Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT8685

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
05 / 39 WW K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Gewerkte uren vast te stellen aan de hand van de feitelijke situatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 05 / 39 WW K1

Inzake : [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 13 december 2004,

kenmerk: B&B 364.007.24.

Datum van behandeling ter zitting: 19 mei 2005.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van13 december 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 juli 2004, waarbij aan eiseres met ingang van 2 juli 2004 een loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is toegekend, berekend naar gemiddeld 15 per week gewerkte uren, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 19 mei 2005, waar eiseres in persoon is verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.M.L.M. van Buren, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A. Moor.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres is sedert 1 september 1998 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor 15 uur per week werkzaam bij Kantoorboekhandel [bedrijf] BV te [plaats] als winkelchef. (De directeur van deze boekhandel, […], is tevens de echtgenoot van eiseres.) Met inachtneming van de door het CWI verleende ontslagvergunning d.d. 26 mei 2004 wegens bedrijfseconomische redenen heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met eiseres opgezegd tegen 1 juli 2004. Op 6 juli 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Bij primair besluit van 16 juli 2004 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 2 juli 2004 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend. Verweerder heeft de uitkering vastgesteld op grond van een gemiddelde aantal gewerkte uren per week van 15 zodat de uitkering van eiseres € 23,73 bruto per dag bedraagt.

Bij schrijven van 23 juli 2004 heeft de gemachtigde van eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat hij van mening is dat eiseres aanzienlijk meer uren per week heeft gewerkt dan de door verweerder gestelde hoeveelheid van 15.

Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij schrijven van 10 januari 2005 beroep ingesteld. De gemachtigde voert, kort samengevat, aan dat eiseres in de maanden januari tot en met juni 2004 een gemiddeld maandsalaris van € 1259,55 bruto ontving. Het aantal arbeidsuren dat daarmee correspondeert bedraagt, rekening houdend met het bruto uurloon van € 10,86, afgerond 26,75. Op de ingesloten salarisstroken wordt, aldus de gemachtigde, een deel van de gewerkte uren ten onrechte aangeduid met “overwerk”. De uren waar het over gaat werden steevast vergoed op basis van 100% en van overuren was geen sprake. De toepasselijke CAO voor de kantoorvakhandel kent in artikel 15 voor ieder overuur een extra vergoeding toe variërend van 25 tot 150%. Bovendien definieert dezelfde CAO in artikel 14 overwerk als: “arbeid verricht in opdracht van de werkgever, …, met dien verstande dat eerst sprake is van overwerk indien een gemiddelde arbeidstijd van 40 uren wordt overschreden.” Eiseres verrichtte grotendeels haar werkzaamheden in wisselende aantallen uren per week. Dat op enig moment bij het begin van het dienstverband een vast salarisbedrag per maand is afgesproken (€ 730,03 bruto) doet daar niet aan af nu het om de feitelijke gang van zaken gaat. Voorts stelt de gemachtigde dat niet duidelijk is waar verweerder zijn standpunt, dat de extra uren die eiseres werkte niet inherent waren aan de functie doch uitsluitend zijn veroorzaakt door “organisatorische aspecten”, op baseert, zodat elke juridische grondslag voor dit standpunt ontbreekt.

Bij schrijven van 17 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is voor de beantwoording van de vraag of een werknemer werkloos is, onder meer bepalend of de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren. Onder arbeidsuren per kalenderweek dient ingevolge het tweede lid van dit artikel te worden verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

Ingevolge het zevende lid is het Uwv bevoegd voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid, uren waarin geen arbeid is verricht gelijk te stellen met arbeidsuren en uren waarin arbeid is verricht buiten beschouwing te laten. Regels dienaangaande zijn gesteld in de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (Besluit van 18 december 1986, Stcrt. 1986, 248 en 1987, 45 nr. 86/8052, zoals nadien gewijzigd, hierna te noemen: de Regeling).

In art. 4a van de Regeling is bepaald dat voor de berekening van het aantal arbeidsuren bedoeld in art. 16, tweede lid, van de WW buiten beschouwing worden gelaten de uren waarin de werknemer overwerk heeft verricht. Ingevolge het tweede lid van art. 4a wordt onder overwerk niet verstaan de uren:

a. waarin de werknemer krachtens arbeidsovereenkomst of CAO verplicht was arbeid te verrichten en die uren zonder die verplichting als overuren zouden moeten worden aangemerkt; of

b. waarin de werknemer meer dan de normale arbeidstijd arbeid heeft verricht en die uren inherent zijn aan de functie.

Artikel 610b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed wordt een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.

Voor de vaststelling van het aantal uren per week dient, zoals uit de tekst van art. 16, tweede lid, van de WW kan worden afgeleid, uitgegaan te worden van de feitelijke situatie.

Gelet op de gegevens die voorhanden zijn, met name de salarisspecificaties van eiseres van de maanden januari 2003 tot en met juni 2004, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres elke maand behalve de maand maart 2003 meer uren dan de bij het begin van het dienstverband afgesproken 15 per week heeft gewerkt.

Gelet op hetgeen door eiseres ter zitting naar voren is gebracht, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres verplicht was om meer uren dan de afgesproken 15 te werken, gelet op de aard van haar werkzaamheden. De rechtbank doelt hierbij op het feit dat eiseres belast was met het aantrekken van personeel en een deel van de administratie deed, de inkoop en verkoop regelde, diverse vertegenwoordigers ontving en de bedrijfsresultaten met de boekhouders besprak. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat het feit dat de echtgenoot van eiseres - en dus de directeur van de kantoorboekhandel – bijna nooit in de kantoorboekhandel aanwezig was omdat hij ook directeur van een uitgeverij/drukkerij in [plaats] was, aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van eiseres, als bedrijfsleider, zeer vaak de 15 uur per week overschreed.

De rechtbank constateert dat deze extra uren die eiseres werkte onderdeel zijn gaan uitmaken van de bestaande arbeidsovereenkomst. Uit de gegevens omtrent de aantallen vanaf januari 2003 gewerkte extra uren, is met voldoende mate van zekerheid af te leiden dat een bestendige praktijk is ontstaan waardoor, mede gelet op hetgeen in artikel 7:610b van het BW is neergelegd, de arbeidsovereenkomst qua arbeidsduur feitelijk een grotere omvang heeft gekregen. De rechtbank komt temeer tot dit oordeel nu alle extra gewerkte uren niet extra zijn beloond. De rechtbank acht verder geen aanwijzingen in het dossier aanwezig om dit rechtsvermoeden (dat de arbeidsomvang van eiseres meer bedroeg dan 15 uur per week) te weerleggen. Het enkele feit dat de uren sterk wisselen per maand, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres gegrond moet worden verklaard.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Speekenbrink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 29 juni 2005

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.