Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AV4000

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-03-2006
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
04/610057-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens korte onderbrekingen gescheiden opeenvolging van verscheidene handelingen die gericht waren op de dood van het slachtoffer, heeft verdachte welbewust het besluit genomen het slachtoffer te vermoorden en zijn er daarna verschillende momenten geweest waarop verdachte ook nog de tijd en gelegenheid heeft gehad om over zijn besluit het slachtoffer te doden na te denken en terug te treden op zijn schreden. Verdachte heeft echter zijn besluit door het aanwenden van de verschillende geweldsmogelijkheden doelgericht uitgevoerd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in het onderhavige geval sprake is van kalm beraad en rustig overleg en acht de ten laste gelegde moord bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610057-05

Uitspraak d.d. : 6 maart 2006

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachted]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2006.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2005, in elk geval in de maand juni 2005, te Ohé, in elk geval in de gemeente Maasbracht, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

en na kalm beraad en rustig overleg, met zijn, verdachtes, arm(en) en/of hand(en) (uitwendig mechanisch) samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals en/of keel van die [slachtoffer] en/of (meermalen) die [slachtoffer] met een klomp, in elk geval met een hard voorwerp, en/of met zijn vuist(en)/hand(en) tegen haar hoofd geslagen en/of vervolgens die [slachtoffer] in het water gelegd en/of gegooid, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 21 juni 2005, in elk geval in de maand juni 2005, te Ohé, in elk geval in de gemeente Maasbracht, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met zijn, verdachtes, arm(en) en/of hand(en) (uitwendig mechanisch) samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals en/of keel van die [slachtoffer]

en/of (meermalen) die [slachtoffer] met een klomp, in elk geval met een hard voorwerp, en/of met zijn vuist(en)/hand(en) tegen haar hoofd geslagen en/of vervolgens die [slachtoffer] in het water gelegd en/of gegooid, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 287 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 februari 2006 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de primair ten laste gelegde moord, nu er geen sprake was van voorbedachte rade. Verdachte heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging waarin geen ruimte was voor kalm beraad en rustig overleg.

Met betrekking tot de vraag welk door verdachte toegepast geweld tot de dood van zijn echtgenote heeft geleid en of er al dan niet sprake was van voorbedachte rade overweegt de rechtbank het navolgende.

Uit de processtukken komt naar voren dat verdachte zijn echtgenote [slachtoffer] op 21 juni 2005 van het leven heeft beroofd, zoals door verdachte is bekend.

De vraag die de rechtbank mede naar aanleiding van de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging dient te beantwoorden, is of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte rade.

Uit de processtukken komt naar voren dat verdachte voor zijn huwelijk met het slachtoffer een relatie heeft gehad met een uit de Oekraïne naar Nederland gekomen vrouw. Deze vrouw had heimwee en is na enige tijd voor verdachte geheel onverwacht bij hem vertrokken en teruggekeerd naar haar eigen land. Bij verdachte bestond de vrees dat ook zijn nieuwe echtgenote, die in 2004 een zelfmoordpoging had verricht, hem met medeneming van hun zoon zou verlaten (zie hierover de verklaringen van verdachte op pagina 80 tot en met 82, 94, 503 en 504 alsmede de ter terechtzitting gedane verklaringen).

Over hetgeen zich op 21 juni 2005 heeft afgespeeld, heeft verdachte bij de politie (pagina 79 tot en met 88 en 92 tot en met 96) en ter terechtzitting ten aanzien van de feiten het volgende verklaard (zakelijk weergegeven).

Rond het middaguur hoort verdachte van zijn echtgenote en hun zoontje [naam zoon] dat zij gaan zwemmen in Blitterswijck. In de zwemtas die klaarstaat ziet verdachte het paspoort en het bankpasje van zijn echtgenote. Verdachte verklaart dat hij een angstgevoel over zich heen krijgt dat zijn echtgenote er met [naam zoon] vandoor wil gaan. Er ontstaat een ruzie waarbij zijn echtgenote een slakom kapot slaat. Verdachte brengt [naam zoon] dan naar zijn ouders en keert terug naar zijn woning. In de garage van de woning wordt de ruzie hervat. De echtgenote van verdachte was heel kwaad en viel verdachte volgens zijn verklaring al scheldend en tierend aan. Verdachte heeft zijn echtgenote meerdere keren weggeduwd en met een vuist tegen haar hoofd geslagen. Volgens verdachte bleef zij steeds weer op hem afkomen. Op enig moment pakt verdachte zijn echtgenote bij de keel en knijpt haar in de keel. Hierop wordt ze voor een kort moment rustig.

Volgens verdachte loopt zijn echtgenote dan weg richting keuken en roept naar hem: “Je ziet dat jong nooit meer terug”. Verdachte verklaart dat er dan iets bij hem knapt, ziet een touw hangen en hij denkt: “Ze moet weg, ze moet dood”.

Verdachte pakt het touw en doet dit, terwijl hij achter zijn echtgenote staat, over haar hoofd. Hij rukt haar naar zijn zeggen met kracht naar zich toe; het touw zit dan bij de mond of keel van zijn echtgenote. Zij houdt echter haar vingers tussen het touw en haar keel of gezicht. Verdachte verklaart zijn echtgenote met het touw te hebben willen wurgen en hierdoor willen doodmaken. In het gevecht met het touw heeft verdachte verwondingen aan zijn vingers opgelopen. Het slachtoffer slaagt erin het touw los te krijgen maar komt daarbij ten val. Het gevecht wordt gecontinueerd. Verdachte slaat zijn op de grond liggende echtgenote vervolgens met een klomp tegen de zijkant van het hoofd. Terwijl hij boven op haar zit, duwt hij vervolgens haar keel met twee handen dicht. Zijn echtgenote weet de verwurging eenmaal te verbreken (pagina 84), maar verdachte vervolgt de verwurging daarna.

Als hij op enig moment loslaat ziet hij dat zijn echtgenote dood is.

Verdachte sleept vervolgens het lijk de tuin in en legt dit in het zwembadje opdat zoon [naam zoon] zou denken dat zijn moeder in het badje lag te slapen. Nadat hij [naam zoon] heeft opgehaald en thuis in bed gelegd, heeft hij het lijk van zijn echtgenote uit het badje gehaald, het water uit het badje laten lopen, het lijk in een stuk plastic gewikkeld en in de kofferbak van zijn auto neergelegd. Vervolgens gaat verdachte naar zijn werk. Rond 23.00 uur ’s avonds vertrekt hij met de auto en het daarin opgeborgen lijk naar de loskade in Echt.

Verdachte heeft vervolgens het lijk in het kanaal gerold.

Het sectieverslag toont diverse bevindingen waaronder tekenen van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch omsnoerend geweld op de hals en het gelaat van het slachtoffer zoals kan worden toegebracht door een vast en lang voorwerp bijvoorbeeld een koord. Dit geweld heeft geen bijdrage geleverd aan het overlijden.

Daarnaast waren er uitgebreide bloeduitstortingen links en rechts zijwaarts op het hoofd, veroorzaakt door bij leven optredend uitwendig mechanisch botsend geweld zoals geslagen worden of zich stoten. Deze letsels zouden eventueel geleid kunnen hebben tot handelingsonbekwaamheid. Voorts waren er tekenen van bij leven opgetreden zeer heftig samendrukkend geweld op de hals welke het overlijden volledig verklaren.

Hieruit volgt dat de verklaring van verdachte dat hij eerst zijn vrouw heeft getracht te wurgen met een touw, haar daarna onder meer met een klomp op haar hoofd heeft geslagen en vervolgens gewurgd heeft, spoort met de bevindingen van de sectie.

Het op de klomp aangetroffen bloed van verdachte is te verklaren door de verwondingen aan zijn handen die verdachte had opgelopen bij de wurgpoging met het touw.

Voor het overige bevindt zich in het sectieverslag geen aanleiding om de handelingen waarvan verdachte verklaart deze te hebben verricht, te betwijfelen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer om het leven is gebracht door het dichtknijpen van de keel door verdachte.

Op grond van de verklaringen van verdachte en de bevindingen in het dossier concludeert de rechtbank dat verdachte zijn echtgenote achtereenvolgens in het begin van de ruzie in de garage zodanig de keel dichtknijpt dat zij haar ruzie met en haar verzet tegen hem staakt, dat hij na een opmerking van het slachtoffer besluit dat zij dood moet, dat hij haar vervolgens met een touw tracht te verwurgen hetgeen door fel verzet van het slachtoffer en doordat verdachte en het slachtoffer op de grond vallen niet lukt, dat verdachte het slachtoffer met een houten klomp zware slagen op het hoofd toebrengt en dat hij het voornemen haar dood te maken ondanks haar verzet, waardoor de verwurging eenmaal onderbroken wordt, uitvoert door haar met zijn handen te wurgen. Blijkens deze door korte onderbrekingen gescheiden opeenvolging van verscheidene handelingen die gericht waren op de dood van het slachtoffer, heeft verdachte welbewust het besluit genomen het slachtoffer te vermoorden en zijn er daarna verschillende momenten geweest waarop verdachte ook nog de tijd en gelegenheid heeft gehad om over zijn besluit het slachtoffer te doden na te denken en terug te treden op zijn schreden. Verdachte heeft echter zijn besluit door het aanwenden van de verschillende geweldsmogelijkheden doelgericht uitgevoerd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het onderhavig geval sprake is van kalm beraad en rustig overleg en acht de ten laste gelegde moord bewezen.

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 juni 2005, te Ohé, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met zijn, verdachtes, handen (uitwendig mechanisch) samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals en keel van die [slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9.1 Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

Ter beoordeling van de strafbaarheid van verdachte is d.d. 12 augustus 2005 een rapportage opgemaakt door mevrouw drs. D.B. Everts, psycholoog en op 30 januari 2006 door H.L.C. Morre, psychiater.

Op 9 november 2005 heeft de psycholoog naar aanleiding van vragen van de verdediging en de officier van justitie aanvullend gerapporteerd.

Volgens de psycholoog lijkt de persoonlijkheid van betrokkene gekenmerkt door een rationele, wat dwangmatige en rationaliserende instelling ten koste van het gevoelsleven, dat vooral narcistisch aangedreven lijkt en waar weinig contact mee is.

Wordt de narcistische kant nader bekeken, met meeweging van de classificatie van de DSM IV, dan komen in milde vorm trekken van die persoonlijkheidsstoornis naar voren, zonder dat aan de benodigde criteria wordt voldaan om tot die diagnose persoonlijkheidsstoornis te komen.

Op basis van deze bevindingen adviseert zij betrokkene volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Volgens de psychiater leed betrokkene ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde delict, gepleegd op of omstreeks 21 juni 2005, aan een aanpassingsstoornis met depressieve stemming.

Op basis hiervan adviseert de psychiater om betrokkene ten tijde van het delict als licht verminderd toerekeningvatbaar te beschouwen.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank in het voordeel van verdachte uitgaan van een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

11. De straffen en/of maatregelen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 20 februari 2006 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze gematigd dient te worden, omdat er volgens de verdediging geen sprake is van moord. Voor doodslag zou een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht voldoende zijn.

11.1 De algemene overwegingen van de rechtbank

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf en maatregel behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de gruwelijke wijze waarop verdachte zijn echtgenote van het leven heeft beroofd. Het slachtoffer heeft, gedwongen door de (gevechts)handelingen van verdachte, een strijd op leven en dood moeten leveren, die zij verloren heeft. Het slachtoffer moet bij het afnemen van haar krachten beseft hebben dat zij het door verdachte gebruikte geweld niet zou overleven.

Door het doden van zijn echtgenote heeft verdachte niet alleen hun beider zoon van destijds 3 jaar oud, zijn moeder ontnomen, maar ook zal het kind moeten leven met het besef dat juist zijn vader zijn moeder op gruwelijke wijze heeft gedood.

Door zijn echtgenote van het leven te beroven heeft verdachte bovendien bij haar familieleden ondraaglijk leed veroorzaakt. De handelwijze van verdachte heeft voorts de rechtsorde in Ohé, maar ook daarbuiten, ernstig geschokt.

Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld.

Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting en zoals die zijn vermeld in de hiervoor sub 10 vermelde rapporten en het voorlichtingsrapport d.d. 29 september 2005 van J.M.B.C. Peters van de Reclassering Nederland.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

11.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

05-003773 1 2.00 STK Schoeisel Kl:gele

2 gele klompen

05-003773 2 1.00 STK Sieraad

stukje oorbel

05-003773 7 1.00 STK Verband

een pleister

05-003773 8 1.00 STK Verpakking

een stuk plastic

05-003773 9 1.00 STK Touw Kl:oranje

een stuk touw

dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met betrekking tot die voorwerpen het feit is begaan.

11.5 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

05-003773 3 1.00 STK Halsketting

een halsketting

05-003773 4 1.00 STK Oorbel

een oorbel

05-003773 5 1.00 STK Sieraad

sieraden lade nachtkastje

05-003773 6 1.00 STK Oorbel

diverse oorbellen lade nachtkastje

05-003773 12 1.00 STK Ring

een zilveren ring.

Van deze sieraden heeft verdachte bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting medegedeeld dat zij aan de nabestaanden van zijn echtgenote in Rusland kunnen worden gegeven.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n) aan wie deze toebehoren, zoals hierna in het dictum genoemd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

05-003773 10 1.00 STK Ring

een gouden ring inscriptie "wilbert 20-11-2001”

05-003773 11 1.00 STK Armband

een gouden armband

Van deze sieraden heeft verdachte bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting medegedeeld dat zij voor zijn zoon zijn bestemd ter nagedachtenis aan zijn moeder.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n) aan wie deze toebehoren, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.6 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij] (zijnde de zus van het slachtoffer), wonende [adres benadeelde partij], heeft namens de nabestaanden van het slachtoffer een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[benadeelde partij] voornoemd heeft de materiële schade, in eerste instantie op een bedrag van € 1.839,-- gesteld, in tweede instantie is dit bedrag aangevuld met een bedrag van € 1.799,--, het totale bedrag wordt derhalve op € 3.638,-- gesteld, [benadeelde partij] voornoemd wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Zijdens [benadeelde partij] voornoemd zijn met tussenkomst van Slachtofferhulp Nederland een tweetal schadeonderbouwingsformulieren als bijlage bij het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces gevoegd.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting op 20 februari 2006 (zoals gerelateerd in het proces-verbaal ter terechtzitting) is zijdens verdachte medegedeeld dat hij alle kosten met betrekking tot de begrafenis van zijn overleden echtgenote wil voldoen.

De reiskosten van de benadeelde partij ten einde de zittingen bij te wonen, de kosten voor een reisverzekering, visumkosten en de verblijfskosten zijn wat dit betreft geen onderwerp van discussie en kunnen wat de verdediging betreft worden toegewezen.

Ook opgevoerd zijn de kosten van vervoer en de begrafenis van het slachtoffer in Wit-Rusland en daarmee samenhangende kosten en de kosten van de grafsteen. Door de verdediging is opgemerkt dat deze posten niet deugdelijk door middel van facturen zijn onderbouwd. Ook is door verdachte al een bedrag voldaan naar aanleiding van het vervoer van het slachtoffer naar Wit-Rusland. De vordering is ten aanzien van die posten daarom niet ontvankelijk. Indien alsnog onderbouwd, wil verdachte ook deze kosten voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat de in de vordering gestelde schade met betrekking tot de kosten van vervoer en de begrafenis van het slachtoffer in Wit-Rusland en daarmee samenhangende kosten, en de kosten van de grafsteen, onvoldoende zijn onderbouwd. Deze zijn niet voor toewijzing vatbaar en de benadeelde partij dient, ten aanzien van deze kosten, niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

De rechtbank stelt voorts vast dat de overige in de vordering vermelde schade niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Hoewel de verdediging geen bezwaar heeft tegen een toewijzing van de vordering met betrekking tot deze kosten, moet de rechtbank zich houden aan de wettelijke kaders en dient de benadeelde partij ook ten aanzien van deze kosten niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24, 27, 33, 33a en 289.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd:

05-003773 1 2.00 STK Schoeisel Kl:gele

2 gele klompen

05-003773 2 1.00 STK Sieraad

stukje oorbel

05-003773 7 1.00 STK Verband

een pleister

05-003773 8 1.00 STK Verpakking

een stuk plastic

05-003773 9 1.00 STK Touw Kl:oranje

een stuk touw

gelast de teruggave aan de rechthebbenden van:

05-003773 3 1.00 STK Halsketting

een halsketting

05-003773 4 1.00 STK Oorbel

een oorbel

05-003773 5 1.00 STK Sieraad

sieraden lade nachtkastje

05-003773 6 1.00 STK Oorbel

diverse oorbellen lade nachtkastje

05-003773 12 1.00 STK Ring

een zilveren ring

en

05-003773 10 1.00 STK Ring

een gouden ring inscriptie "wilbert 20-11-2001”

05-003773 11 1.00 STK Armband

een gouden armband.

de vordering van de benadeelde partij

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, [benadeelde partij], [adres benadeelde partij]

- met betrekking tot het als bijlage 1 bij het voegingsformulier gevoegde schadeonderbouwingsformulier de eerste 2 posten (de kosten van vervoer en de begrafenis van het slachtoffer in Wit-Rusland en daarmee samenhangende kosten) totaal groot € 1.450,-- nu deze niet voldoende zijn onderbouwd, en de overige opgevoerde posten (kosten reisverzekering, visumkosten en de verblijfskosten) totaal groot € 389,-- nu deze kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit het strafbare feit;

- met betrekking tot het als bijlage 2 bij het voegingsformulier gevoegde schadeonderbouwingsformulier de eerste post (kosten van de grafsteen) groot € 1.410,-- nu deze niet voldoende is onderbouwd, en de overige opgevoerde posten (kosten reisverzekering, visumkosten en de verblijfskosten) totaal groot € 389,-- nu deze kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit het strafbare feit;

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, M.J.A.G. van Baal en S.W.E. Rutten, rechters, van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van H.C.W. Terpelle als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 6 maart 2006 .