Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AV3985

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
04/860760-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2006:AY7812, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank neemt geen noodweer aan nu verdachte zich met een geladen pistool naar het kantoor van het slachtoffer heeft begeven.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste van verdachte bewezenverklaarde (het schieten met een pistool in de buik van het slachtoffer en het met het pistool slaan op het hoofd van het slachtoffer) betreft twee gelijksoortige feiten die in een zeer korte tijdsspanne zijn gepleegd en zijn voortgekomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Er is derhalve sprake van een voortgezette handeling (artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860760-05

Uitspraak d.d. : 8 maart 2006

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. HvB Grave (Unit A + B), Muntlaan 1 te Grave.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2006.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 23 augustus 2005 te Steyl, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 23 augustus 2005 te Steyl, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 23 augustus 2005 te Steyl, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de kolf van een pistool, in elk geval met een hard voorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 februari 2006 gevorderd dat de onder 1 primair (poging tot moord) en onder 2 (poging tot doodslag) ten laste gelegde feiten zullen worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, dan wel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 primair is ten laste gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bestanddeel voorbedachte rade onvoldoende bewijs voorhanden is. De verdachte moet daarom van het ten laste gelegde feit sub 1 primair worden vrijgesproken.

Gebruikte bewijsmiddelen en overwegingen zonder dat de rechtbank uitputtend heeft willen zijn.

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van verdachte, de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de geneeskundige verklaring betreffende het waargenomen letsel, wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder sub 1 subsidiair en sub 2 is ten laste gelegd.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair aangevoerd dat verdachte niet het voornemen had [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat het voor een bewezenverklaring vereiste opzet niet kan worden bewezen. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman gesteld dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer] met een pistool op het hoofd heeft geslagen, immers verdachte kan zich dat niet herinneren, en als er wel met het pistool op het hoofd is geslagen, dan is dat gezien het letsel aan het hoofd, niet hard geweest; het dient te worden gekwalificeerd als tikken. In ieder geval ontbrak aan de zijde van verdachte het opzet op de dood van het slachtoffer.

De kolf van het pistool is stuk aangetroffen maar dat stukgaan kan ook het gevolg zijn van het vallen van verdachte en/of [slachtoffer] op het pistool tijdens de tussen hen plaatsgehad hebbende schermutseling.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op korte afstand van het slachtoffer, te weten op 1 tot 2 meter afstand, bewust en gericht op het lichaam van [slachtoffer] heeft geschoten. Verdachte verklaart dat het pistool was gericht op de buikstreek van het slachtoffer. Na een eerste schot heeft verdachte vervolgens het hele magazijn (totaal 5 of 6 kogels) leeggeschoten Door op zo’n korte afstand bewust en gericht op het slachtoffer het hele magazijn leeg te schieten, terwijl ook verdachte moet hebben geweten dat dit dodelijke gevolgen kan hebben, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat tengevolge van dat schieten het slachtoffer zou komen te overlijden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank verder gebleken dat als het neergevallen slachtoffer dan toch nog opstaat en verdachte heeft geconstateerd dat er geen kogels meer in het pistool zitten, verdachte het slachtoffer vervolgens met de kolf van het pistool een aantal keren tegen het hoofd slaat. Verdachte heeft dit ook ter terechtzitting erkend en gezegd dat hij op dat moment was geschrokken van de reactie van het slachtoffer. Blijkens het schrijven van de forensisch arts F.J.J.M. Metz kan het slaan met een pistool op het hoofd van een persoon onder bepaalde omstandigheden de dood tot gevolg hebben. Dit acht de rechtbank ook een feit van algemene bekendheid. Door onder deze omstandighedenmet de kolf van een pistool zodanig hard op het hoofd van het slachtoffer te slaan dat er meerdere verwondingen zijn ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer alsnog zou doden. Daarbij kan in het midden blijven of de stukken hout al dan niet tengevolge van de klappen op het hoofd van de kolf zijn afgebroken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 subsidiair en sub 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 augustus 2005 te Steyl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 23 augustus 2005 te Steyl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] meermalen, met de kolf van een pistool, tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9.1. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft gesteld dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat verdachte in een noodweersituatie heeft gehandeld en verdachte dus dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe –zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte vlak voor de uitgang van het kantoorpand van [slachtoffer] zich in een zeer kleine ruimte bevond en dat hij toen door [slachtoffer] werd aangevallen. Omdat verdachte in die kleine ruimte geen mogelijkheid had om zich te onttrekken aan de wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer], kon hij niet anders doen dan zich verdedigen, door eerst op [slachtoffer] te schieten en vervolgens, toen de agressie van [slachtoffer] jegens verdachte bleef doorgaan, met het wapen op zijn hoofd te slaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte met een geladen pistool naar het kantoor van het latere slachtoffer [slachtoffer] is gegaan om met deze een gesprek te voeren. Toen dit gesprek niet het verwachte resultaat opleverde, heeft verdachte vervolgens volgens zijn van tevoren beraamd plan deze [slachtoffer] onder dreiging van het inmiddels doorgeladen pistool gedwongen naar de auto van verdachte te lopen teneinde hem over te brengen naar verdachtes woning om hem dan daar volgens zijn eigen verklaring ‘het vuur aan de schenen te leggen’. [slachtoffer] weet niet wat de bedoeling van verdachte is, nu verdachte daarover niets heeft gezegd. Het slachtoffer loopt onder dreiging van het doorgeladen pistool aanvankelijk gewillig voor verdachte uit. In de hal bij de buitendeur van zijn kantoor draait het slachtoffer zich om en verdachte, die zich dan bedreigd voelt, schiet dan van korte afstand, zoals verdachte zelf verklaart en ook later is gebleken, binnen enkele seconden zijn pistool leeg en het slachtoffer valt neer. Als het slachtoffer dan alsnog probeert op te staan, slaat verdachte hem vervolgens enkele keren met de kolf van het pistool op zijn hoofd.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarin hij het risico liep wederrechtelijk gebruik van het pistool te zullen maken. Nu dit risico zich heeft gerealiseerd, staat die zelf gecreëerde situatie er aan in de weg dat verdachte met succes een beroep doet op het ontbreken van de wederrechtelijkheid van zijn gedrag. Een beroep op noodweer dient dan ook te falen.

9.2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste van verdachte bewezenverklaarde betreft twee gelijksoortige feiten die in een zeer korte tijdsspanne zijn gepleegd en zijn voortgekomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Er is derhalve sprake van een voortgezette handeling (artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht).

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en feit 2:

de voortgezette handeling van poging tot doodslag

Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft aangegeven dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging nu verdachte een beroep kan doen op noodweerexces.

Nu zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan (zie onder 9.1), kan er ook geen sprake van noodweerexces zijn.

Over verdachte is door drs. A.F.J.M. Zwegers een psychologisch en door J.R. Nijdam een psychiatrisch rapport uitgebracht. Samengevat komen beide deskundigen tot de conclusie dat er bij verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis doch dat er sprake is van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag.

Beiden achten verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en beiden schatten het recidivegevaar als laag in. De rechtbank kan zich verenigen met de inhoud van de bevindingen en conclusies als hiervoor genoemd en zal deze bevindingen en conclusies overnemen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 22 februari 2006 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 8 jaren met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte en de raadsman hebben aangevoerd dat geen straf dient te worden opgelegd, gelet op het feit dat vrijspraak dient te volgen dan wel tot ontslag van rechtsvervolging dient te worden beslist

11.1 De algemene overwegingen van de rechtbank

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf en maatregel behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging meer in het bijzonder enerzijds rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit de aanleiding voor het plegen van dat feiten de omstandigheden waaronder het is gepleegd .

Verdachte kan het niet verkroppen dat hij naar zijn oordeel een groot verlies lijdt op zijn beleggingen. Hij is ervan overtuigd dat het slachtoffer hem heeft opgelicht en besluit na tien dagen nadenken niet af te wachten wat juridische stappen opleveren, maar het heft, in dit geval het pistool en daarmee het recht, in eigen handen te nemen. Als het gesprek met het slachtoffer in diens kantoor naar het oordeel van verdachte niets oplevert, zoals hij trouwens ook wel verwacht had, begint hij met de uitvoering van het door hem beraamde plan. Hij trekt zijn pistool, laadt het door, en dwingt het slachtoffer met hem het kantoor te verlaten. Als het slachtoffer zich dan in de hal bij de uitgang tegen hem keert, schiet verdachte van korte afstand zijn pistool leeg op het slachtoffer. Als het slachtoffer dan nog niet geheel buiten gevecht is gesteld, slaat verdachte het slachtoffer ook nog enkele malen met de kolf van zijn leeggeschoten pistool op het hoofd. Uit deze handelwijze blijkt de rechtbank dat verdachte enkel gedreven is geweest door zijn boosaardige gevoelens jegens het slachtoffer die zover gaan dat hij de dood van het slachtoffer op de koop toe heeft genomen. Nog ter terechtzitting blijft verdachte verklaren dat niet hij, maar het slachtoffer als verdachte terecht had moeten staan. Van enige gewetenswroeging over zijn handelen en het daarmee bij het slachtoffer veroorzaakte lichamelijk en psychisch leed geeft verdachte geen blijk.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld, met het gegeven dat blijkens het door de psychiater J.R. Nijdam uitgebrachte rapport er bij verdachte ten tijde van het plegen van de delicten sprake was van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid, welke conclusie door de over verdachte rapporterend psycholoog

drs. A.F.J.M. Zwegers wordt onderschreven en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn vermeld in het door de Reclassering Nederland, locatie Eindhoven, over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport

d.d. 24 november 2005 en het daarin vermelde advies.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd en een hogere dan door de verdediging is bepleit, nu de rechtbank in feit 1 niet de door de officier van justitie gevorderde poging tot moord doch de (met een lager strafmaximum bedreigde) poging tot doodslag bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

11.3 Ontrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een pistool FIOCCHI 22LR, serienummer 1332, een patroon en een patroonhouder, dienen te worden onttrokken verklaard aan het verkeer. .

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van die voorwerpen het feit is begaan, terwijl die voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.

11.4 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer in beslag genomen is een rolodexkaart.

Nu met betrekking tot dit voorwerp niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dient dit voorwerp te worden teruggegeven aan degene aan wie het toebehoort, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.5 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor ten laste gelegde feiten geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd wil die schade vergoed krijgen.

De advocaat van [slachtoffer], mr. J. Pen, advocaat te Amsterdam, heeft ter zitting aangegeven dat de vordering zich thans beperkt tot een voorschotbedrag groot € 500.000,00.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd onder meer uit de posten fysiotherapie (€ 367,50), psychotherapie (€ 968,84) en immateriële schade

(€ 170.000,00).

Immateriële schade:

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt

veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 170.000,00 rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal als voorschot een bedrag van € 4.000,00 toekennen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten fysiotherapie en psychotherapie, die door verdachte onvoldoende zijn weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van

€ 5.336,34.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Aangezien de vordering met betrekking tot de overige posten naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van die posten en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 5.336,34 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 106 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer], zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank bepaalt uitdrukkelijk dat het schadebedrag van € 4.000,00 (immateriële schade) een bedrag is dat tot op heden is begroot.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: art. 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 56, 287

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 subsidiair en sub 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd een pistool FIOCCHI 22LR, serienummer 1332, een patroon en een patroonhouder;

gelast de teruggave van een rolodexkaart aan verdachte.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en wel tot een bedrag van € 5.336,34;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer], te betalen een bedrag van € 5.336,34;

bepaalt dat van dat bedrag € 4.000,00 (immateriële schade) een voorschot is;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 5.336,34 subsidiair 106 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer],

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.336,34 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde

partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te

vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. E.P.J. Rutten, N.J.M. Ruyters en S.W.E. Rutten, rechters, van wie mr. N.J.M. Ruyters voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 maart 2006.