan [bedrijf] zich vrij achtte met betrekking tot de onroerende zaak. [verdachte] heeft daarna de achterstallige optietermijnen voldaan en vervolgens zijn er besprekingen met de gemeente Roermond -de eigenaar van de te verkopen onroerende zaak- tot stand gekomen. De gemeente heeft eerst bij brief van 19 mei 2000 een definitief standpunt jegens [verdachte] ingenomen. Al die tijd heeft [ambtenaar] als directeur van [bedrijf] intern het standpunt ingenomen dat [verdachte] nog immer optiegerechtigd was. Naar het oordeel van de rechtbank had [ambtenaar] daarin ook een ander standpunt in kunnen nemen althans [verdachte] veel eerder (nogmaals) een uiterste termijn kunnen stellen, doch [ambtenaar] heeft dat niet gedaan, volgens zijn eigen verklaring omdat hij de mening was toegedaan dat het optierecht van [verdachte] nog gold. Vastgesteld moet worden dat uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat [ambtenaar] dat standpunt heeft ingenomen -al dan niet in samenwerking met [verdachte]- met het opzet [betrokkene] op te lichten. Dat [ambtenaar] op 16 mei 2000 aan [betrokkene] kenbaar heeft gemaakt dat [verdachte] nog immer een optierecht had op de grond was dan ook consequent met zijn eerdere gedragingen en/of uitlatingen, zodat daaruit geenszins enig onoirbaar oogmerk kan worden afgeleid.

Uit het vorenstaande volgt dat het door [ambtenaar] tegenover [betrokkene] presenteren van die [verdachte] als rechthebbende op een optie danwel anderszins als enig rechthebbende op de kavel grond en het aan [betrokkene] mededelen dat [betrokkene] deze niet kon kopen omdat [ambtenaar] daarin niet vrij was omdat [verdachte] met die grond bezig was en als [betrokkene] met de grond verder wilde, hij eerst met [verdachte] moest praten omdat die een optie had op de grond, geen valse hoedanigheid dan wel listige kunstgrepen dan wel een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht opleveren. Er is niet bewezen dat [ambtenaar] deze handelingen heeft verricht met het oog

op oplichting van [betrokkene].

Er is verder geen enkel bewijs van enige betrokkenheid van [ambtenaar] bij de overige tenlastegelegde handelingen.

Gelet op het vorenstaande is niet bewezen dat er sprake is geweest van een bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [ambtenaar] gericht op de tenlastegelegde oplichting van [betrokkene].

Wat dan resteert is de vraag of bewezen is dat [verdachte] middels de overige in de tenlastelegging opgenomen feitelijke gedragingen [betrokkene] heeft opgelicht.

De rechtbank stelt voorop dat uit de onderhandelingen/besprekingen die [verdachte] heeft gevoerd met de gemeente volgt dat deze oprecht geïnteresseerd was in aankoop van de grond teneinde daar te bouwen. De mededelingen die [verdachte] volgens [betrokkene] op 29 mei 2000 aan hem deed, te weten dat [verdachte] van de bouw afzag en dat [verdachte] [betrokkene] als eerste gegadigde wilde voor de koop van de grond en dat [verdachte] dan wel zijn kosten vergoed wilde hebben zijn nog geenszins als oplichtingsmiddelen en/of onware mededelingen aan te merken. Hierbij is allereerst van belang dat [ambtenaar] als statutair directeur van [bedrijf] heeft uitgedragen dat [verdachte] nog optiegerechtigde was en [verdachte] daarop mocht afgaan. Hiermee is in overeenstemming dat [verdachte] de gelegenheid kreeg om met de gemeente in gesprek te gaan over de voorwaarden voor verwerving van de koplocatie. Toen [verdachte] vernam dat de gemeente hem niet tegemoet wilde komen was het dan ook geenszins vreemd dat hij aan [betrokkene] kenbaar maakte dat hij afzag van de bouw. Dat hij kenbaar maakte aan [betrokkene] dat hij hem als eerste gegadigde zag voor de koop van de grond is verklaarbaar gelet op de zakelijke relatie die beiden onderhielden en de bestaande parkeerproblematiek van [betrokkene]. Dat [verdachte] enige vergoeding wilde voor kosten is voorts niet onbegrijpelijk, waarbij in aanmerking kan worden genomen dat ingevolge artikel 3:83 van het Burgerlijk Wetboek een optierecht als in casu in het geding in beginsel overdraagbaar is. Omstandigheden die daaraan in dit specifieke geval in de weg staan zijn niet gebleken.

Waar het dan vervolgens nog om gaat is of [verdachte] [betrokkene] heeft opgelicht op 29 en 30 september 2000 door hem voor te houden dat hij nog een koopoptie had op de grond, dat hij een andere gegadigde had voor de grond aan wie [verdachte] die grond kon overdoen en dat [betrokkene] moest beslissen en aldus [betrokkene] heeft bewogen tot het aangaan van een overeenkomst waaruit de verschuldigdheid van een zeer aanzienlijk bedrag van [betrokkene] aan [verdachte] voortvloeide.

Zowel [ambtenaar] als [verdachte] waren blijkens hun verklaringen ten overstaan van de rijksrecherche van mening dat [verdachte] ook op 29 en 30 september 2000 nog steeds optierecht had op de grond, nu [ambtenaar] niet schriftelijk gereageerd had op een brief van 14 september 2000 waarin [verdachte] vroeg om nog eens 30 dagen respijt. Dat [verdachte] aan [betrokkene] heeft voorgehouden dat hij nog een optierecht had, was dan ook niet onwaar. Het aan [verdachte] verleende optierecht op de grond verschafte [verdachte] echter nog geenszins een titel om die grond zelf over te dragen aan een derde. [verdachte] was daarvan immers geen eigenaar. Uit hetgeen [verdachte] ten overstaan van de rijksrecherche en ter zitting heeft verklaard, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat naar de mening van [verdachte] de situatie aldus was dat het zonder meer afzien van de koop van de grond voor hem geen keuze was en dat –als met [betrokkene] geen overeenstemming zou worden bereikt- ofwel zou worden ingegaan op het verkoopaanbod van [bedrijf] teneinde vervolgens tot bouw en verhuur over te gaan dan wel de grond door te verkopen middels verkoop van de B.V. die tot aankoop van de grond overging. Aldus werd volgens [verdachte] het verbod tot doorverkoop omzeild en dat was volgens zijn verklaring ter terechtzitting in de praktijk niet ongebruikelijk. Zo moet volgens [verdachte] ook zijn mededeling worden bezien dat hij de grond kon doorverkopen.

Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat bedoelde verklaringen van [verdachte] niet op waarheid berusten, zodat naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet overtuigend is bewezen dat [verdachte] het oogmerk had om zich ten koste van [betrokkene] wederrechtelijk te bevoordelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verdachte] en [betrokkene] ten tijde van het tenlastegelegde elkaar goed kenden en in zoverre een oogmerk van oplichting ook minder voor de hand ligt. Verder acht de rechtbank van belang dat niet bewezen is dat [verdachte] [betrokkene] onder ongeoorloofde druk heeft gezet en hem op die wijze heeft bewogen tot het aangaan van de overeenkomst. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [verdachte] na overleg met [betrokkene] aan de door [verdachte] opgestelde overeenkomst van 29 september 2000 handgeschreven bepalingen heeft toegevoegd en dat [betrokkene] minstens anderhalf uur bedenktijd heeft gehad alvorens hij overging tot het ondertekenen van de overeenkomst en dat blijkens de verklaring van [betrokkene] tegenover de rijksrecherche van 9 maart 2004 [betrokkene] en [verdachte] ook de dag daarvoor hebben gesproken over de koop van de grond.

Teruggave inbeslaggenomen bescheiden:

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen bescheiden aan de rechthebbende nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen bescheiden.

DE UITSPRAAK

BESLISSING:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Teruggave van de bescheiden, vermeld op de aan dit vonnis gehechte “omschrijving inbeslaggenomen goederen”, aan [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2].

Dit vonnis is gewezen door,

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. M.E. Bartels, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier

en is uitgesproken op 20 april 2006.