Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU5994

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-11-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
04/860461-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 60-jarige inwoner van Tegelen, die op 13 mei 2005 de Rabobank in Maasbree overviel, is vrijdag 11 november 2005 door de rechtbank in Roermond veroordeeld voor poging tot afpersing van het personeel van de bank door het personeel van de bank te bedreigen met geweld. Hoewel het plegen van een bankoverval een ernstig misdrijf is en dit een lange gevangenisstraf zou rechtvaardigen, vindt de rechtbank dat, gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte, compassie op zijn plaats is. De rechtbank veroordeelde de man dan ook tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde, behandeling in een forensische psychiatrische polikliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860461-05

Uitspraak d.d. : 11 november 2005

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [naam]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2005.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 13 mei 2005 in de gemeente Maasbree ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [A] en/of

(een) (andere) medewerker(s) van de RABO-bank te dwingen tot de afgifte van EURO 10.000,--, in elk geval van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan de RABO-bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, met dat oogmerk het gebouw van de RABO-bank, gelegen aan de Dorpsstraat, is binnengegaan, genoemde [A] de woorden heeft toegevoegd: "Ich brauche EURO 10.000,--, jetzt. Ich habe hier eine Bombe und wenn ich drücke geht die ab. Und keine Polizei" en/of daarbij een pakketje op de balie heeft neergelegd en/of, nadat genoemde [A] hem, verdachte, had meegedeeld dat zij geen geld kon verstrekken genoemde [A] de woorden heeft toegevoegd: "Ich glaube das nicht, Sie füllen die Automaten, dann können Sie auch öffnen" en/of "Dann hohlen Sie es schon, sonst drücke ich auf den Knopf und dann gehen wir alle hoch. Ich auch aber das ist mir egal" en/of "Unternehmen sie noch was, ich werde böse", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 317 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 oktober 2005 gevorderd dat het ten laste gelegde feit zal worden bewezen verklaard.

De verdachte en de raadsman hebben zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hieronder opgenomen motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm door de regiopolitie Limburg-Noord, basiseenheid Helden opgemaakt proces-verbaal, dossiernummer 05-0032539, gedateerd 9 juni 2005 en de daarbij behorende bijlagen.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2005, de aangifte/verklaring van [A], (dossierpagina 3.2, doorgenummerde bladzijden 47 tot en met 51) en de aangifte/verklaring van [betrokkene B], (dossierpagina 3.3, doorgenummerde bladzijden 53 tot en met 58) acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 mei 2005 in de gemeente Maasbree ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [A] en andere medewerkers van de RABO-bank te dwingen tot de afgifte van EURO 10.000,--, toebehorende aan de RABO-bank, met dat oogmerk het gebouw van de RABO-bank, gelegen aan de Dorpsstraat, is binnengegaan, genoemde [A] de woorden heeft toegevoegd: "Ich brauche EURO 10.000,--, jetzt. Ich habe hier eine Bombe und wenn ich drücke geht die ab. Und keine Polizei" en daarbij een pakketje op de balie heeft neergelegd en, nadat genoemde [A] hem, verdachte, had meegedeeld dat zij geen geld kon verstrekken genoemde [A] de woorden heeft toegevoegd: "Ich glaube das nicht, Sie füllen die Automaten, dann können Sie auch öffnen" en/of "Dann hohlen Sie es schon, sonst drücke ich auf den Knopf und dann gehen wir alle hoch. Ich auch aber das ist mir egal" en/of "Unternehmen sie noch was, ich werde böse",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

9. Kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

poging tot afpersing.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 317 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte.

Over verdachte is op 21 oktober 2005 gerapporteerd door mevrouw drs. M.S.M. Roomans, psycholoog. In dit rapport komt deze deskundige tot de conclusie dat tijdens het begaan van het feit bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een aanpassingsstoornis met een verstoring in het gedrag, waarbij bij betrokkene tevens sprake is van narcistische en obsessief-compulsieve persoonlijkheidstrekken en dat op grond hiervan verdachte te beschouwen is als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het hem ten laste gelegde feit. De rechtbank kan zich verenigen met de inhoud van de bevindingen en conclusie als hiervoor genoemd van rapporteur en zal deze bevindingen en conclusie overnemen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 28 oktober 2005 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van

3 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de Reclassering.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat een onvoorwaardelijke straf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zeer grote gevolgen voor het gezin van verdachte heeft.

11.1 De overwegingen van de rechtbank.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf als volgt.

Verdachte is schuldig verklaard aan een ernstig misdrijf, namelijk een poging tot afpersing, gepleegd tegenover personeel van een financiële instelling, te weten de Rabobank te Maasbree. De rechtbank overweegt dat dit soort delicten, populair gezegd een bankoverval, in het algemeen een enorme impact heeft op degenen die er direct bij betrokken zijn, in dit geval de bankmedewerkers, ook al worden zij door of namens hun werkgever voorbereid op dit soort gebeurtenissen. Voor zover de rechtbank kan beoordelen, hebben de medewerkers van de bank adequaat gehandeld en hebben zij mede daardoor de bank op enig moment kunnen verlaten. Hoewel de rechtbank bij ontbreken van (nadere) slachtofferinformatie een voorbehoud moet maken, lijkt het er op, dat de gevolgen voor betrokken medewerkers, hoewel ze ten tijde van het gebeuren zeker bang zijn geweest en zich bedreigd hebben gevoeld, al met al, beperkt zijn gebleven.

Omdat de gealarmeerde politie in eerste aanleg niet wist wie de bankovervaller was, of en hoe hij bewapend was en wat zijn voornemens zouden kunnen zijn, heeft zij passend personeel ingezet. Als gevolg van deze personele inzet, was de media snel op de hoogte van hetgeen zich in Maasbree afspeelde. Die dag heeft het gebeuren landelijke aandacht gekregen, waarbij ook veronderstellingen, die buiten de invloedssfeer van verdachte liggen, een eigen leven gingen leiden. De rechtbank overweegt dat het gevolg was dat op die dag en enkele dagen daarna de rechtsorde ernstig was geschokt.

Over de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is gepleegd overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte, thans 60 jaar oud, is niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verdachte wordt in de psychologische rapportage van drs. M.S.M. Roomans d.d. 21 oktober 2005 omschreven als "een uiterst correcte man, die ernaar streeft controle te hebben over de situatie en over zijn emoties, een man die zelden of nooit kwaad wordt en die een goed ontwikkelde gewetensfunctie heeft. Een man, die diverse malen zorgen heeft gekend, zowel om zijn eigen gezondheid alsook om de gezondheid van zijn vrouw, alsmede financiële zorgen, en is er altijd in geslaagd deze zo goed mogelijk zelf op te lossen, zonder daar anderen mee te belasten. De problemen zijn hem echter ver boven het hoofd gegroeid. Weliswaar heeft hij op het laatst de hulp ingeroepen van officiële instanties, maar dit heeft (nog) niet voldoende soelaas kunnen bieden."

De karaktertrekken als door de psycholoog nader omschreven, maakten dat verdachte meer dan gemiddeld kwetsbaar was voor de druk, ontstaan door de financiële problemen van de laatste maanden en de psycholoog concludeert tot enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid voor het bewezenverklaarde.

Verdachte zelf zegt (tijdens het psychologisch onderzoek) over het gebeurde dat hij die ochtend woedend was, zo woedend als hij in zijn hele leven nog nooit was geweest, waardoor hij is overgegaan tot handelend optreden. Door een samenloop van omstandigheden kwam hij bij de Rabobank in Maasbree terecht en heeft daar de bankoverval gepleegd.

Zonder af te willen doen aan de ernst van het gebeuren en de impact voor betrokkenen, overweegt de rechtbank over de wijze waarop verdachte de bankoverval heeft gepleegd, het volgende. Verdachte heeft gedreigd met het ontsteken van een bom, maar daadwerkelijk heeft hij wapens noch explosieven gebruikt. Verdachte heeft de medewerkers in de bank relatief hun gang laten gaan, waardoor zij konden mailen naar elkaar, met elkaar bespreken wat te doen en zelfs een open telefoonverbinding met de politie konden onderhouden. Verdachte bleef, gelet op de verklaringen van de bankmedewerkers, heel erg rustig en had alle tijd, waardoor, zo stellen de bankmedewerkers, zij zelf ook rustig konden blijven. Mede gelet op deze rustige en weinig alerte houding van verdachte konden de bankmedewerkers na circa een half uur de bank verlaten.

Gelet op bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank dat verdachte, nadat hij die ochtend, wederom geconfronteerd werd met rekeningen en met een waarschuwing van de schuldsaneringinstantie, door wanhoop en onmacht gedreven, die dag de bankoverval op de Rabobank in Maasbree heeft gepleegd.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte inzicht heeft getoond in de onjuistheid van zijn handelen, de gevolgen van zijn handelen voor de bankmedewerkers en ook voor zijn gezin. Verdachte heeft zich onder behandeling gesteld van deskundige hulp, waarbij ook aandacht is voor de financiële positie binnen verdachtes gezin. Ook heeft verdachte de hulp van zijn jongste zoon en zijn schoondochter geaccepteerd bij het beheren van zijn financiën.

Over de kans op recidive wordt door drs. Roomans in haar bovengenoemde rapportage gesteld dat wanneer hulp aan het gezin, die inmiddels op gang is gekomen, gecontinueerd wordt, en verdachte ook in de toekomst bereid blijft deze hulp te accepteren, er geen verhoogd recidivegevaar is.

De rechtbank overweegt dat feiten als het onderhavige in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.

Gezien hetgeen echter hiervoor nader is overwogen over de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder hij ertoe is gekomen de bankoverval te plegen, en gezien ook de wijze waarop de overval is gepleegd, en de niet verhoogde recidivekans, is naar het oordeel van de rechtbank hier compassie op zijn plaats, in die zin dat volstaan dient te worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een bijzondere voorwaarde, inhoudende dat verdachte zich richt naar de aanwijzingen van de reclassering, ook wanneer dit inhoudt continuering van de behandeling zoals reeds aangevangen bij de Forensisch Psychiatrische Politiekliniek "de Horst". Hierbij heeft de rechtbank ook het strafadvies van drs. Roomans in haar psychologische rapportage als hiervoor genoemd en het strafafvies van de reclassering in de voorlichtingsrapportage van 14 oktober 2005 mede in aanmerking genomen. Dat betekent ook dat de rechtbank een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, zal opleggen.

12. Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht, artikelen: 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 317

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van één jaar;

beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, -

ook als dit inhoudt continuering van de behandeling zoals reeds aangevangen bij bij/binnen de Forensisch Psychiatrische Polikliniek "de Horst" te Tegelen dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling gedurende de maximale periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars-, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 11 november 2005.

Vonnis gewezen door mrs. C.W.M. Nobis, D.C.M. Bomans en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. C.W.M.Nobis voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 11 november 2005.