Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU8499

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
22-12-2005
Zaaknummer
04/816661/05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Veroordeelde heeft bezwaar aangetekend tegen het bevel van de officier van justitie tot afname van celmateriaal ter bepaling van veroordeeldes DNA, ter opname in een landelijke DNA-databank

De rechtbank acht , afgeleid uit het geheel van feiten en omstandigheden, dat het afnemen en verwerken van veroordeeldes DNA disproportioneel is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er spake is van een bijzondere situatie waarin de uitzonderingsbepalingen van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek veroordeelden door de officier van justitie had dienen te worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Beslissing op een bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Parketnummer : 04/816661/05

Raadkamernummer: 05/759

Op 30 november 2005 heeft mr. G. van Buuren een bezwaarschrift ingediend namens de veroordeelde:

naam : [naam klager]

voornamen : [voornaam klager]

geboortedatum : [geboortedatum]

geboorteplaats : [geboorteplaats]

woonachtig te [adres]

Het bezwaarschrift richt zich tegen het bevel van de officier van justitie d.d. 26 oktober 2005, inhoudende dat van veroordeelde op 24 november 2005 celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek ter bepaling van veroordeeldes DNA-profiel, ter opname in een landelijke DNA-databank en ter vergelijking van dat profiel met reeds in die databank aanwezige profielen (verder te noemen: het bevel).

De afname van het DNA-materiaal heeft plaatsgevonden op 24 november 2005.

Het bezwaar is binnen de in artikel 7 lid 1 van de wet DNA-onderzoek veroordeelden (verder: de Wet) bedoelde termijn van 14 dagen ingediend en derhalve tijdig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de voorhanden processtukken en heeft op 15 december 2005 de officier van justitie en de advocaat van veroordeelde gehoord. Veroordeelde is, ofschoon op de juiste wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 01 februari 2005 is in werking getreden de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoeken bij veroordeelden bepaalt dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis heeft gewezen, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, tenzij:

a.(…)

b. redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Bij vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2005 is veroordeelde (verder te noemen: klager) wegens mishandeling veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het misdrijf is opgenomen in het eerste lid (onder b) van artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering en valt mitsdien onder de misdrijven wegens het plegen waarvan bij een veroordeelde celmateriaal kan worden afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek.

Tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel kan op grond van artikel 7 van de Wet bezwaar worden gemaakt. Klager maakt bezwaar tegen het bevel van de officier van justitie tot afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek en verzoekt de officier van justitie te bevelen ervoor zorg te dragen dat zijn celmateriaal terstond wordt vernietigd. Gezien het feit dat afname van het celmateriaal reeds heeft plaatsgevonden alsmede gezien hetgeen klager in zijn bezwaarschrift alsmede hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, vat de rechtbank het bezwaar tegen afname van het celmateriaal op als een bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel in de zin van artikel 7 van de Wet.

In zijn bezwaarschrift en ter terechtzitting beroept klager zich op het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet. Hij voert hierbij aan dat het gaat om een voetbalincident van zeer beperkte strekking en omvang, en dat redelijkerwijs niet aannemelijk is te achten dat het DNA-profiel van klager van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Voorts acht klager met de DNA-afname en het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel zijn recht op privacy ernstig geschonden, is hij van mening dat hiermee een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op eerbiediging van zijn privé-leven zoals tot uitdrukking gebracht in artikel 8 EVRM. Voorts stelt klager dat met de maatregel ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt tussen hem en andere mensen in Nederland die niet middels afname van celmateriaal aan een DNA-onderzoek worden onderworpen, waardoor sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 14 EVRM (juncto artikel 8 EVRM) en artikel 1 van de Grondwet.

De officier van justitie heeft gesteld dat een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder b van de Wet niet behoort te slagen. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever de uitzonderingsbepaling willen reserveren voor uitzonderlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de officier van justitie is van een door de wetgever bedoelde uitzonderlijke omstandigheid geen sprake. Ook heeft de officier van justitie aangegeven dat een incident als het onderhavige zich ook in de toekomst weer zal kunnen voordoen. Hij verzoekt het bezwaar ongegrond te verklaren.

De rechtbank stelt vast dat het delict waar het hier om gaat een voetbalincident betreft waarbij klager een speler van de tegenpartij heeft geslagen en/of geduwd waardoor die tegenspeler letsel heeft opgelopen en/of pijn heeft ondervonden.

Bij beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval een beroep op de in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet genoemde uitzondering behoort te slagen, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Uit de Memorie van Toelichting (TwK 28 685, nr. 3) blijkt dat deze uitzondering slechts een beperkte reikwijdte heeft. Dat neemt niet weg dat de officier van justitie ook in omstandigheden die de wetgever in de parlementaire geschiedenis niet uitdrukkelijk als voorbeelden heeft genoemd, is gehouden na te gaan of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van een veroordeelde gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

De rechtbank neemt in aanmerking dat het in casu gaat om een voetbalincident, gepleegd door een 44-jarige man die geen strafblad had, die voor dit feit een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren opgelegd heeft gekregen, en tegen wie verder geen ander strafrechtelijk onderzoek loopt. De rechtbank overweegt dat, zoals haar ambtshalve bekend is, het uitzonderlijk is dat het duwen of slaan tijdens een voetbalwedstrijd tot een strafrechtelijke vervolging leidt. De kans dat een eventueel soortgelijk incident in de toekomst wederom tot een strafrechtelijke vervolging zal leiden, acht de rechtbank op grond hiervan zeer gering, nog daargelaten de vraag of in dergelijke situaties het DNA-profiel van enige strafvorderlijke betekenis is.

Het geheel van feiten en omstandigheden in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat in casu de afname van DNA-materiaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van klager disproportioneel is, nu het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet genoemde doeleinden.

Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een bijzondere situatie waarin de uitzonderingsbepaling van artikel 2, eerste lid onder b van de Wet door de officier van justitie had dienen te worden toegepast, is het bezwaar gegrond. De overige door klager aangevoerde gronden behoeven derhalve verder geen bespreking meer.

Op grond van de voorgaande overwegingen wordt als volgt beslist.

Beslissing:

De rechtbank:

Verklaart het bezwaarschrift gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van klager terstond wordt vernietigd.

Deze beschikking is gegeven op 22 december 2005 door mrs. P.H.J. Frénay, C.M.W. Nobis, S.W.E. Rutten, van wie mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, in tegenwoordigheid van

P. van Kaam-Wolfswinkel als griffier.