Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AV7142

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
67527 / HA ZA 05 - 392
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Post-whiplashtrauma; omkeringsregel. Zijdelingse aanrijding tussen een personenauto en een vrachtauto met beperkte snelheid. Twee deskundigeberichten brengen i.c. met zich dat voorshands aannemelijk is dat de gestelde klachten bestaan en in causaal verband met de aanrijding staan. In de onderhavige zaak geen ruimte voor tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 8 maart 2006

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen;

tegen:

gedaagde:

de naamloze vennootschap

HDI VERZEKERINGEN N.V. voorheen HANNOVER INTERNATIONAL INSURANCE (Nederland) N.V.,

gevestigd te 3012 KL Rotterdam, Westblaak 14.

procureur: mr. M.F.J.J.M. Tijssen

Partijen worden als volgt aangeduid:

eiseres: [eiseres];

gedaagde: HDI.

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding met bijlagen van 2 mei 2005;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- de conclusie van repliek met bijlagen;

- de conclusie van dupliek.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

2.1 [eiseres] is op 18 december 1998 als bestuurster van een personenauto betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hierbij was voorts betrokken een vrachtwagen met het kenteken [nummer] (hierna: de vrachtwagen). De vrachtwagen was ten tijde van het ongeval ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij HDI.

2.2 HDI is aansprakelijk voor het ontstaan van de aanrijding en daaruit voortvloeiende schade.

3. Vordering en stellingen van [eiseres]

[eiseres] vordert HDI te veroordelen tot betaling van alle door [eiseres] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, en voorts ten titel van voorschot op de materiele schade te betalen een bedrag van € 50.000,-- en ten titel van voorschot op de immateriele schade te betalen een bedrag van € 15.000,--, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente, en voorts te betalen een bedrag van € 1.788,-- aan buitengerechtelijke incassokosten alsmede HDI te veroordelen in de proceskosten, de kosten van de voorlopige getuigenverhoren en het voorlopige deskundigenbericht daaronder begrepen.

Voor de stellingen en onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de stukken.

4. Verweer van HDI

HDI concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

Voor de weren en onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de stukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Vaststaat dat [eiseres] slachtoffer is geworden van een botsing en dat HDI aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of en in welke mate [eiseres] tengevolge van de aanrijding tussen haar personenauto en de bij HDI verzekerde vrachtwagen letsel heeft opgelopen.

5.2 Alvorens inhoudelijk op dit punt in te gaan, zal de rechtbank eerst vaststellen wat de processuele positie van partijen is ten aanzien van dit geschilpunt. In beginsel rust op [eiseres] de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van haar stellingen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of in dit geval toepassing zou moeten worden gegeven aan de zogenaamde omkeringsregel. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De omkeringsregel houdt kort gezegd en voor zover hier relevant in, dat indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico terzake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan de aangesprokene is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Deze regel houdt in een uitzondering op de hoofdregel van de bewijslastverdeling van art. 150 Rv.

5.3 Alvorens te beoordelen of er ruimte is voor toepassing van de ‘omkeringsregel’ dient de rechtbank allereerst de ingenomen stellingen en de reeds voorhanden zijnde stukken te beoordelen. [eiseres] stelt dat zij leidt aan een postwhiplashsyndroom en dat dit in causaal verband staat met de aanrijding. HDI heeft in dit verband gesteld dat de aanrijding niet kan hebben geleid tot een whiplash. Met name is hierbij van belang dat volgens HDI de aanrijding plaatsvond terwijl de voertuigen een zeer lage snelheid hadden en voorts dat er sprake is van een zijdelingse botsing en geen ‘klassieke’ kop-staartbotsing. Naar aanleiding van deze stellingname heeft er een voorlopig deskundigenbericht plaatsgevonden, waarbij ingenieur [deskundige 1] en neuroloog [deskundige 2] benoemd zijn tot deskundigen. Zij dienden de drie navolgende vragen te beantwoorden:

a. is bekend of bij een botsing als de onderhavige door de vrijgekomen krachten whiplash-klachten kunnen worden veroorzaakt;

b. zijn bij de onderhavige botsing dusdanige krachten vrijgekomen welke mogelijk whiplashklachten kunnen hebben veroorzaakt?;

c. kan op basis van de voorhanden zijnde gegevens, zoals de aangifte en de processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor, aangegeven worden of als gevolg van het onderhavige ongeval bij [eiseres] de fysiologische bewegingsgrenzen van het hoofd zijn overschreden en/of whiplashklachten zijn veroorzaakt.

5.4 De rechtbank komt tot een bespreking van de deskundigenrapporten.

5.4.1 Het rapport [deskundige 1]

5.4.1.1 HDI heeft de validiteit van het rapport van [deskundige 1] betwist door het in geding brengen van een rapport van een zelf ingeschakelde deskundige. Daargelaten of deze handelwijze van HDI toelaatbaar is op grond van de regels van een goede procesorde, acht de rechtbank de in laatstgenoemd rapport gemaakte kanttekeningen onvoldoende zwaarwegend en onvoldoende steun vinden in de voorhanden feiten om af te doen aan het rapport van de onafhankelijke deskundige [deskundige 1]. De rechtbank maakt de overwegingen en conclusies van [deskundige 1] de hare.

5.4.1.2 De rechtbank is –anders dan [eiseres]- van oordeel dat uit het rapport van [deskundige 1] niet volgt dat bij de onderhavige botsing dusdanige krachten zijn vrijgekomen dat er mogelijk whiplashklachten zijn veroorzaakt. Voor positieve beantwoording van deze vraag is onvoldoende dat een ongeval als het onderhavige in beginsel kan leiden tot een whiplash, zoals door [deskundige 1] onder (a) positief beantwoord. Evenzeer is onvoldoende dat, zoals [deskundige 1] concludeert, niet kan worden uitgesloten dat er krachten aan de orde zijn geweest welke whiplashklachten tot gevolg kunnen hebben gehad. Uit het rapport van [deskundige 1] en de onderliggende literatuur en onderzoeksbevindingen volgt immers dat voor beantwoording van deze vraag afdoende informatie noodzakelijk is omtrent de absolute en relatieve snelheden van de betrokken voertuigen. Deze informatie is onvoldoende aanwezig.

5.4.1.3 Uit het rapport van [deskundige 1] volgt naar het oordeel van de rechtbank wel dat een botsing als heeft plaatsgevonden kan leiden tot een whiplash.

5.4.2 Het rapport [deskundige 2]

5.4.2.1De rechtbank maakt de overwegingen en conclusies van [deskundige 2] tot de hare.

5.4.2.2 Neuroloog [deskundige 2] komt tot de conclusie dat [eiseres] een klachtenpatroon vertoond dat typerend is voor laat postwhiplashsyndroom. De rechtbank acht hierbij van belang te overwegen dat deze klachten niet of nauwelijk objectief vaststelbaar zijn en dat medische beoordeling in hoge mate gebeurd aan de hand van de anamnese, derhalve het verhaal van de patient. Ter objectivering heeft de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVvN) voorzien in richtlijnen aan de hand waarvan in een bepaald geval kan worden beoordeeld of erkenning als postwhiplashsyndroom medisch acceptabel is of niet. Uit het rapport van [deskundige 2] blijkt dat hij de klachten van [eiseres] heeft beoordeeld aan de hand van deze richtlijnen en hij komt tot de –niet weersproken- conclusie dat op grond van deze richtlijnen erkenning van de klachten als een postwhiplashsyndroom medisch acceptabel is.

Verdere objectivering van de beschreven klachten valt te vinden in de omstandigheden dat [eiseres] drie dagen na het ongeval zich heeft gemeld met bij een whiplash passende klachten bij de huisarts en dat haar verdere contacten in de medisch-curatieve en de medisch-controlerende sector het beeld vertonen dat op grond van een postwhiplashsyndroom verwacht kan worden.

5.4.2.3 In het licht van de onderbouwde conclusies van [deskundige 2] welke aansluiten bij de constateringen van overige medische adviseurs en artsen, behoudens de door HDI ingeschakelde adviseur, acht de rechtbank enige betwisting van deze conclusies door HDI volstrekt onvoldoende gemotiveerd, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan.

5.4.2.4 Uit het rapport van [deskundige 2] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de door [eiseres] beschreven klachten passen bij een postwhiplashsyndroom.

Conclusie

5.5 Mede bezien het hiervoor onder 5.4.1 overwogene acht de rechtbank niet zonder meer vaststaand dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten van [eiseres]. Wel is de rechtbank van oordeel dat de beide deskundigenrapporten, beschouwd in onderlinge samenhang en tevens bezien in het licht van de overige in geding gebrachte (medische) gegevens, met zich brengen dat voorshands aannemelijk is dat de klachten bestaan en er een dergelijk causaal verband aanwezig is. Nu er enerzijds door tussenkomst van de rechtbank reeds twee deskundigenonderzoeken hebben plaatsgevonden, in het voortraject uitvoerig gelegenheid is geweest om in dit verband nader onderzoek te doen en dit ook is gedaan en er tenslotte door HDI ook een contra-expertiserapport in geding is gebracht en anderzijds door HDI geenszins onderbouwd een alternatieve oorzaak voor de klachten van [eiseres] is gesteld, komt de rechtbank niet toe aan (tegen)bewijs.

5.6 De rechtbank acht voorts voldoende aannemelijk uit de stellingen en de stukken dat er door [eiseres] vergoedbare schade is geleden welke nader begroot dient te worden in het kader van een schadestaatprocedure.

5.7 Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank HDI zal veroordelen tot betaling van de door [eiseres] ten gevolge van het ongeval geleden schade. In dit verband heeft [eiseres] voorts voorschotten op de materiele en immateriele schade gevorderd. Tegen deze voorschotten als zodanig is geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de voorschotten onverkort toewijzen. De rechtbank merkt daarbij wel op dat in het kader van de schadestaatprocedure de hoogte van de geleden schade nader onderbouwd zal moeten worden hetgeen zou kunnen resulteren in een bijstelling.

Met betrekking tot de eveneens gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten is evenmin verweer gevoerd. De rechtbank zal deze toewijzen.

5.8 HDI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. [eiseres] heeft gevorderd dat hierin tevens de kosten van het voorlopig deskundigenbericht en het voorlopig getuigenverhoor meegenomen zouden worden maar heeft verzuimd deze kosten te specificeren terwijl deze evenmin uit de overgelegde stukken volgen. De rechtbank kan deze derhalve niet toewijzen.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

veroordeelt HDI tot voldoening van alle door [eiseres] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

veroordeelt HDI ten titel van voorschot op de materiele schade aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 50.000,-- en ten titel van voorschot op de immateriele schade aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 15.000,--, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2005 en voorts te betalen een bedrag van € 1.788,-- aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt HDI in de proceskosten van [eiseres], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 1.470,-- aan griffierechten,

€ 85,60 aan explootkosten en

€ 1.788,-- aan salaris ten behoeve van de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en op de openbare civiele terechtzitting van 8 maart 2006 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: ap