Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU9774

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
05 / 503 WW K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij primair besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser om toekenning van een werkloosheidsuitkering op basis van een nieuw recht op uitkering afgewezen, omdat eiser volgens verweerder in een cyclisch arbeidspatroon werkzaam was.

Het daartegen gerichte bezwaar is in het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van zogenaamde seizoenmatige arbeid, nu werkzaamheden zoals door eiser verricht worden bepaald door bedrijfseconomische en/of organisatorische keuzes die door de tuinder worden gemaakt, en niet direct door de klimatologische omstandigheden. Voorts worden tomaten niet in de volle grond gekweekt, zodat ook om die reden de werkzaamheden niet als seizoenmatig kunnen worden aangemerkt.

Onderzoek naar begrip seizonematige arbeid onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 05 / 503 WW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen : De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Eindhoven), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 10 maart 2005,

kenmerk: B&B/JvS/1262.23.130 HIP-nummer 248.011.0.

Datum van behandeling ter zitting: 10 november 2005.

I. PROCESVERLOOP

Op 4 oktober 2005 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek tot verstrekking van een uitkering ingevolge de werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 18 november 2004 (verder: het primair gemaakte bezwaar is, nadat een hoorzitting had plaatsgevonden, bij besluit van 10 maart 2005 (verder: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 november 2005, waar eiser in persoon is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is vanaf 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 als meewerkend voorman werkzaam geweest bij een loonbedrijf in de agrarische sector.

Vanaf 1 oktober 2003 tot en met 21 maart 2004 heeft eiser een werkloosheidsuitkering ontvangen. Daarna is eiser vanaf 5 januari 2004 tot en met 30 september 2004 wederom bij hetzelfde loonbedrijf in dienst geweest in dezelfde functie. Het loonbedrijf doet -als ingehuurd bedrijf- uitsluitend werkzaamheden voor één tuinder verrichten. Die werkzaamheden bestaan uit het zogenaamde indraaien en “dieven” (weghalen van de zijscheuten) van tomatenplanten die in kassen groeien. Vanaf ongeveer half september worden de tomatenplanten elk jaar vernietigd en uit de kassen verwijderd omdat deze vanwege het tekort aan lichtintensiteit vanaf deze periode niet of nauwelijks meer groeien.

Bij primair besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser om toekenning van een werkloosheidsuitkering op basis van een nieuw recht op uitkering afgewezen, omdat eiser volgens verweerder in een cyclisch arbeidspatroon werkzaam was.

Het daartegen gerichte bezwaar is in het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van zogenaamde seizoenmatige arbeid, nu werkzaamheden zoals door eiser verricht worden bepaald door bedrijfseconomische en/of organisatorische keuzes die door de tuinder worden gemaakt, en niet direct door de klimatologische omstandigheden. Voorts worden tomaten niet in de volle grond gekweekt, zodat ook om die reden de werkzaamheden niet als seizoenmatig kunnen worden aangemerkt.

Voor de beoordeling van het geschil is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 15 van de WW heeft de werknemer die werkloos is recht op loongerelateerde uitkering.

Ingevolge artikel 16, eerste lid van de WW is werkloos de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren;

en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

Ingevolge het zevende lid van artikel 16 WW kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de berekening van het verlies van arbeidsuren in geval van wisselende arbeidspatronen.

Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt door de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (regeling van 18 december 1986, nr. 8025, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 april 2002, Stcrt. 2002, 84, verder te noemen: de Regeling). Ingevolge artikel 4b, eerste lid, van de Regeling worden voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies van de werknemer die in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus werkzaam is of is geweest dan wel aansluitend aan het intreden van de werkloosheid in een wisselend arbeidspatroon gaat werken de kalenderweken waarover de cyclus van dat arbeidspatroon zich uitstrekt in aanmerking genomen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder cyclus verstaan de periode van maximaal 65 kalenderweken die wordt doorlopen tot het wisselende arbeidspatroon zich herhaalt.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel is dit artikel niet van toepassing op de werknemer die seizoenmatige arbeid heeft verricht.

Onder seizoenmatige arbeid wordt verstaan arbeid die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoengebonden is of hieraan direct is gerelateerd en daardoor slechts gedurende één of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht. Er is geen sprake van seizoenmatige arbeid als de werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks terugkerende periodes.

In de toelichting op (de wijziging van 7 december 2000 van) artikel 4b van de Regeling (Stcrt. 2000, 240) is onder meer het volgende vermeld:

“Bij seizoenmatige arbeid gaat het om werk dat naar zijn aard op klimatologische gronden seizoengebonden is of hieraan direct is gerelateerd. Onder naar zijn aard seizoenmatig wordt niet verstaan de aard van het betreffende bedrijf, maar de aard van de werkzaamheden. Van seizoenmatige arbeid is in elk geval sprake bij aan de weersomstandigheden gerelateerde werkzaamheden in de land- en tuinbouw (is klimatologisch bepaald).

Van seizoenmatige arbeid is echter geen sprake indien de werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks terugkerende periodes. Te denken valt aan situaties waarbij sprake is van een periodieke bedrijfssluiting die is ingegeven door overbrugging van een vakantieperiode. Evenmin kan gesteld worden dat sprake is van seizoenmatige arbeid bij werkzaamheden in het (particulier) onderwijs, waar contracten voor bepaalde tijd (doorgaans voor periodes van 9 of 10 maanden) gangbaar zijn en de werknemers voor de overige tijd van het jaar (2 of 3 maanden) niet voor de onderwijsinstelling werken, maar daarna weer in datzelfde patroon bij de onderwijsinstelling terugkeren.”

Bij besluit van 6 mei 2002 heeft verweerder de beleidsregel Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid (Stcrt. 2002, 100, verder: het Besluit) vastgesteld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“UWV verstaat onder arbeid die naar zijn aard vanwege klimatologische omstandigheden slechts gedurende één of meer jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of verricht kan worden, ook arbeid in bedrijven die één of meer perioden van het jaar volledig worden gesloten of afgebroken en deze sluiting of afbraak plaatsvindt op klimatologische gronden. Daarbij gaat het uitsluitend om bedrijven die gesloten of afgebroken worden omdat de bedrijfsactiviteiten rechtstreeks door klimatologische omstandigheden worden belemmerd. Bedrijven wier activiteiten indirect het gevolg zijn van de klimatologische omstandigheden worden hieronder niet begrepen.”

De toelichting op het Besluit vermeldt het volgende:

“Het in dit besluit weergegeven beleid wordt hierna met enkele voorbeelden toegelicht. Deze voorbeelden zijn niet exclusief, maar gelden mutatis mutandis voor andere arbeid en bedrijfstakken.

Naar zijn aard seizoengebonden arbeid is bijvoorbeeld direct aan de volle grond gerelateerde arbeid in de agrarische sector. Arbeid in horecagelegenheden en detailhandel aan het strand of in attractieparken (en waar een deel van het jaar niet gewerkt wordt), is naar zijn aard niet seizoenmatig, omdat het soort arbeid het gehele jaar door mogelijk en ook daadwerkelijk beschikbaar is, zij het soms op andere plaatsen. Arbeid in horeca of detailhandel in bedrijven die in de wintermaanden volledig gesloten of afgebroken worden, wordt wel als seizoenmatige arbeid beschouwd als het afbreken of de sluiting rechtstreeks verband houdt met de klimatologische omstandigheden. Te denken valt aan horeca of detailhandel in strandpaviljoens, die voor enkele wintermaanden worden afgebroken, maar ook aan campings die in de wintermaanden volledig sluiten.

Arbeid in horeca of detailhandel in bedrijven die in de wintermaanden gesloten of afgebroken worden, maar deze sluiting of afbraak is ingegeven door een verminderde stroom bezoekers, wordt niet als seizoenmatige arbeid beschouwd omdat er geen rechtstreeks verband is met de klimatologische omstandigheden.”

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser werkzaam is (geweest) in een cyclisch arbeidspatroon. Partijen verschillen van mening omtrent de vraag of het werk van eiser dient te worden aangemerkt als seizoenmatige arbeid.

Blijkens het bestreden besluit is verweerder van opvatting dat de werkzaamheden van eiser niet kunnen worden aangemerkt als seizoengebonden, nu de kassen dienen om de invloeden van het klimaat buiten te sluiten en het mitsdien niet geheel onmogelijk is om het gehele jaar in de kassen te telen. Om die reden is volgens verweerder de keuze om tot het leegmaken van de kassen over te gaan bedrijfseconomisch ingegeven en niet door klimatologische omstandigheden.

In zijn beroepschrift en ter zitting heeft eiser toegelicht waarom volgens hem wel sprake is van seizoenmatige arbeid. Hij wijst daarbij onder meer op de omstandigheid dat het loonbedrijf waar hij voor werkt, slechts deze specifieke arbeid aanbiedt en dat dat werk ook alleen bij tomatenplanten kan worden uitgevoerd. Verder voert eiser aan dat de groei van de tomatenplanten afhankelijk is van de lichtintensiteit en -hoeveelheid, die vanaf medio september te gering is, zodat daarmee gegeven is dat het werk afhankelijk is van de klimatologische omstandigheden. Volgens eiser zijn elders in het land wel experimenten uitgevoerd met het gebruik van zogenaamde assimilatieverlichting, doch deze hebben bij tomatenplanten nog niet tot bevredigende resultaten geleid. In elk geval wordt bij geen enkel tuinbouwbedrijf in de regio waarin hij werkzaam was van dergelijke verlichting gebruik gemaakt.

Verweerder heeft dit alles bestreden door aan te voeren dat het werk volgens zijn informatie niet seizoengebonden is. Desgevraagd gaf verweerders gemachtigde ter zitting aan dat die informatie afkomstig was van een internetpagina van een bedrijf dat beweert het hele jaar tomatenplanten te kunnen kweken met behulp van kunstlicht.

De stellingen van eiser met betrekking tot de klimaatgebondenheid van het werk dat hij uitvoerde, komen de rechtbank niet ongeloofwaardig voor en vormen duidelijke contra-indicaties voor het standpunt van verweerder dat het werk niet als seizoenmatig is te beschouwen. Met de informatie die thans voorhanden is kan zulks echter niet met zekerheid worden vastgesteld.

In ieder geval brengt het enkele feit, dat de kassen dienen om het klimaat op kunstmatige wijze te beïnvloeden, niet (zoals verweerder stelt) met zich dat er dus geen sprake kan zijn van seizoenmatige arbeid. Dat zou immers betekenen dat iedere kunstmatige beïnvloeding -zoals bijvoorbeeld besproeiing van akkers- het aanmerken van de betreffende werkzaamheden als seizoenmatig zou uitsluiten. Dat bij de beslissing om af te zien van eventuele mogelijkheden om de productie ook in de wintermaanden voort te zetten, de daaraan verbonden kosten mede een rol (kunnen) spelen vormt voorts op zichzelf onvoldoende reden om te concluderen dat de werkzaamheden uit bedrijfseconomische motieven onderbroken worden. Naar het oordeel van de rechtbank zou er met name aanleiding zijn tot die conclusie als zou blijken dat een aanmerkelijk deel van de andere tuinbouwbedrijven in Nederland waar tomaten worden gekweekt wel van mogelijkheden om jaarrond te produceren, gebruik zou maken.

Voor zover verweerder heeft getoetst aan een beperkter criterium voor seizoenmatige arbeid, dat hij leest in (de toelichting op) zijn Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid (hierin bestaande dat bij arbeid in de agrarische sector sprake dient te zijn van in overwegende mate in de volle grond gekweekte producten), is dat onjuist. Het betreft hier zoals opgemerkt een beleidsregel. Deze dient ter invulling van de wettelijke term, doch mag daaraan -ten opzichte van het algemeen verbindend voorschrift- geen beperkingen stellen.

In zoverre is de wijze waarop het verweerder invulling geeft aan het door hem gehanteerde beleid dan ook niet in overeenstemming met artikel 4b, zesde lid van de Regeling.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij de opvatting dat het werk van eiser niet seizoenmatig is heeft gebaseerd op eigen inzichten en interpretaties, waaronder een interne niet-gepubliceerde richtlijn waarin is opgenomen dat arbeid in kassen niet als seizoenmatig wordt aangemerkt. Naar aanleiding van wat eiser aanvoerde, is door verweerder nog een beperkt onderzoek via het internet gedaan.

Verweerder heeft niet bij het bedrijf alwaar eiser zijn werk deed een onderzoek ingesteld om zich op de hoogte te stellen van de aard van het werk. Dit terwijl het relaas van eiser hiertoe alle aanleiding gaf. Verweerder heeft aldus onvoldoende feitenonderzoek verricht naar de aard van het werk van eiser.

Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheids-vereiste van artikel 3:2 van de Awb en dient het te worden vernietigd. Het beroep van eiser zal dan ook gegrond worden verklaard en verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 662,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. J.M.H. Lie als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2005

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 2 januari 2006

KS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.