Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AV1952

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
17-02-2006
Zaaknummer
04/816171-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een transactieaanbod van EUR 2300,00 wordt niet betaald. Dagvaarding volgt dus, maar óók een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ad EUR 112.720,00.

De politierechter acht het openbaar ministerie in die vordering niet-ontvankelijk:

- het transactieaanbod zag duidelijk niet op óók een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;

- na het transactieaanbod is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan alsnog een dergelijke vordering gedaan kon worden.

Gelet op de beginselen van behoorlijke procesorde stond het het openbaar ministerie niet vrij terug te komen op haar beslissing geen ontnemingsvordering terzake in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer: 04/816171-05

Uitspraak: 20 januari 2006

Beslissing ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:

[voornamen] [naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres]

Onderzoek van de zaak.

De politierechter heeft op 6 januari 2006 gehoord:

- de officier van justitie;

- [naam], voornoemd, bijgestaan door mr. F.A. Dronkers, advocaat te Roermond.

De politierechter heeft kennis genomen van de processtukken, waaronder de ongedateerde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ad EUR 112.720,- en het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond d.d. 6 januari 2006 in de zaak met parketnummer 04/816171-05, waarbij [naam] voornoemd is veroordeeld wegens:

t.a.v. feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (hennepteelt);

t.a.v. feit 2: diefstal (van elektriciteit).

Ter zitting heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de vordering. [naam] heeft bezwaar gemaakt tegen de vordering.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie.

Ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan [naam] terzake de hennepteelt en de diefstal van elektriciteit een transactieaanbod is gedaan van EUR 2300,00. [naam] heeft geen gevolg gegeven aan het transactieaanbod (ter zitting is aangegeven dat hij geen geld zou hebben om het bedrag te voldoen). Vervolgens is [naam] gedagvaard, waarbij tevens een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ingediend. Voor de hennepteelt en de diefstal van elektriciteit is [naam] zoals hiervoor aangegeven veroordeeld.

De politierechter overweegt omtrent de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt.

[naam] heeft van het openbaar ministerie een transactie aangeboden gekregen ter voorkoming van verdere strafvervolging. Betaling van een transactie heeft tot gevolg dat er geen veroordeling ter zake van het strafbare feit plaatsvindt. In artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is aangegeven dat bij/na een veroordeling een ontnemingsvordering ingediend kan worden. Bij gebrek aan een veroordeling kan dan ook na betaling van een transactieaanbod geen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend worden. Niet gebleken is dat het openbaar ministerie bij de aan [naam] aangeboden transactie het bepaalde in artikel 74, tweede lid, aanhef onder a èn onder d, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing heeft geacht, terwijl de hoogte van het transactiebedrag vergeleken met het in de ontnemingsvordering opgenomen bedrag een duidelijke contra-indicatie is voor de toepassing door het openbaar ministerie van het bepaalde in voornoemde artikel onder d. Ingevolge punt 8.1 van de door het College van Procureur-Generaal opgestelde 'aanwijzing ontneming' (inwerkinggetreden per 1 maart 2005), dient indien het transactieaanbod tevens ziet op de ontneming van wederrechtelijke verkregen voordeel, expliciet in het transactievoorstel dienen te worden vermeld welk deel van de transactie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel diende. Hiervan is dus in casu geen sprake geweest.

Nu het openbaar ministerie naar het oordeel van de politierechter geen transactie heeft aangeboden die (tevens) ziet op het ontnemen van wederrechtelijk genoten voordeel, maar enkel een transactie heeft aangeboden die tot gevolg heeft dat geen strafvervolging meer mogelijk is en dus ook geen ontnemingsvordering mogelijk is, heeft het openbaar ministerie met het transactieaanbod jegens [naam] het besluit genomen geen vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel in te dienen.

Op de beslissing jegens [naam] geen ontnemingsvordering in te dienen is het openbaar ministerie blijkens de hier aan de orde zijnde vordering teruggekomen.

Gesteld noch gebleken is dat sinds de beslissing destijds van het openbaar ministerie om jegens [naam] geen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen, nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken die ten tijde van die beslissing/het transactieaanbod niet bekend waren en meegewogen zijn en die, indien zij ten tijde van die beslissing/het transactieaanbod wel bekend waren geweest, hadden geleid tot een andere beslissing ten aanzien van de ontnemingsvordering. Het niet betalen van het transactieaanbod kan niet als een zodanig nieuw feit aangemerkt worden.

Gelet op het vorenstaande is de politierechter van oordeel dat het, gelet op de beginselen van behoorlijke procesorde, in het onderhavige geval het openbaar ministerie niet vrijstond om terug te komen op de beslissing om jegens [naam] geen ontnemingsvordering in te dienen. Zulks dient te leiden tot het oordeel dat het openbaar ministerie in haar ontnemingsvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

BESLISSING

De politierechter:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.P. Bosma, in tegenwoordigheid van mr. I.E.A. Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2006.