Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2006:AV1370

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
09-02-2006
Zaaknummer
05 / 555 ALGEM RV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak gaat uitgebreid gemotiveerd in op het toekennen van proceskosten in afwijking van het forfaitaire systeem omdat verweerder bij herhaling onjuiste besluiten neemt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 05 / 555 ALGEM RV

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Amsterdam), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 17 maart 2005,

kenmerk: BBK2786150 zaaknr. 80413.

Datum van behandeling ter zitting: 28 november 2005.

I. PROCESVERLOOP

in zaak 04 / 306

Bij schrijven van 18 maart 2004 is namens eiser door mr. A.G. van Munster, werkzaam bij Fiscaal Juridisch Aviesbureau Remie, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 februari 2004 waarbij op het bezwaar van eiser, dat was gericht tegen de oplegging van een premienota op 1 januari 2003, is beslist. Op 7 mei 2004 heeft verweerder aan de rechtbank meegedeeld dat het besluit van 27 februari 2004 niet wordt gehandhaafd. Daarop heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 8 juli 2004 het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder in de proceskosten te veroordelen en, omdat naar de mening van eiser sprake is van bijzondere omstandigheden, tevens verzocht om af te wijken van het bepaalde in artikel 2, eerste lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht en verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser werkelijk gemaakte kosten.

Bij uitspraak van 4 augustus 2004 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 322,--. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat zij, anders dan eiser, in de omissie van verweerder geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht ziet waardoor zij geen aanleiding ziet wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de forfaitaire vergoeding.

De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 10 september 2004 tegen die uitspraak verzet gedaan, welk verzet bij uitspraak van 17 juni 2005 gegrond is verklaard.

in zaak 05 / 555

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft verweerder aan eiser een premienota opgelegd. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit gegrond verklaard waarbij de door eiser verzochte kostenvergoeding is afgewezen.

Tegen dat onderdeel van laatstgenoemd besluit is namens eiser door zijn gemachtigde bij deze rechtbank beroep ingesteld.

in beide zaken

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan gemachtigde van eiser gezonden.

De beroepen zijn (nadat daartoe instemming van gemachtigde van eiser en verweerder was gevraagd en verkregen) gezamenlijk behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 november 2005, waar gemachtigde van eiser is verschenen en waar verweerder -na voorafgaande kennisgeving- niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De feiten in beide zaken

Het onderzoek van de belastingdienst

Eiser is vennoot van de maatschap [maatschap] (verder: de maatschap). In december 2000 heeft de belastingdienst bij de maatschap een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over de jaren 1996 tot en met 2000. De belastingdienst concludeerde uit dat onderzoek dat er niet voldoende loonbelasting was afgedragen over de betreffende periode. Verder bleek uit het onderzoek dat binnen de maatschap was verzuimd om met betrekking tot een aantal werknemers te voldoen aan de Wet op de Identificatieplicht in die zin, dat hun identiteit niet aan de hand van een voorgeschreven document was vastgesteld. In verband met dit alles legde de belastingdienst een naheffingsaanslag loonbelasting en een tweetal boetes op. Naar aanleiding van namens de maatschap ingediende bezwaarschriften is tussen de belastingdienst en de maatschap een compromis gesloten, waarbij de boetes kwamen te vervallen en de naheffingsaanslagen werden verminderd.

De premienota van 1 januari 2003- het primaire besluit in zaak 04 / 306

Naar aanleiding van het onderzoek van de belastingdienst startte ook verweerder een onderzoek in verband met de uit de diverse socialeverzekeringswetten voortvloeiende verplichtingen. Bij besluit van 1 januari 2003 legde verweerder aan de maatschap een premienota op met betrekking tot niet-betaalde verzekeringspremies in de jaren 1998 tot en met 2000 (verder ook aan te duiden als: de eerste premienota). Hiertegen is namens eiser op 17 februari 2003 een bezwaarschrift ingediend, dat door hem op 1 december 2003 is toegelicht op een hoorzitting. Op die hoorzitting voerde eiser onder meer aan dat de tenaamstelling van de premienota onjuist was; deze was in plaats van aan de maatschap, aan de eenmanszaak van eiser gericht. Verder voerde eiser aan dat er ten aanzien van de bij hem werkzame Poolse personen geen verzekeringsplicht bestond, nu deze personen niet over een verblijfsdocument met tewerkstellingsvergunning beschikten en mitsdien onder de werking van de Koppelingswet vielen.

De beslissing op het bezwaar tegen de eerste premienota

Op 27 februari 2004 nam verweerder een beslissing op het op 17 februari 2003 ingediende bezwaarschrift. Daarbij herriep verweerder het besluit waarbij de premienota was opgelegd voor zover het betrekking had op het jaar 1998 (dit omdat de wettelijke verzekeringstermijn van vijf jaar was verstreken) en werd het besluit gehandhaafd voor zover het de jaren 1999 en 2000 betrof, doch met gecorrigeerde lezing van de -zo erkende verweerder- verkeerde tenaamstelling.

De intrekking van de beslissing op het bezwaar tegen de eerste premienota

Eiser diende tegen deze beslissing een beroepschrift in bij de rechtbank, waarin hij wederom betoogde dat ten aanzien van de binnen de maatschap werkzame niet-EU buitenlanders geen verzekeringsplicht bestond, en dat het ‘gecorrigeerde lezen’ door verweerder van de tenaamstelling niet door de beugel kon. Op 7 mei 2004 trok verweerder de beslissing van 27 februari 2004 in.

De nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de eerste premienota

Op 6 juli 2004 nam verweerder vervolgens een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van 17 februari 2003. Overwogen werd dat de tenaamstelling inderdaad foutief was geweest en dat de premienota om die reden diende te worden vernietigd. Een nieuwe nota over de jaren 1999 en 2000 werd aangekondigd. Het jaar 1998 zou daarin niet meer worden meegenomen vanwege eerdergenoemde verjaringstermijn.

Eiser trok vervolgens zijn bij de rechtbank ingestelde beroep in, maar verzocht daarbij wel op grond van artikel 8:75a Awb om verweerder in de (werkelijk gemaakte) proceskosten te veroordelen, waarna de hierboven onder ‘procesverloop’ genoemde uitspraken van 4 augustus 2004 en 17 juni 2005 van de rechtbank zijn gevolgd.

De tweede premienota van 18 augustus 2004- het primaire besluit in zaak 05 / 555

Op 18 augustus 2004 legde verweerder een gecorrigeerde premienota (verder te noemen: de tweede premienota) op over de jaren 1999 en 2000, ditmaal met de juiste tenaamstelling. In het hiertegen op 30 augustus 2004 ingediende bezwaarschrift betoogde eiser andermaal dat ten aanzien van de bij hem werkzame buitenlanders geen verzekeringsplicht bestond omdat zij niet als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen kunnen worden aangemerkt. Tevens verzocht eiser om vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten.

Bij brief van 17 januari 2005 verzocht gemachtigde van eiser verweerder zo spoedig mogelijk een beslissing op het bezwaarschrift van eiser te nemen. Verweerder reageerde hierop bij schrijven van 16 februari 2005, waarin onder meer het volgende verwoord was:

“In uw bovengenoemd bezwaarschrift geeft u aan dat u primair van mening bent dat de premienota van 18 augustus 2004 niet in stand kan blijven, omdat de gedurende het tijdvak 1999-2000 in het bedrijf van belanghebbende werkzame niet-EU buitenlanders niet kunnen worden aangemerkt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen. Dit op grond van de Koppelingswet.

Wij verzoeken u de namen van bovenbedoelde niet- EU buitenlanders door te geven. Voorts ligt het op uw weg om aan te tonen dat zij onder de Koppelingswet vallen. U kunt dit doen door middel van het overleggen van een document van de vreemdelingendienst of door stukken te overleggen waaruit blijkt dat de betrokken personen geen toestemming hadden om in Nederland te werken.”

Bij schrijven van 2 maart 2005 stuurt gemachtigde van eiser aan verweerder een lijst met daarop de namen van de bewuste werknemers, tezamen met kopieën van hun paspoorten.

De beslissing op het bezwaar tegen de premienota van 18 augustus 2004- het thans bestreden besluit in zaak 05 / 555

Op 17 maart 2005 nam verweerder het in zaak 05 / 555 bestreden besluit. Het bezwaar van eiser werd gegrond verklaard omdat uit de door eiser bij brief van 2 maart 2005 overgelegde documenten bleek dat ten aanzien van een vijftiental personen, die bij eiser werkzaam waren, geen verzekeringsplicht bestond nu zij niet over een verblijfsdocument met tewerkstellingsvergunning beschikten. In verband hiermee kondigde eiser bij het bestreden besluit aan de facturen over de jaren 2000 en 2001 te zullen aanpassen. Verweerder wees de vergoeding van de proceskosten af omdat het primaire besluit niet was herroepen wegens aan hem te wijten inhoudelijke fouten.

Het beroepschrift in zaak 05 / 555

In het op 27 april 2005 ingediende en op 10 mei 2005 aangevulde beroepschrift wordt namens eiser aangevoerd dat verweerder de proceskosten van de bezwaarprocedure ten onrechte niet heeft vergoed, nu het nemen van het onjuiste primaire besluit aan verweerder is toe te rekenen. Verweerder heeft immers nagelaten bij eiser nadere informatie in te winnen omtrent de hoedanigheid van de betrokken buitenlandse werknemers. Namens eiser wordt verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.

Het oordeel van de rechtbank

in zaak 04 / 306

In deze zaak draait het nog uitsluitend om de vraag of verweerder kan worden veroordeeld tot vergoeding aan eiser van de werkelijk gemaakte proceskosten. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar wist of had moeten weten dat het ingenomen standpunt met betrekking tot de gecorrigeerde lezing van de tenaamstelling op de premienota onjuist was. Door toch vast te houden aan dit onjuiste standpunt en een hierop gebaseerd besluit te nemen, werd eiser genoodzaakt tegen die beslissing beroep aan te tekenen en daarvoor kosten van rechtskundige bijstand te maken. De gedraging van verweerder om willens en wetens vast te houden aan zijn onverdedigbaar standpunt heeft, aldus nog steeds eiser, geleid tot een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De gemachtigde van eiser verzoekt de rechtbank dan ook om het verzoek tot vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten alsnog te honoreren.

In het -later ingetrokken- besluit van 27 februari 2004 heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

“Gelet op het vorenstaande bevat het bestreden besluit een onjuiste tenaamstelling en komt deze in beginsel voor vernietiging in aanmerking. (…) Het jaar 1998 dient dan te vervallen, daar de wettelijke verjaringstermijn reeds is verstreken (artikel 13 Coördinatiewet Sociale Verzekering, verder CSV). Mede gelet op uw processuele belangen hebben wij besloten de nota, voor zover 1998 betreft, niet langer te handhaven en de tenaamstelling voor 1999 en 2000 gewijzigd te lezen en als gecorrigeerd te beschouwen (CRvB 4 december 2003, nr. 01/2432 CSV).”

In de uitspraak van 4 december 2003 (USZ 2004, 24), waarnaar verweerder in het besluit van 27 februari 2004 verwees, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een soortgelijke zaak waarbij verweerder met eenzelfde overweging als in het besluit van 27 februari 2004 heeft beslist op het bezwaar van een belanghebbende, geoordeeld dat met het aldus gecorrigeerd lezen van premienota’s niet kon worden volstaan.

Gelet op de datum van deze uitspraak en het feit dat verweerder in het niet langer gehandhaafde besluit van 27 februari 2004 naar deze uitspraak van de CRvB verwijst, moet het ervoor worden gehouden dat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 27 februari 2004 op de hoogte was althans had kunnen zijn van de inhoud van deze uitspraak.

De in de uitspraak van 4 december 2003 berechte casus vertoont zodanige overeenkomsten met de onderhavige zaak eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat verweerder in de onderhavige procedure willens en wetens een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is een vergoeding voor proceskosten in bezwaar of beroep gemaximeerd tot het in de bijlage bij het Bpb opgenomen forfaitaire tarief.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

De rechtbank staat nu derhalve voor de vraag of de constatering dat verweerder willens en wetens een onrechtmatig besluit heeft genomen is aan te merken als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het derde lid van artikel 2 van het Bpb. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel kosten bestuurlijke voorprocedures (Kamerstukken II 1999/00, nr. 27 024, nr. 3) is vermeld dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, denkt aan zeer schrijnende gevallen. De rechtbank verwijst in deze ook naar antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën (V-N 1993/114, pt. 4) met betrekking tot artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten fiscale procedures (Bpf), dat identiek is aan artikel 2, derde lid, van het Bpb, en waaruit blijkt dat de Staatssecretaris van oordeel is dat deze bepaling de rechter de mogelijkheid geeft in uitzonderlijke gevallen van het normale vergoedingensysteem af te wijken, bijvoorbeeld indien de procedure bovenmatig ingewikkeld is.

In de nota van toelichting bij het Bpf (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 762) is aangegeven dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig kan uitpakken. Het gaat hier volgens de nota dan werkelijk om uitzonderingen, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

Nu dit artikellid van het Bpf exact gelijk is aan het betrokken onderdeel van het Bpb, en beide deel uitmaken van een regeling voor forfaitaire proceskostenvergoeding, concludeert de rechtbank dat de wetgever in beide besluiten het oog heeft op dezelfde (soort) gevallen, zodat de antwoorden van de Staatssecretaris en de nota van toelichting ook wat betreft het Bpb van overeenkomstige toepassing moeten worden geacht.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de bijzondere omstandigheden van artikel 2, derde lid, van het Bpb, onredelijk procesgedrag betreffen dat zeer schrijnende gevallen oplevert.

Dit vastgesteld hebbende, komt de rechtbank tot het oordeel dat het geval van eiser, hoewel verweerder -gelet op de door hem aangehaalde jurisprudentie- ervan op de hoogte had kunnen zijn dat het door hem (voor)genomen besluit onrechtmatig was, geen bijzondere omstandigheid vormt als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. De rechtbank ziet onvoldoende grond om eisers geval als schrijnend te beschouwen. Evenmin kan worden geconcludeerd dat eiser door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd, nu verweerder in het besluit van 27 februari 2004 zelf de juiste jurisprudentie heeft verstrekt waaruit de onrechtmatigheid van datzelfde besluit kon worden afgeleid.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, nu de uitspraak van 4 augustus 2004 bij uitspraak van 17 juni 2005 vervallen is verklaard, termen aanwezig zijn om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten in verband met het ingestelde beroep. Deze kosten zijn met inachtneming van het Bpb en de daarbij behorende bijlage begroot op € 644,-- (zijnde twee punten van het toepasselijk tarief bij een gemiddeld zaaksgewicht) voor de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu verweerder (blijkens de ter zitting door gemachtigde van eiser overgelegde specificatie) voldaan heeft aan de proceskostenveroordeling die is uitgesproken in de vervallen uitspraak van 4 augustus 2004, zal verweerder worden veroordeeld tot betaling aan eiser van € 322,--.

in zaak 05 / 555

In deze zaak ligt ter beantwoording voor de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd om de (werkelijke gemaakte) kosten van het op 30 augustus 2004 gemaakte bezwaar aan eiser te vergoeden, en of eiser in aanmerking komt voor vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van de beroepsprocedure.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is voor een veroordeling in de kosten van de bezwaarprocedure vereist dat het bestreden (dat wil hier zeggen: het primaire) besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing.

Artikel 3:2 van de Awb schrijft voor dat een bestuursorgaan verplicht is om ter voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Anderzijds kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat bestuur en burger tot elkaar staan in een wederkerige relatie waarbij rekening moet worden gehouden met de wederzijdse belangen, hetgeen voor de bestuurlijke voorprocedure met zich brengt dat ook op de burger een zekere plicht tot het verschaffen van afdoende informatie ter onderbouwing van zijn standpunten rust. Dit komt met betrekking tot het doen van aanvragen in de Awb tot uitdrukking in artikel 4:2, tweede lid, van die wet, waarin is bepaald dat de burger die een aanvraag doet de nodige gegevens en bescheiden verschaft.

In deze zaak was geen sprake van een aanvaag; de tweede premienota is ambtshalve door verweerder opgelegd. De rechtbank stelt voorop dat het ervoor moet worden gehouden dat bij dergelijke ambtshalve -en bovendien belastende- beschikkingen de vergewisplicht van het overheidsorgaan relatief zwaarder weegt dan bovenvermelde informatieplicht van de burger.

In de onderhavige kwestie heeft eiser reeds in een vroeg stadium, te weten tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure tegen de eerste premienota op 1 december 2003, aangegeven zich te beroepen op de omstandigheid, dat ten aanzien van een aantal bij hem werkzame personen geen verzekeringsplicht gold vanwege het feit dat zij niet als werknemer in de zin van de socialeverzekeringswetten konden worden beschouwd. In de daaropvolgende beslismomenten (te weten bij de ingetrokken beslissing op bezwaar van 27 februari 2004, bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 6 juli 2004 en bij de tweede premienota van 18 augustus 2004) heeft verweerder er nimmer blijk van gegeven deze door eiser opgeworpen omstandigheid -die, indien vastgesteld, grote gevolgen zou hebben voor de hoogte van de opgelegde premienota- nader te hebben onderzocht. Dit terwijl eiser in zijn beroepschrift van

18 maart 2004 (dat was gericht tegen de later ingetrokken beslissing op bezwaar van 27 februari 2004) wederom gemotiveerd aanvoerde dat ten aanzien van de betreffende werknemers geen verzekeringsplicht bestond. Eiser trok het besluit waartegen het beroepschrift zich richtte vervolgens in vanwege een formele reden, te weten de -eveneens door eiser in zijn beroepschrift aangevoerde- omstandigheid dat gecorrigeerde lezing van de foutieve tenaamstelling niet toegestaan was. Vervolgens nam verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar die wederom formeel was gegrond: de tenaamstelling was inderdaad foutief (die kon immers niet gecorrigeerd worden gelezen) en derhalve diende de eerste premienota te worden vernietigd. Bij het opleggen van de nieuwe (tweede) premienota blijkt nergens van enig onderzoek naar de door eiser meerdere malen aangevoerde grond met betrekking tot de status van de bij hem werkzame buitenlandse personen en is mitsdien door verweerder aangenomen dat ten aanzien van hen verzekeringsplicht bestond.

Eerst nadat eiser bezwaar maakte tegen de tweede premienota (waarin hij opnieuw het argument betreffende de verzekeringsplicht naar voren bracht), en dan nog nadat gemachtigde van eiser meer dan vier maanden na het indienen van het bezwaarschrift verweerder maande tot het nemen van een beslissing op dat bezwaarschrift, verzocht verweerder om toezending van de namen van de bewuste personen. Nadat eiser aan deze oproep gehoor had gegeven, nam verweerder het thans bestreden besluit en verklaarde hij het bezwaar van eiser op basis van de overgelegde gegevens gegrond.

Namens eiser is desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij niet uit zichzelf tot het overleggen van de bewuste gegeven is overgegaan, omdat hij ervan uit meende te kunnen gaan dat verweerder reeds over die gegevens beschikte. Die opvatting is bij eiser ontstaan door de mededeling van verweerder dat deze de gegevens zoals zij door de belastingdienst waren vastgesteld, had overgenomen en is daarna nog versterkt door de voorzitter van de bezwaarcommissie, die op de hoorzitting de toezegging deed dat zij na zou gaan of de Koppelingswet van toepassing was op de bij eiser werkzame buitenlanders, welke toezegging ook als zodanig in het verslag van de hoorzitting is opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank had van verweerder mogen worden verwacht dat in een eerder stadium was onderzocht wat er was van de door eiser aangevoerde argumenten ten aanzien van de verzekeringsplicht voor de betrokken personen. Indien verweerder de -nader gemotiveerde- argumenten van eiser niet zonder meer wilde overnemen (hetgeen klaarblijkelijk het geval was, gezien het genomen primaire besluit), had het op de weg van verweerder gelegen om eiser te vragen om die argumenten nader te onderbouwen met bescheiden, gelijk verweerder uiteindelijk ook in de bezwaarfase naar aanleiding van de tweede premienota heeft gedaan. Het is in strijd met de op verweerder rustende onderzoeks- en motiveringsplicht om de door eiser aangevoerde argumenten te laten voor wat zij zijn en een besluit te nemen dat impliceert dat ongemotiveerd aan die argumenten voorbij wordt gegaan. In het licht van de hiervoor vermelde toezegging van de voorzitter van de bezwaarcommissie is het des te onbegrijpelijker dat verweerder de argumenten van niet heeft onderzocht. Dit alles klemt te meer, nu het primaire besluit een ambtshalve genomen beschikking behelsde en bovendien ingrijpend van karakter was vanwege het niet geringe bedrag dat als naheffing aan eiser werd opgelegd.

Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen op de zitting en heeft in zijn verweerschrift volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit. Om die reden overweegt de rechtbank volledigheidshalve nog het volgende.

Voor zover verweerder met de overweging “het primaire besluit wordt niet herroepen wegens aan ons te wijten inhoudelijke fouten” heeft bedoeld te betogen dat het primaire besluit niet is herroepen, doch slechts is gewijzigd, heeft te gelden dat ook een wijziging van het primaire besluit is aan te merken als het herroepen ervan.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, zodat verweerder op die grond een vergoeding van de proceskosten aan eiser had moeten toekennen.

Aangezien aan de overige vereisten van artikel 7:15 Awb is voldaan, dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard wegens strijd met de wet en zal het bestreden besluit, voor zover daarbij is geweigerd de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden, worden vernietigd.

In het kader van de toepassing van artikel 8:75 Awb –voor zover het de kosten van bezwaar betreft in verbinding met artikel 7:15 Awb- is ook in deze zaak de vraag aan de orde of eiser met een beroep op de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het derde lid van artikel 2 van het Bpb, aanspraak kan maken op een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. Anders dan in de eerste zaak komt de rechtbank hier tot het oordeel dat eiser aanspraak heeft op een vergoeding die het forfaitaire tarief te boven gaat. Gelet op de hierboven geschetste opeenvolging en constellatie van gebeurtenissen -het negeren van een herhaaldelijk aangevoerd argument dat, indien gegrond, van grote invloed op de uitkomst van het geschil zou zijn, het doen van de toezegging dat één en ander zou worden uitgezocht zonder dat aan die toezegging gevolg is gegeven, en daarbij de omstandigheid dat een bijzondere mate van zorgvuldigheid voor de hand lag gelet op de voorgeschiedenis in de eerste zaak waarbij reeds eerder willens en wetens een onrechtmatig besluit jegens eiser was genomen- is de onrechtmatigheid van het besluit verweerder in zeer ernstige mate aan te rekenen. Dit nu maakt dat het in de zaak 05 / 555 aan de orde zijnde geval van eiser naar het oordeel van de rechtbank als schrijnend is aan te merken, hetgeen een afwijking van het forfaitaire tarief rechtvaardigt.

Tot slot dient te worden bezien welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij is van belang dat zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten redelijk dienen te zijn. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Ter zitting heeft gemachtigde van eiser een specificatie van de door hem verrichte werkzaamheden overgelegd. Volgens deze specificatie bedragen de ten behoeve van zaak 05 / 555 gemaakte proceskosten in totaal € 5.835,51. De op factuur

nr. 9290 genoemde bedragen van € 1.464,38 en € 123,75 zijn niet toewijsbaar, nu deze werkzaamheden blijkens de specificatie niet zijn verricht ten behoeve van het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift dan wel het verschijnen ter zitting. Verder voert gemachtigde van eiser voor het opstellen en aanvullen van het beroepschrift in totaal een kostenpost op van € 3.801,75. Hierin is het aan de rechtbank betaalde griffierecht opgenomen; dit bedrag komt apart voor toewijzing in aanmerking. Blijkens de specificatie zijn in totaal 17 uur en 15 minuten aan het opstellen van het beroepschrift besteed; de rechtbank zal voor de bepaling van het redelijkerwijs toe te wijzen bedrag met betrekking tot deze post uitgaan van een urental van zes.

Voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank zal, gelet op de omstandigheid dat eiser hieromtrent geen afwijkende kosten heeft opgevoerd, het forfaitaire bedrag van € 322,-- worden aangehouden.

Dit alles resulteert in een toe te kennen vergoeding van € 2.574,50.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

in zaak 04 / 306

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

in zaak 05 / 555

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure en de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 2.574,50 (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 138,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. J.M.H. Lie als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

rv

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.