Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU7533

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
08-12-2005
Zaaknummer
04/068023-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit onderzoek is gebleken dat een vuurwerkgroothandel in België buiten de reguliere openingstijden vuurwerk leverde aan Nederlanders. De Procureur des Konings te Antwerpen heeft in het kader van een rechtshulpverzoek onder voorwaarden machtiging verleend tot observatie door Nederlandse opsporingsambtenaren bij genoemde vuurwerkgroothandel. De economische politierechter acht de observatie en de daarop volgend achtervolging, in tegenstelling tot het gevoerde verweer door de raadsvrouw van verdachte, rechtmatig en daarmee ook de aanhouding van verdachte op Nederlands grondgebied teneinde het voertuig van verdachte te onderzoeken (art 23 WED) op overtreding van het Vuurwerkbesluit, juncto de Wet milieugevaarlijke stoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/068023-04

Parketnummer : 05/089012-03 (TUL)

uitspraak d.d. : 8 december 2005

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de economische politierechter te Roermond,

in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Zuid Oost-HvB Maashegge Overloon, Stevensbeekseweg 14a te Overloon.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzitting van 7 juli 2005 en 24 november 2005.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 16 december 2003, in de gemeente Breda en/of in de gemeente Oosterhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 166 Chinese rollen (van 100.000 shots), 2 flowerbeds, 30 vuurpijlen en/of 12 mortieren, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels,

immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik" en/of

b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk bleek wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren waren en/of

c. de naam en/of de handelsnaam of het handelskenmerk en/of de naam en/of de plaats van vestiging van de fabrikant en/of de importeur of handelaar en/of

d. het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat diende ter identificatie van het vuurwerk en/of het productiejaar van het vuurwerk en/of

e. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan;

art 1.2.2. lid 1 onder a Vuurwerkbesluit

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de politierechter

Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging.

De raadsvrouw voert daartoe aan dat in de machtiging inzake internationale observatie, operatie vuurwerk, afgegeven door de Procureur des Konings te Antwerpen op 1 augustus 2003 duidelijk is omschreven wat de bevoegdheden van de Nederlandse opsporingsambtenaren op Belgisch grondgebied zijn, namelijk het observeren van onbekende personen die kunnen worden beschreven als Nederlandse ingezetenen en van alle nuttige Nederlandse voertuigen.

Uit het dossier en de verklaring van de verbalisant [verbalisant] ter terechtzitting is duidelijk dat op het moment van observatie niet vaststond dat het een Nederlands voertuig betrof, waarvan verdachte gebruik maakte, nu het geobserveerde voertuig een Belgisch kenteken had en verdere aanwijzingen dat het om een Nederlands voertuig zou gaan, op dat moment niet aanwezig waren. Het was in ieder geval op dat moment helemaal niet duidelijk dat verdachte een Nederlandse ingezetene was.

De raadsvrouw is dan ook van mening dat er sprake is van een onrechtmatige observatie en een onrechtmatige achtervolging van verdachte naar Nederland, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard. Dat verdachte op Nederlands grondgebied is aangehouden en dat dan pas blijkt dat verdachte in een Nederlands voertuig rijdt en Nederlander is, doet daar niet aan af.

De Officier van Justitie stelt zich op het standpunt dat er van een schending geen sprake is. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt niet dat het geen Nederlands voertuig was, want het was een Nederlands voertuig, het Belgisch kenteken doet daar niet aan af en verdachte is een Nederlands ingezetene. Bovendien als er al sprake zou zijn van een schending, dan kan de verdachte daar geen rechten aan ontlenen. Er was een verdenking en op grond van de Wet op de Economische Delicten mogen voertuigen gecontroleerd worden aan de grens.

De economische politierechter verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

De door de Procureur des Konings te Antwerpen afgegeven machtiging is afgegeven in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek ter zake opsporingsonderzoek naar overtredingen van het Vuurwerkbesluit door Nederlandse particulieren en niet-geregistreerde handelaren die naar Belgische verkooppunten gaan om daar vuurwerk te kopen en dat naar Nederlands grondgebied te brengen. Het zou daarbij gaan om grote hoeveelheden consumentenvuurwerk die veelal met Nederlandse voertuigen op Nederlands grondgebied worden gebracht. In veel gevallen betreft het vuurwerk dat in Nederland verboden is.

De machtiging ter observatie werd verleend ter identificatie van verdachten en het verzamelen van bewijsmateriaal, in de machtiging nader gespecificeerd, voor zover hier van toepassing, als volgt, ten aanzien van:

- de personen wiens namen niet gekend zijn doch beschreven kunnen worden als Nederlandse ingezetenen welke vuurwerk aankopen bij de firma Alpeco;

- de volgende zaken: alle nuttige Nederlandse voertuigen;

- de volgende plaatsen: de firma Alpeco, Starrenhoflaan 9 te Kapellen;

- de volgende gebeurtenissen: alle relevante verplaatsingen.

De economische politierechter overweegt dat verbalisant [verbalisant] in zijn aanvullend proces-verbaal van 31 augustus 2005 heeft verklaard dat uit onderzoek van een aan het Interregionaal vuurwerkteam deelnemende politieregio vast was komen te staan dat de vuurwerkgroothandel Alpeco te Kapellen, ‘s nachts en ’s morgens vroeg, buiten de reguliere openingstijden, vuurwerk leverde aan Nederlanders. Voorts heeft verbalisant [verbalisant] verklaard dat hem ambtshalve bekend is dat deze Nederlanders, die vuurwerk afnemen, zich bedienen van kunstgrepen, zoals het bevestigen van gestolen kentekenplaten op hun voertuig. Deze feiten en omstandigheden hebben er volgens verbalisant toe geleid dat het voertuig met het Belgisch kenteken door het Joint Investigation Vuurwerk team is gevolgd en op Nederlands grondgebied is aangehouden.

De economische politierechter is van oordeel dat daarmee door verbalisant voldoende is gerelateerd waarom verdachte werd aangemerkt als een niet met name bekende Nederlander, die bij de vuurwerkgroothandel Alpeco, alwaar verbalisanten als zodanig gerechtigd waren te observeren, vuurwerk kocht om dat naar Nederland te brengen. Immers, verdachte reed om 05.40 uur het terrein van de vuurwerkhandel op en verliet het terrein vervolgens om 06.15 uur weer. Verdachte was derhalve buiten reguliere openingstijden aldaar aanwezig. Wat er zij ten aanzien van het Nederlands voertuig, dat gestolen Belgische kentekenplaten voerde, is daarmee verder niet relevant. Verbalisant heeft ter zitting als getuige overigens nog een keer expliciet aangegeven dat vanwege de duisternis het kenteken van het voertuig niet zichtbaar was en het voertuig/kenteken als zodanig ook niet bepalend is geweest voor het observeren en volgen van verdachte.

De observatie van de Nederlandse verbalisant op Belgisch grondgebied is naar het oordeel van de economische politierechter niet onrechtmatig gebleken en verbalisant kon uit de observatie het vermoeden van schuld aan een strafbaar feit op grond van het Vuurwerkbesluit juncto de Wet milieugevaarlijke stoffen, strafbaar gesteld in de Wet op de Economische Delicten (WED), jegens verdachte afleiden. Op grond van artikel 23 van de WED waren verbalisanten vervolgens bevoegd verdachte in Nederland te controleren. De officier van justitie kan daarom worden ontvangen in zijn vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 24 november 2005 gevorderd dat ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de observatie van verdachte op Belgisch grondgebied onrechtmatig is geweest. De daarop gevolgde aanhouding van verdachte en de daarop volgende bevindingen van de verbalisant dienen uitgesloten te worden voor het bewijs. Naar het oordeel van de raadsvrouw dient verdachte te worden vrijgesproken.

De economische politierechter verwerpt dit verweer.

Nu de economische politierechter hiervoor onder 5 heeft geoordeeld dat de observatie van verdachte op Belgisch grondgebied niet onrechtmatig is, kunnen de aanhouding van verdachte en daarop volgende bevindingen van de verbalisanten voor het bewijs worden gebezigd.

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 december 2003, in de gemeente Oosterhout, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 166 Chinese rollen (van 100.000 shots), 2 flowerbeds, 20 vuurpijlen en 12 mortieren, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels,

immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik" en/of

e. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs

De overtuiging van de politierechter dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen

11.1 De algemene overwegingen

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de politierechter van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 24 november 2005 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van strafrecht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Was deze zaak met de eerder berechte zaak meegenomen, dan had dat nauwelijks geleid tot een hogere straf. Voorts dient er rekening mee te worden gehouden dat het hier om een oud feit gaat.

Met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf merkt de raadsvrouw op dat een gehele tenuitvoerlegging veel te zwaar is in verhouding met de zwaarte van het tenlastegelegde feit. De raadsvrouw verzoekt de proeftijd te verlengen of de helft van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.

De politierechter heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder enerzijds rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving;

- de relatief grote hoeveelheid vuurwerk en gevaarzettend karakter er van;

- de omstandigheid dat de verdachte op de hoogte is van het gevaar van vuurwerk, vanwege het feit dat hij in het leger bij de EOD dienst deed;

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder ter zake vuurwerkdelicten is veroordeeld;

en anderzijds met:

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

De economische politierechter is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

Met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 63, 91

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6

Wet milieugevaarlijke stoffen art. 23

Vuurwerkbesluit art. 1.2.2, 2.1.3(oud)

13. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat - nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit - omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

BESLISSING

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 2 maanden, niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige economische kamer te Arnhem d.d. 20 februari 2003 in de zaak met parketnummer 05/089012-03 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vonnis gewezen door de politierechter mr. C.M.W. Nobis, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechter voornoemd op 8 december 2005.