Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AV1368

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
09-02-2006
Zaaknummer
05 / 590 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiseres en werkneemster medegedeeld dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling op grond van de WAZO. Verweerder heeft daarop toegelicht dat werkneemster niet voldoet aan de omschrijving van artikel 3:6 van de WAZO, omdat zij geen werknemer is zoals omschreven in genoemd artikel.

Interpretatie van wettelijk begrip in artikel 1:1 van de Wet Arbeid en Zorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 05 / 590 WET K1

Inzake : Academy BV, gevestigd te Weert, eiseres,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 24 maart 2005,

kenmerk: B&B 004.064.24 MB.

Datum van behandeling ter zitting: 28 oktober 2005.

--------------------------

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 28 december 2004 ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan mr. Y.L.S. Schipper, als gemachtigde van eiseres, gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 oktober 2005, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

Bij formulieren, ondertekend 17 juni 2004, heeft eiseres voor één van haar werknemers, mevrouw [werkneemster] (hierna: werkneemster), een aanvraag om een uitkering in het kader van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) in verband met zwangerschap en bevalling gedaan.

Werkneemster is vanaf 22 september 2003 ziek en heeft in verband daarmee inmiddels ook een uitkering op basis van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd.

Bij besluit van 28 december 2004 heeft verweerder aan eiseres en werkneemster medegedeeld dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling op grond van de WAZO. Verweerder heeft daarop toegelicht dat werkneemster niet voldoet aan de omschrijving van artikel 3:6 van de WAZO, omdat zij geen werknemer is zoals omschreven in genoemd artikel.

Bij bezwaarschrift van 4 februari 2005 heeft de gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De gemachtigde geeft aan dat werkneemster sedert 24 december 2004 met zwangerschapsverlof is en tijdelijk geen werkzaamheden voor eiseres verricht. Werkneemster en eiseres zijn een arbeidscontract aangegaan en omdat deze arbeidsovereenkomst ondanks de arbeidsongeschiktheid van werkneemster nog altijd in stand is, moet werkneemster aangemerkt worden als werknemer in de zin van artikel 1:1, onder b, van de WAZO.

Op grond van artikel 3:6, lid 1, onder a, juncto artikel 3:7 van de WAZO, heeft werkneemster dan ook recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

Als werkneemster niet aangemerkt kan worden als werknemer in de zin van artikel 3:6, lid 1, onder a, van de WAZO, dan moet zij als gelijkgestelde (onder b) aangemerkt worden. Werkneemster is immers wel werknemer in het kader van de Ziektewet en ontvangt ook nog geen arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Als werkneemster als gelijkgestelde wordt aangemerkt heeft zij op die grond recht op een uitkering op basis van de WAZO.

Bij besluit van 16 maart 2005 heeft verweerder aan werkneemster medegedeeld dat zij vanaf 26 september 2004 in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheids- uitkering in het kader van de WAO, naar een mate van 80 tot 100%.

Bij besluit op bezwaar van 24 maart 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de WAZO voor werkneemster, ongegrond verklaard.

Daartoe heeft verweerder overwogen dat werkneemster vanaf 26 september 2004 een WAO-uitkering ontvangt en ingaande die datum niet meer verzekerd is voor de Ziektewet. Zij komt dan ingaande 24 december 2004 ook niet in aanmerking voor toekenning van een zwangerschaps- en bevallingsuitkering op grond van de WAZO.

Bij beroepschrift van 4 mei 2005 heeft de gemachtigde van eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit. De grieven in beroep luiden als volgt:

1. Door verweerder zijn twee verschillende versies van het besluit op bezwaar verzonden en in één van deze versies geeft verweerder zelf aan dat werkneemster aan te merken is als werknemer in de zin van de WAZO. Verweerder heeft aangegeven dat deze versie een concept betrof.

2. Verweerder stelt dat werkneemster ingaande 26 september 2004 niet meer verzekerd zou zijn voor de Ziektewet, omdat zij niet over een restcapaciteit zou beschikken. Dat werkneemster geen restcapaciteit heeft, wordt echter betwist.

3. Op grond van artikel 3 van de Ziektewet kan als werknemer aangemerkt worden, een ieder die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Werkneemster heeft een arbeidsovereenkomst met eiseres en kan dan ook aangemerkt worden als werknemer in de zin van artikel 1:1, onder b, van de WAZO.

4. Voorts kan werkneemster op grond van het bepaalde in artikel 8a van de Ziektewet aangemerkt worden als werknemer, nu zij immers met ingang van

26 september 2004 een WAO-uitkering ontvangt. Artikel 8a van de Ziektewet bepaalt immers dat mede als werknemer in de zin van de Ziektewet wordt beschouwd, degene die op grond van de verplichte verzekering ingevolge de WAO een uitkering ontvangt.

5. Op grond van artikel 3:6, lid 1, onder a juncto artikel 3:7 van de WAZO heeft werkneemster dan ook recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarin onder meer als volgt is gereageerd op het beroepschrift. Werknemer in de zin van artikel 3:6, lid 1, sub a, van de WAZO is de werknemer als bedoeld in artikel 1:1 van deze wet, met uitzondering van degene die geen werknemer is in de zin van de Ziektewet. Het begrip werknemer moet volgens verweerder op overeenkomstige wijze worden beoordeeld als het begrip werknemer voor de Ziektewet en overigens ook voor de andere werknemersverzekeringen. Werknemer is dan slechts degene die feitelijk werkt, omdat dan de drie elementen arbeid, loon en gezagsverhouding aanwezig zijn. Het enkele bestaan van een arbeidsovereenkomst is onvoldoende. Omdat werkneemster op 24 december 2004 feitelijk niet werkte, is zij geen werknemer in de zin van de WAZO.

Het oordeel van de rechtbank

In geschil is of verweerder terecht heeft geweigerd om werkneemster per

24 december 2004 in aanmerking te laten komen voor een WAZO-uitkering, omdat zij geen werknemer in de zin van die wet zou zijn.

In artikel 1:1 van de WAZO is bepaald dat voor de toepassing van die wet onder werknemer wordt verstaan degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht voor een werkgever.

Artikel 3:6 geeft voor de op grond van de WAZO toe te kennen uitkering in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg aan wie werknemer is en wie daarmee gelijkgesteld is. Onder werknemer wordt verstaan: de werknemer, bedoeld in artikel 1:1, met uitzondering van degene die op grond van de Eerste Afdeling, Paragraaf 2, van de Ziektewet, geen werknemer in de zin van die wet is.

Niet in geschil tussen partijen is dat er tussen werkneemster en eiseres op 24 december 2004 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bestond, wel in geschil is of eiseres werkneemster op die datum arbeid liet verrichten, zoals omschreven in artikel 1:1 van de WAZO.

Verweerder kiest in dit geschil een grammaticale benadering (eiseres liet werkneemster feitelijk geen arbeid verrichten) en leidt hieruit af dat er op de datum in geschil geen sprake was van "werknemer zijn" in de zin van de WAZO.

Van de zijde van eiseres is aangevoerd dat nu de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht op de datum in geschil nog bestond, er ook werknemerschap was in de zin van de Ziektewet en in de zin van de WAZO.

Volgens de omschrijving in de WAZO is degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht een "werknemer". De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het hier om het feitelijk verrichten van arbeid moet gaan of om de "overeenkomst" tussen werkgever en werknemer dat de werknemer arbeid zal verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank is de laatste interpretatie van de wettekst de juiste. De rechtbank onderbouwt dit standpunt als volgt.

Zowel de gemachtigde van eiseres (pleitnota) als verweerder (verweerschrift) zoeken voor het begrip werknemer aansluiting bij de omschrijving hiervan in de sociale verzekeringswetten, met name die in de Ziektewet. Volgens de omschrijving van het begrip in de Ziektewet is het verrichten van arbeid geen voorwaarde om werknemer te zijn, er dient enkel sprake van een (privaatrechtelijke) dienstbetrekking te zijn.

Werknemer op grond van de hierboven genoemde bepalingen uit de Ziektewet is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat (artikel 3, lid 1, van de Ziektewet).

Indien aan iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO is toegekend wordt de vereiste dienstbetrekking nog steeds geacht aanwezig te zijn (artikel 6, lid 2, onder f, van de Ziektewet). Iemand die een WAO-uitkering geniet is dus ook nog steeds werknemer in de zin van de Ziektewet.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de term "arbeid laten verrichten" in artikel 1:1 van de WAZO dan ook niet zo letterlijk (grammaticaal) genomen dient te worden als verweerder voorstaat, maar als een term die aangeeft dat er een overeenkomst tussen werkgever en werknemer is tot het (laten) verrichten van arbeid. Bij die laatste interpretatie van het werknemersbegrip loopt het begrip zoals we dat kennen uit de Ziektewet parallel met dat van de WAZO. Bovendien zou een grammaticale uitleg van artikel 1:1 van de WAZO er toe leiden dat ook een gezonde vrouwelijke werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, nooit recht op uitkering zou hebben, omdat zij feitelijk geen arbeid verricht gedurende haar verlof en daarom niet (meer) als werknemer gekwalificeerd kan worden. Nu dit echter niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn, dient de term "arbeid laten verrichten" niet feitelijk opgevat te worden.

Voor dit concrete geval betekent dit dat werkneemster op 24 december 2004 behalve werknemer in de zin van de Ziektewet, ook werknemer in de zin van de WAZO was, omdat zij, gezien het voorgaande, valt onder de omschrijving van artikel 3:6, lid 1, onder a, van de WAZO.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vraag of eiseres als gelijkgestelde in de zin van artikel 3:6, lid 1, onder b, van de WAZO aangemerkt kan worden, niet meer aan de orde is, nu deze vraag alleen beantwoord zou hoeven worden als zij géén werknemer in de zin van deze wet was.

Ook de overige beroepsgronden behoeven geen behandeling meer, nu gezien het voorgaande het beroep reeds gegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,= (zijnde de kosten van rechtsbijstand) e vergoeden door het UWV;

bepaalt dat het UWV aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 276,= volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. L.A. Gruiters in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 8 december 2005.

rv

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.