Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AU0719

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
09-08-2005
Zaaknummer
05 / 56 WWB K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz), welke aanvraag is afgewezen (nadat eiser reeds enkele voorschotten had ontvangen). In afwachting van de beslissing op de Bbz-aanvraag heeft eiser een aanvraag voor een uitkering op grond van WWB ingediend. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 15 van de WWB afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 05 / 56 WWB K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

Tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Beesel, gevestigd te Reuver, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 29 november 2004,

kenmerk: AJZ/BB/28.

Datum van behandeling ter zitting: 12 mei 2005.

I. PROCESVERLOOP

Namens eiser heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 29 november 2004, waarbij verweerder heeft beslist op een bezwaarschrift van eiser tegen een eerder besluit d.d.12 augustus 2004 inzake de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 mei 2005, waar namens eiser zij verschenen mw. [echtgenote], echtgenote van eiser en mr. Hilkens voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.H. van der Burgt.

II. OVERWEGINGEN

Ingaande15 december 2003 is de voordien door eiser ontvangen uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) beëindigd nadat eiser aan verweerder kenbaar had gemaakt een zelfstandig bedrijf te willen beginnen. Tegen het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser geen beroep ingesteld. Op 6 juni 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz), welke aanvraag op 2 november 2004 is afgewezen (nadat eiser reeds enkele voorschotten had ontvangen). In afwachting van de beslissing op de Bbz-aanvraag heeft eiser op 22 juli 2004 een aanvraag voor een uitkering op grond van WWB ingediend. Verweerder heeft de aanvraag op 12 augustus 2004 op grond van artikel 15 van de WWB afgewezen.

In het bezwaarschrift heeft eiser aangevoerd dat hij niet beschikt over voldoende inkomen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien nu een voorliggende voorziening (bijstand op grond van het Bbz) al 8,5 maand op zich laat wachten. Bij gelegenheid van de hoorzitting is door de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat nu de WWB-aanvraag feitelijk al loopt vanaf december 2003, het moment waarop de Abw-uitkering is beëindigd, en eiser onvoldoende middelen had in zijn bestaan te voorzien, verweerder ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen en voorts heeft nagelaten eiser in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van artikel 16 van de WWB.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, daarbij het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften overgenomen en tot het zijne gemaakt. De commissie is van mening dat het Bbz een voorliggende voorziening is, in de zin van artikel 15 van de WWB, die, gezien haar aard en doel, geacht wordt toereikend en passend te zijn voor eiser zodat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de WWB. Nu er sprake is van een voorliggende voorziening en er geen sprake is van zeer dringende omstandigheden zoals, gelet op de Memorie van Toelichting, bedoeld in artikel 16 van de WWB, is de commissie van mening dat artikel 16 van de WWB niet van toepassing is op de onderhavige zaak. Verweerder heeft bij het bestreden besluit mede betrokken het feit dat eisers aanvraag voor Bbz-uitkering op 2 november 2004 is afgewezen. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan overwogen dat eiser voldoet aan de in artikel 1, onderdeel b van de Bbz vermelde criteria en slechts als zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van de Bbz eventueel aanspraak kan maken op bijstand, hetgeen impliceert dat eiser geen recht heeft op bijstand op grond van de WWB.

In het beroepschrift heeft de gemachtigde aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met –onder meer- het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerder geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat eiser door verweerder op het moment dat de Abw-uitkering werd beëindigd (in december 2003) onvoldoende en onvolledig is geïnformeerd over zijn mogelijkheden. Nu eiser -mede door toedoen van verweerder- van december 2003 tot augustus 2004 geen beroep heeft kunnen doen op een voorliggende voorziening had verweerder toepassing moeten geven aan artikel 16 van de WWB.

In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt toegelicht dat eiser op grond van artikel 15 noch op grond van artikel 16 van de WWB voor een uitkering in aanmerking komt.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Met betrekking tot verweerders beslissing inzake artikel 15 van de WWB overweegt de rechtbank het volgende.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag d.d. 6 juni 2004 en de besluitvorming daarop, gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz, moet worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van dat besluit. Dat is van de zijde van eiser ook niet bestreden.

Aan de Nota van Toelichting Bbz 2004 ontleent de rechtbank aan het volgende:

“Zoals in het algemene deel van de Memorie van Toelichting bij de WWB is aangekondigd, wordt de bijstandsverlening aan zelfstandigen tijdelijk geregeld in de Invoeringswet WWB (IW), in afwachting van de nieuwe wet voor zelfstandigen. Artikel 7 IW voorziet hierin. Het nieuwe Bbz (Bbz 2004) is derhalve gebaseerd op artikel 7 van de IW.”

“Voor zover er in het Bbz 2004 niet wordt afgeweken van de WWB, is de WWB van toepassing op de bijstandsverlening aan zelfstandigen. Het gaat hierbij onder meer om de algemene bepalingen, de uitsluitingsgronden, de inlichtingenplicht, de bijstandsnormen, de verhoging en verlaging van de bijstand, de opschorting en herziening van de bijstand en het verhaal van bijstand.”

Verweerder is van mening dat het Bbz een voorliggende voorziening is in de zin van dit artikel 15, die, gezien haar aard en doel, geacht wordt toereikend en passend te zijn voor eiser zodat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de WWB. De rechtbank verenigt zich met deze opvatting van verweerder. Op grond van het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder f van de WWB dient onder een voorliggende voorziening te worden verstaan: elke voorziening buiten de WWB. Nu de wettelijke grondslag van het Bbz is komen te liggen in artikel 7 van de Invoeringswet WWB, is ook naar het oordeel van de rechtbank sprake van een buiten de WWB gelegen voorliggende voorziening. Dat (volgens de Nota van Toelichting op de Bbz) de WWB van toepassing is op de bijstandsverlening aan zelfstandigen, voor zover er in het Bbz niet wordt afgeweken van de WWB, doet nog niet concluderen dat de Bbz dus geen voorliggende voorziening zou zijn, maar geeft alleen aan dat bij de toepassing van die voorliggende voorziening bepalingen van de WWB van betekenis zijn. Nu eiser een beroep kon doen op de Bbz (bijvoorbeeld indien het bedrijf niet levensvatbaar is en hij zich verplicht de activiteiten in dit bedrijf zo spoedig mogelijk te beëindigen) heeft verweerder terecht besloten dat op grond van artikel 15 van de WWB voor eiser ter zake van zijn aanvraag van 6 juni 2004 geen recht op bijstand bestaat op grond van de WWB.

Met betrekking tot verweerders beslissing inzake artikel 16 van de WWB overweegt de rechtbank dan verder het volgende.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2 van de wet, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

De redactie van deze bepaling, in samenhang met het feit dat noch in artikel 7 van de Invoeringswet WWB noch in de Bbz afwijkingsmogelijkheid van dit artikel 16 uitdrukkelijk is vermeld, noopt niet tot de conclusie dat de hardheidsclausule van artikel 16 WWB geen toepassingsmogelijkheid zou hebben voor de zelfstandige in de zin van de Bbz, die geen recht heeft op bijstand ingevolge de WWB.

Hetgeen van de zijde van eiser is betoogd met betrekking tot de noodzaak van de toepassing van artikel 16 van de WWB in zijn geval kan de rechtbank echter niet overtuigen. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 16 van de WWB dient vast te staan dat er sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Van deze omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank beslist mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

6 juli 2005

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken.