Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU7540

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
08-12-2005
Zaaknummer
04/069242-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit vonnis wordt uitleg gegeven over de termen sloot en sloottalud met betrekking tot het daar al dan niet mogen toepassen van bestrijdingsmiddelen ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962

Wetsverwijzingen
Bestrijdingsmiddelenwet 1962
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 5
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 5a
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 9
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/106 met annotatie van Van Herwijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/069242-04

uitspraak d.d. : 8 december 2005

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de economische politierechter te Roermond, in de zaak tegen:

naam : [Naam Maatschap]

gevestigd : [vestigingsadres]

plaats : [vestigingsplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2005.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 11 mei 2004 te Belfeld, in de gemeente Venlo, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met (een) vastgestelde voorschrift(en) krachtens artikel 5, tweede en/of derde en/of vierde en/of zesde en/of zevende en/of achtste lid, en/of artikel 5a, eerste en/of tweede lid, en/of artikel 9, tweede en/of derde lid van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, immers heeft zij het bestrijdingsmiddel Round-up Econ 400, toelatingsnummer 11553 N, in strijd met het wettelijk gebruiksvoorschrift voor een andere toepassing gebruikt dan waarvoor het middel was toegelaten, immers heeft zij dat middel gebruikt op/in een sloot(talud), gelegen aan de Maalbekerweg;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de politierechter

Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 24 november 2005 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatschap dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Door verdachte is aangevoerd dat er in casu geen sprake is van een sloot en van een sloottalud, maar een soort voor, tussen het bermtalud van de hoger gelegen wegberm en zijn lager gelegen perceel. Deze voor, die zich uitstrekt over de lengte van zijn perceel, staat niet in verbinding met (oppervlakte)wateren en voert volgens verdachte nimmer water. Zelfs bij recente hevige regenval stond er geen water in de voor.

De economische politierechter overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De vraag die zich in de onderhavige zaak voordoet, is of in casu sprake is van een sloottalud en derhalve ook of er in casu sprake is van een sloot.

De economische politierechter overweegt dat de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 niet nader bepaald wat onder “sloot” dan wel wat onder “sloottalud” dient te worden verstaan.

Artikel 5, tweede lid, onder a, sub 1, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, bepaalt dat bij de toelating van een bestrijdingsmiddel voorschriften worden gegeven omtrent de doeleinden waarvoor het middel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden. Artikel 5, tweede lid, onder b, sub 1 van genoemde wet bepaalt vervolgens onder meer, en voor zover hier relevant, dat bij de toelating van een bestrijdingsmiddel voorschriften kunnen worden gegeven welke onder meer betrekking hebben op:

1. de tijden en de plaatsen waarop,

2. de klimatologische omstandigheden waaronder,

3. de doseringen waarin,

4. de wijze waarop, of

5. de technische hulpmiddelen waarmede

het middel uitsluitend dan wel niet mag worden gebruikt, alsmede op de bij het gebruik in acht te nemen veiligheidstermijnen.

Artikel 10 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bepaalt dat het, voor zover hier relevant, verboden is te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede lid, vastgestelde voorschriften.

Het bestrijdingsmiddel Roundup ECON 400, is bij het verlengings- en wijzigingsbesluit van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (hierna: het College) d.d. 6 september 2002 toegelaten (toelatingsnummer 11553 N).

In het genoemd besluit is aangegeven dat dit bestrijdingsmiddel slechts mag worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I van dat besluit, onder A is voorgeschreven. In bijlage I onder A “wettelijk gebruiksvoorschrift” is nader bepaald voor welk gebruik het middel Roundup ECON 400 (uitsluitend) is toegestaan. In diezelfde bijlage I onder B, “gebruiksaanwijzing” zijn voorschriften gegeven voor onder meer de plaatsen waarop evenals de wijze waarop het middel bij de toegestane toepassing uitsluitend mag dan wel niet mag worden gebruikt.

In de gebruiksaanwijzing is namelijk onder “Akkerranden” aangegeven dat de toepassing op akkerranden slechts is toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van methoden en toestellen die geen drift veroorzaken, zoals onkruidbestrijker en toestellen met een afgeschermde spuitdop. Verder is, voor zover hier relevant, aangegeven “Niet spuiten op sloottaluds”.

Uit de gronden waarop het besluit van het College berust, (bijlage II bij het besluit), blijkt dat de toepassing van onder meer het middel, Roundup ECON 400 de norm voor waterorganismen overschrijdt bij akkerranden (en droge slootbodems. Het College heeft mede om die reden de toepassing per 1 juli 2002 ook in droge slootbodems beëindigd).

Nu de toepassingsvoorwaarden voor het bestrijdingsmiddel Roundup ECON 400 ten aanzien van akkerranden, zo mag worden begrepen, strekken ter bescherming van het oppervlaktewater, dient voor het begrip sloot aansluiting te worden gezocht bij het begrip oppervlaktewater als bedoeld in de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO). Wat daaronder verstaan moet worden is op grond van jurisprudentie reeds voldoende uitgekristalliseerd.

Volgens het arrest van de Hoge Raad van 30 november 1982, (AB, 1983, 265) dient onder “oppervlaktewater” te worden verstaan:

‘een –anders dan louter incidenteel aanwezige – aan het aardoppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld”.

Uit vaste jurisprudentie blijkt voorts dat wateren die in verbindingen staan met andere oppervlaktewateren, om die reden aangemerkt dienen te worden als oppervlaktewater. Het feit dat wateren eventueel geregeld droog staan, doet daar niet aan af. Eveneens volgens vaste jurisprudentie, maakt het ontberen van een verbinding met andere oppervlaktewateren nog niet dat een water geen oppervlaktewater zou zijn. Gebruiksdoel en omvang zijn dan veelal bepalend.

In de regel, ook volgens vaste jurisprudentie, kan er evenwel niet van een oppervlaktewater worden gesproken in een geval dat er geen verbinding is met andere oppervlaktewateren én de locatie slechts in extreme situaties water voert, dan wel dat de locatie is ingericht voor een specifieke beheerssituatie.

De economische politierechter overweegt dat in de onderhavige situatie, zoals uit het aanvullend proces verbaal d.d. 26 augustus 2005 van de Algemene Inspectiedienst en de bijbehorende foto’s blijkt, de vermeende sloot niet in verbinding staat met enig ander oppervlaktewater. Verder blijkt uit het proces verbaal van 7 december 2004 en uit hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard dat de vermeende sloot, gelegen tussen het talud van de hoger gelegen wegberm en het lager gelegen perceel van verdachte zich slechts uitstrekt over de lengte van het perceel van verdachte en zelfs bij heftige regelval geen water voert. Onder die omstandigheden, is er naar het oordeel van de economische politierechter geen sprake van sloot in de zin van een oppervlaktewater als bedoeld in de WVO en zoals dat mag geacht worden bedoeld te zijn in het op de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 gebaseerde, hiervoor aangehaald, besluit van het College.

Van een sloottalud waarop het bestrijdingsmiddel Roundup ECON 4000 volgens het hiervoor aangehaald besluit van het College niet mag worden toegepast, is dan evenmin sprake.

Nu het tenlastegelegde feit om die reden niet kan worden bewezen, dient verdachte te worden vrijgesproken.

BESLISSING

De politierechter:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

Vonnis gewezen door de politierechter mr. C.M.W. Nobis, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechter voornoemd op 8 december 2005.