Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU8668

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
04/976408-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte actief wetenschap moet hebben gehad van de criminele activiteiten die haar partner, medeverdachte ontplooide.

Zij moet hebben gezien dat haar huis werd gebruikt voor de opslag en bewerking van verdovende middelen. Zij heeft door deze activiteiten in haar huis toe te laten en toe te staan en door telefonisch instructies door te geven actief deeluitgemaakt van de criminele organisatie waartoe ook haar partner, medeverdachte behoord heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/976408-05

Uitspraak d.d. : 23 december 2005

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum - plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen, gehouden op 19 september 2005,

29 november 2005, 30 november 2005, 5 december 2005 en 9 december 2005.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 7 maart 2005 in de gemeente Venlo en/of te Eindhoven, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of

vervoeren van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

I en/of

- het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel

10a van de Opiumwet;

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

zij op of omstreeks 7 maart 2005 in de gemeente Venlo en/of te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 250.000 pillen/tabletten bevattende MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

(art. 2 Opiumwet juncto artikel 10 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd.

De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft, om redenen zoals vervat in zijn schriftelijk requisitoir, op 30 november 2005 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De raadsman heeft gepleit tot vrijspraak voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde nu naar zijn mening zijn cliënte geen rol heeft gehad, zelfs geen ondergeschikte, in enig crimineel samenwerkingsverband en ook part noch deel heeft gehad in de levering van 250.000 pillen.

Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte [verdachte] heeft al vele jaren een bestendige relatie met medeverdachte [medeverdachte 1], uit welke relatie inmiddels vier kinderen geboren zijn. Medeverdachte [medeverdachte 1] houdt zich ook al jaren bezig met de handel in en productie van verdovende middelen. Blijkens zijn documentatie is hij hiervoor al enkele keren veroordeeld tot gevangenisstraffen, laatstelijk in 2003 in België voor 3 jaar. Verdachte [verdachte] heeft tijdens haar verhoor op 7 maart 2005 (proces-verbaal bladzijde 080, dossier Hazelaar ordner 0 en A) verklaard weet te hebben van de veroordelingen en de langdurige detenties (tweemaal) van haar partner [medeverdachte 1]. Tevens heeft zij in dat verhoor aangegeven dat zij met haar partner na de arrestatie in België afgesproken heeft dat hij in de toekomst op het rechte pad zou blijven, omdat zij anders bij hem weg zou gaan. Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte [verdachte] kennis heeft van het feit dat haar partner zich veelvuldig heeft beziggehouden met de productie en/of handel in verdovende middelen en dat zij gelet op de met haar partner gemaakte afspraak dat zij hem zou verlaten als hij weer in de fout zou gaan een meer dan gebruikelijke interesse moet hebben gehad voor zijn handel en wandel na zijn vrijlating.

Blijkens onder meer de verklaringen van hemzelf is medeverdachte [medeverdachte 1] vlak na zijn vrijlating op 4 september 2004 uit detentie in Duitsland weer begonnen met het opzetten van een amfetaminelaboratorium in Velden (het “duivenhok”). Ook zou hij vele dagen met de productie van amfetamine in dat laboratorium bezig geweest zijn omdat het maar niet wilde lukken om een goed eindproduct te verkrijgen en heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (die betrokken was bij datzelfde laboratorium en bij [verdachte] en [medeverdachte 1] inwoonde) aangegeven dat na een verblijf in het laboratorium kleding zo stonk dat die kleding bij thuiskomst eerst enige tijd in een plastic zak buiten in de achtertuin gelaten moest worden.

Voorts zijn bij de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] op 7 maart 2005 allerhande zaken in de achtertuin en in het washok/bijkeuken gevonden die niet behoren tot huisraad van een gebruikelijk huishouden. Zo blijkt uit de foto’s van de achtertuin dat zich aldaar in het zicht een speelhuis bevindt dat vol staat met jerrycans (die gevuld blijken te zijn met methanol). Ook werd in de achtertuin een mengapparaat aangetroffen. In de vriezer van [verdachte] die zich in het washok/bijkeuken bevond werd 5,3 kilogram amfetamine gevonden, naast het hondenvoer en een diepvriespizza. Verder trof men bij de doorzoeking in het washok/bijkeuken een sealapparaat en een kuip aan. Deze stonden blijkens de foto’s ook pal in het zicht. In de kuip werd bij de doorzoeking meer dan 20 kilogram amfetamine aangetroffen.

Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de observaties dat verdachte [verdachte] op

7 maart 2005 om 14.32 uur haar huis verlaat en om 15.19 uur weer terugkeert. Uit het proces-verbaal van de observatie van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 7 maart 2005 blijkt dat deze medeverdachten om 14.12 uur bij het huis van [verdachte] parkeren. Beide verklaren dat zij het huis vervolgens zijn ingegaan. Naar de rechtbank heeft geconcludeerd in de strafzaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rond 13.30 uur een grote hoeveelheid XTC-pillen bij het woonwagenkamp aan de Heezerweg in Eindhoven opgehaald en die vervolgens om 14.12 uur afgeleverd aan [medeverdachte 1] in het huis van [verdachte]. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zich in de middag van 7 maart 2005 plots geconfronteerd wist met het feit dat de afnemer van de XTC-pillen die pillen die middag wilde hebben en dat de toegezegde hulp bij het sealen verstek liet gaan. Hierdoor moest hij alle XTC-pillen zelf in één uur verwerken. Uit het vorenstaande volgt dat verdachte [verdachte] tijdens de hectiek van het sealen van de grote hoeveelheid XTC-pillen deels (zeker 20 minuten) thuis geweest is.

Ook blijkt uit de tapverslagen in het dossier dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verdachte [verdachte] bellen als zij op 7 maart 2005 op het woonwagenkamp aangekomen zijn en aldaar niemand treffen. Verdachte [verdachte] belt vervolgens met verdachte [medeverdachte 1] om instructie te krijgen. Deze instructies geeft zij daarna weer telefonisch aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] door.

Uit de observatie van het huis van verdachte [verdachte] blijkt dat zij in de middag van

7 maart 2005 om 15.19 uur bij haar huis arriveert op precies het moment dat de 250.000 XTC-pillen in de VW-Caddy van [medeverdachte 1] worden ingeladen. Zij blijft ongeveer 5 minuten in haar auto zitten tot de VW-Caddy daadwerkelijk vertrokken is.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij prompt nadat de VW-Caddy met de XTC-pillen was weggereden begonnen is met het bewerken van de hem in de ochtend aangeleverde partij amfetamine (deze amfetamine is bij de doorzoeking in de kuip in het washok/bijkeuken aangetroffen).

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat deze amfetamine ontzettend stonk en dat hij met behulp van methanol moest proberen om er weer een goede geur aan te geven, hetgeen hem niet gelukt is. Ook tijdens deze bewerking van amfetamine met methanol is verdachte [verdachte] thuis aanwezig geweest.

Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat hij deel heeft uitgemaakt van een organisatie die het oogmerk had op het vervaardigen en verhandelen van verdovende middelen.

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang en verband bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte [verdachte] actief wetenschap moet hebben gehad van de criminele activiteiten die haar partner, medeverdachte [medeverdachte 1] ontplooide.

Zij moet hebben gezien dat haar huis werd gebruikt voor de opslag en bewerking van verdovende middelen. Zij heeft door deze activiteiten in haar huis toe te laten en toe te staan en door telefonisch instructies door te geven actief deeluitgemaakt van de criminele organisatie waartoe ook haar partner, medeverdachte [medeverdachte 1] behoord heeft.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 december 2004 tot en met 7 maart 2005 in de gemeente Venlo heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of

vervoeren van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

I en/of

- het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel

10a van de Opiumwet.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het primair ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf.

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen

De officier van justitie heeft op 30 november 2005 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

11.1 De algemene overwegingen van de rechtbank

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straffen behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen van de rechtbank

De activiteiten die verdachte verrichtte binnen de criminele organisatie bestonden met name uit het verrichten van hand- en spandiensten ten behoeve van haar partner [medeverdachte 1]. Verdachte is moeder van 4 kleine kinderen en ten gevolge van de detentie van haar partner [medeverdachte 1] moet zij nu zowel de zorg voor de kinderen alleen dragen als in het onderhoud van het gezin voorzien. De rechtbank zal deze persoonlijke omstandigheden laten meewegen.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 120 en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Met het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 140.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 120 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis welke verdachte heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld;

veroordeelt verdachte voorts voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een

gevangenisstraf voor de tijd van 9 maanden en bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, M.J.A.G. van Baal en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. Van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.P. Beurskens als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

23 december 2005.