Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU6997

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-11-2005
Datum publicatie
28-11-2005
Zaaknummer
70080 / JE RK 05 - 929
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing / JJI / regime.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg 22
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/23 met annotatie van V.M. Smits
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaak-/rolnummer: 70080 / JE RK 05-929.

Datum uitspraak: 16 november 2005.

B E S C H I K K I N G

van de kinderrechter in de rechtbank Roermond

op het op 24 oktober 2005 ingediende verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Weert, tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting van:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige als belanghebbenden aan:

- [de moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [de vader],

wonende te [woonplaats],

[adres].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder.

1. Het verloop van de procedure

De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de stichting voornoemd. De ondertoezichtstelling loopt tot 12 januari 2006.

Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling zijn bij het verzoekschrift overgelegd, alsmede het indicatiebesluit d.d. 29 juni 2005.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

Aangezien de stichting heeft verzocht tot wijziging van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een justitiële jeugdinrichting, is aan de minderjarige als raadsman toegevoegd mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Herten.

Op 8 november 2005 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige, bijgestaan door mr. R.A.J. Delescen,

- [de moeder],

- een vertegenwoordigster van de stichting.

2. Vaststellingen en overwegingen

2.1 Bij beschikking van 24 augustus 2005 is machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een justitiële jeugdinrichting – met een beperkt beveiligd regime – tot uiterlijk 12 januari 2006.

De minderjarige is op 20 oktober 2005 in een beperkt beveiligde behandelgroep van het Keerpunt geplaatst.

2.2 De stichting verzoekt de beschikking van 24 augustus 2005 om te zetten in een beschikking tot verlening van een machtiging tot plaatsing in een justitiële jeugdinrichting, zonder vermelding van het regime. Als motivering van het verzoek verwijst de stichting naar het Keerpunt en het Ministerie van Justitie die er op zouden staan dat er in de beschikking enkel wordt vermeld “justitiële jeugdinrichting” zonder verdere toevoegingen. De reden hiervoor is dat het Keerpunt met de huidige beschikking niet kan overgaan tot een gesloten time-out voor de minderjarige, mocht dat noodzakelijk zijn.

De stichting legt (wederom) het indicatiebesluit van 29 juni 2005 over dat spreekt over een indicatie voor een beperkt beveiligde behandelgroep.

2.3 De raadsman alsmede moeder en de minderjarige verzetten zich tegen de door de stichting verzochte wijziging.

2.4 De kinderrechter oordeelt als volgt.

In artikel 1:261, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat voor plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter is vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige.

In artikel 14, eerste lid, van de Beginselenwet JJI is aangegeven dat de inrichtingen of afdelingen daarvan naar de mate van beveiliging zijn te onderscheiden en aan te duiden als:

a. beperkt beveiligd: een open inrichting of afdeling;

b. normaal beveiligd: een gesloten inrichting of afdeling.

Artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg bepaalt dat indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf in een inrichting zij in het indicatiebesluit aangeeft of sprake moet zijn van verblijf in een beperkt beveiligde of normaal beveiligde inrichting als bedoeld in het hiervoren aangehaalde artikel 14, eerste lid, van de Beginselenwet JJI.

De kinderrechter stelt voorop dat het indicatiebesluit maatgevend is voor de beoordeling en inhoud van de af te geven machtiging.

Uit een oogpunt van rechtsbescherming oordeelt de kinderrechter dat het niet aan de beoordelingsbevoegdheid van de inrichting is om een minderjarige binnen het vrijheidsbenemende traject over te plaatsen van een beperkt beveiligd regime naar een normaal beveiligd regime indien het indicatiebesluit spreekt over plaatsing in een beperkt beveiligd regime en de machtiging dienovereenkomstig is verleend.

Gelet op het voorgaande gaat het daarom niet aan de reeds verleende machtiging te vervangen door een ‘ruimere’ machtiging zoals verzocht.

De kinderrechter acht zich in dit oordeel gesteund door het per 1 januari 2006 in werking te treden artikel 11a, tweede lid van de Beginselenwet JJI dat bepaalt dat: “De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden overgeplaatst naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a.”, terwijl over een bevoegdheid om ook het omgekeerde traject te bewandelen niets is vermeld.

Tot slot verwijst de kinderrechter naar de uitspraak van het Gerechtshof

’s-Hertogenbosch d.d. 20 april 2005, R200500093 (niet gepubliceerd) waarin het Hof ten overvloede heeft overwogen niet te kunnen meegaan met de stelling van de stichting dat de machtiging tot plaatsing in een gesloten behandelgroep tevens zou mogen dienen voor plaatsing in een beperkt beveiligde behandelgroep. Een situatie die de wetgever met de inwerkingtreding per 1 januari 2006 van vorengenoemd artikellid van 11a van de Beginselenwet JJI overigens wel mogelijk wil maken.

Het voorgaande leidt tot de beslissing zoals hierna bepaald.

BESLISSING

De kinderrechter:

wijst het verzoek af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 16 november 2005 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: SH.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.