Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT8649

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
04 / 115 AW K1
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag politieambtenaar en ongeschiktheidsontslag van diens echtgenote (ook politieambtenaar)

Zie voor echtgenote AT8650.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 115 AW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : De Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 19 december 2003,

kenmerk: 02U10.0914.

Datum van behandeling ter zitting: 7 april 2005.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 19 december 2003 heeft verweerder het namens eiser gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2003 (hierna ook te noemen: het primaire besluit) ongegrond verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar van 19 december 2003 (verder ook te noemen: het bestreden besluit) is door de gemachtigde van eiser mr. M.C.E. de Riet, advocaat te Heythuysen, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan gemachtigde van eiser gezonden. De zijdens eiser ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verweerder mr. M.T.J.H. Berns, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie (CAPRA) te 's-Hertogenbosch, gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 april 2005, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. M.C.E. de Riet voornoemd. Voor verweerder zijn ter zitting verschenen mr. M.T.J.H. Berns voornoemd en mr. W.M. Verhoeven, medewerker juridische zaken bij politie Limburg-Noord.

Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep van eisers echtgenote

[echtgenote] in de zaak met procedurenummer 04/116 AW.

II. OVERWEGINGEN

De feiten

Eiser, geboren […], is vanaf 1981 tot 3 augustus 2003 werkzaam geweest bij de Regiopolitie Limburg-Noord, laatstelijk vanaf maart 2000 als rechercheur B bij de basiseenheid [eenheid] van het district [district]. Daaraan voorafgaand heeft eiser vanaf 1997 als coördinator van het team [team], belast met de drugsproblematiek in [district], leiding gegeven aan 9 medewerkers. Het team [team] is per maart 2000 opgeheven.

Bij brief van 30 oktober 2002 heeft verweerder besloten een disciplinair onderzoek in te stellen, in verband met het feit dat hij ambtshalve had vernomen dat eiser op 5 november 2002 op bevel van de officier van justitie zou worden aangehouden en in verzekering zou worden gesteld, in verband met de verdenking van het plegen van strafbare feiten. In verband met deze verdenking is eiser buiten functie gesteld, is hem de toegang tot de gebouwen en terreinen van het korps ontzegd en is hij geschorst in zijn ambt totdat volledige duidelijkheid zou zijn verkregen over de aard en de inhoud van de door hem gepleegde feiten en een definitief besluit zou zijn genomen betreffende mogelijke (disciplinaire) maatregelen.

Op 5 november 2002 is eiser op bevel van de officier van justitie aangehouden en in verzekering gesteld.

Uit het disciplinair onderzoek, dat heeft plaatsgevonden aan de hand van de door de officier van justitie aan verweerder beschikbaar gestelde processen-verbaal van de Rijksrecherche, is verweerder een aantal ontoelaatbare gedragingen van eiser gebleken, die hebben plaatsgehad in de periode van januari 2002 tot en met september 2002.

Vanwege deze gedragingen heeft verweerder bij brief van 14 mei 2003 het voornemen geuit om eiser de disciplinaire straf van een onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen, waarbij eiser is verweten te hebben gehandeld zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden had behoren na te laten. De gedragingen zijn elk afzonderlijk alsmede tezamen aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim, te meer waar de meeste van genoemde gedragingen tevens als misdrijven in de zin van het Wetboek van Strafrecht zijn te kwalificeren. Verweerder heeft eiser de hem verweten gedragingen volledig toegerekend en de zwaarste strafmaatregel, onvoorwaardelijk strafontslag, meer dan gerechtvaardigd en de enige passende reactie zijdens het korps geacht.

Alvorens verweerder tot ontslag is overgegaan, is eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen daartoe. Eiser heeft vervolgens een zienswijze ingebracht. Deze zienswijze heeft voor verweerder geen aanleiding gevormd om van zijn voornemen af te zien dan wel om anders te besluiten dan aangekondigd.

Bij primair besluit van 29 juli 2003 heeft verweerder dan ook uitvoering gegeven aan dat voornemen en is eiser met ingang van vijf dagen na genoemde datum de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd. Aan het primaire besluit is mede ten grondslag gelegd de conclusie van de bedrijfsarts, neergelegd in diens schrijven van 7 juli 2003, dat in de periode van januari tot en met september 2002 geen situatie heeft bestaan van verminderde toerekeningsvatbaarheid dan wel van enige momenten waar op medisch-psychiatrische gronden eiser duidelijk niet vrij zou zijn geweest om zijn eigen wil te bepalen.

In bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2003 is namens eiser onder verwijzing naar zijn zienswijze gemotiveerd betoogd dat de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen, dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur, waardoor tevens sprake is geweest van handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel, alsmede dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

In zijn beslissing op bezwaar van 19 december 2003 heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de commissie de bezwaargronden gemotiveerd weersproken. Verweerder acht dit advies naar de inhoud en naar de wijze van totstandkoming deugdelijk, volledig en draagkrachtig gemotiveerd en heeft het advies van de commissie tot het zijne gemaakt, inhoudende dat het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2003 ongegrond dient te worden verklaard en het strafontslag in stand kan worden gelaten. Samengevat weergegeven heeft de commissie het volgende overwogen.

Op grond van de beschikbare dossierstukken is genoegzaam aannemelijk geworden dat eiser zich aan zeer ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, bestaande uit het meermalen ongeoorloofd verstrekken van politiële informatie aan derden, het aannemen van verschillende giften als wederdienst voor als politieambtenaar verrichte diensten, verzekeringsfraude, misbruik van de functie, het aangaan en onderhouden van risicovolle contacten en het plegen van activiteiten die in strijd zijn met hetgeen een ambtenaar betaamt.

Het Rijksrecherche-onderzoek heeft zorgvuldig en volledig plaatsgevonden.

De wijze van informatieverstrekking aan de media, althans het moment waarop deze informatie is verstrekt, wordt niet onzorgvuldig geacht.

Verweerder heeft voldoende onderzoek verricht naar de toerekenbaarheid van eiser waar hij de bedrijfsarts om diens oordeel heeft gevraagd. Er is geen reden tot twijfel aan het advies van de bedrijfsarts. Op grond van het dossier kan niet worden geconcludeerd dat de gedragingen die eiser worden verweten hem niet ten volle toe te rekenen zijn. Het in geding zijnde plichtsverzuim heeft plaatsgevonden toen eiser al gedurende langere tijd werkzaam was buiten het drugsteam en was daaraan niet of nauwelijks gerelateerd. Een eventueel verband tussen het langdurig geplaatst zijn in het drugsteam en het vervolgens gepleegde plichtsverzuim doet niets af aan de eigen verantwoordelijk van eiser in dezen.

De commissie heeft overigens niet de indruk dat eiser kwaadwillig de regels heeft overtreden, met uitzondering van de verzekeringsfraude, hetgeen onverlet laat dat eiser op vele punten de grenzen van hetgeen van een goed ambtenaar mag en moet worden verwacht heeft overschreden en dat hij gelet op zijn ervaring beter had moeten weten.

Ingevolge het ten tijde van de besluitvorming toepasselijke artikel 10, derde lid, van de Regeling Interne Onderzoeken politieregio Limburg-Noord (de Regeling) diende bij gewenste gebruikmaking van informatie uit strafdossiers een belangenafweging plaats te vinden tussen het persoonlijke belang en het openbaar belang, welke belangenafweging niet geboden was indien toestemming tot gebruikmaking werd gegeven. Het ontbreken van die toestemming betekent evenwel niet dat gegevens uit een strafrechtelijk onderzoek onder geen beding zouden mogen worden gebruikt in bijvoorbeeld een disciplinair onderzoek. De bevoegdheid tot gebruikmaking van de informatie was immers gegeven indien het openbaar belang moest prevaleren.

Uit de Aanwijzing verstrekking van strafrechtelijke gegevens aan derden voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing WBP) van het College van procureurs-generaal, vastgesteld op 3 juli 2001, gepubliceerd in de Staatscourant van 13 augustus 2001, blijkt voorts dat het Openbaar Ministerie (OM) op grond van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) gerechtigd is persoonsgegevens over een individuele strafzaak te verstrekken aan derden. In het onderhavige geval was het OM aldus daartoe gerechtigd.

Verder wordt in paragraaf 6.3 van de Aanwijzing WBP in een situatie als hiervoor genoemd het zwaarwegend openbaar belang in beginsel verondersteld aanwezig te zijn, zodat in casu de aanwezigheid van het zwaarwegend belang niet behoeft te worden beargumenteerd. De verstrekking van het proces-verbaal aan verweerder heeft mitsdien rechtmatig plaatsgevonden en verweerder had de bevoegdheid om van de inhoud van dat proces-verbaal ten behoeve van het disciplinair onderzoek kennis te nemen en gebruik te maken.

Overigens heeft eiser zelf het volledige onderzoeksdossier van de Rijksrecherche in het geding gebracht.

Dat slechts het aannemen van het horloge en de verzekeringsfraude aangemerkt kunnen worden als plichtsverzuim en deze feiten te veel zijn omringd met gedragingen van een ander en duidelijk minder ernstig of nauwelijks verwijtbaar karakter, om welke reden sprake zou zijn van onevenredigheid tussen het gepleegde plichtsverzuim en het onvoorwaardelijk strafontslag, wordt niet gevolgd. Niet alleen vormen die twee feiten reeds genoegzaam grondslag voor strafontslag, maar bovendien kunnen de overige feiten bezwaarlijk als minder ernstig of nauwelijks verwijtbaar worden beschouwd. Ook de stelling de verzekeringsfraude de politieorganisatie niet zou aantasten, wordt niet gedeeld.

Het door eiser gepleegde plichtsverzuim wordt van dien aard en ernst geacht dat van verweerder in redelijkheid niet verwacht hoeft te worden eisers belang bij handhaving in zijn functie, welk belang vanzelfsprekend moet worden geacht, te laten prevaleren boven het eigen belang van een onkreukbare en veiligere organisatie.

Onder verwijzing naar de bezwaargronden is aan het beroep, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat verweerder onvoldoende op de grondslag van de bezwaren die in beroep zijn gehandhaafd en aangevuld het ontslagbesluit heeft heroverwogen, waardoor de beslissing op bezwaar ondeugdelijk is gemotiveerd en verweerder onvoldoende kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Overwegingen over het geschil

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil, ligt de vraag voor of het nalaten door de Rijksrecherche eiser te vragen of hij er bezwaar tegen zou hebben dat zijn verklaring, afgelegd in het strafrechtelijk onderzoek, eventueel zou worden gebruikt in het disciplinaire onderzoek -waartoe eiser dan een schriftelijke verklaring zou hebben moeten afleggen-, maakt dat verweerder de bevindingen van de Rijksrecherche niet ten grondslag zou hebben mogen liggen aan de thans bestreden besluitvorming.

Deze vraag dient op basis van navolgende overwegingen ontkennend te worden beantwoord.

Artikel 10, derde lid, van de Regeling luidt als volgt.

"Het disciplinair en strafrechtelijk onderzoek geschieden onder gescheiden verantwoordelijkheden.

Het is mogelijk, dat een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek tegelijkertijd of aansluitend worden verricht.

Voor de aanvang van een strafrechtelijk onderzoek vragen de onderzoekers aan betrokkenen of deze er bezwaar tegen hebben, dat hun verklaringen afgelegd in het strafrechtelijk onderzoek, eventueel worden gebruikt in het disciplinaire onderzoek. Zij leggen hiertoe een schriftelijke verklaring af."

Tussen partijen staat vast dat eiser niet is gevraagd of hij bezwaar ertegen had dat zijn verklaringen, afgelegd in het strafrechtelijk onderzoek, eventueel in het disciplinair onderzoek zouden worden gebruikt. De Regeling is er (blijkens artikel 2 van de Regeling) op gericht de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek naar disciplinaire en strafrechtelijke gedragingen van ambtenaren binnen de politieregio Limburg-Noord te waarborgen, alsmede de bevordering en de handhaving van de integriteit van de regiopolitie Limburg-Noord.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek door de Rijksrecherche niet overeenkomstig de Regeling is verlopen. Zulks staat evenwel niet in de weg aan het ten grondslag leggen aan de bestreden besluitvorming van de verklaringen van eiser, afgelegd in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. Immers, ook in geval eiser bezwaar had gemaakt tegen het gebruik van de door hem in het kader van het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen, was het OM gerechtigd -zoals ook zijdens eiser is erkend- het strafrechtelijk dossier aan verweerder te verstrekken. De bevoegdheid daartoe vloeit voort uit de Wet politieregisters. Het handelen van verweerder aangaande de bewijsvergaring in deze wordt volgens vaste jurisprudentie beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uitgaande van die beginselen is gebruik van informatie als waar het hier om gaat slechts dan niet toegestaan, indien deze bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Dat hier niet is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Regeling wordt niet als een omstandigheid gezien die aan het gebruik van de door eiser afgelegde verklaringen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek in het disciplinaire onderzoek in de weg staat. Daarenboven is niet gebleken dat de door eiser afgelegde verklaringen op ondeugdelijke of onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of daarbij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden, zodat ook daarin geen beletsel voor het gebruik maken van de verklaring in het disciplinaire onderzoek kan worden gevonden. Dat eiser overigens -indien hem wel om toestemming zou zijn gevraagd- wellicht niet zo vergaand zou hebben meegewerkt aan zijn eigen disciplinaire bestraffing, zoals door zijn gemachtigde ter zitting is betoogd, is geenszins aannemelijk gemaakt. Immers, uit de stukken noch uit de mondelinge toelichting ter zitting is een grond is te destilleren op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat eiser wel bereid is geweest vergaand mee te werken aan zijn strafrechtelijke veroordeling, terwijl eiser zijn medewerking niet zou hebben willen verlenen aan het disciplinaire traject. Al het vorenstaande brengt met zich mee dat niet kan worden geconcludeerd tot een procedureel beletsel op basis waarvan de uit eisers verklaringen blijkende feiten niet aan het bestreden besluit ten grondslag zouden mogen worden gelegd.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De eerste vraag die in dat verband voorligt, is of de eiser verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim. Bij een bevestigende beantwoording liggen vervolgens de vragen voor of eiser het plichtsverzuim te verwijten is en of het plichtsverzuim hem ook kan worden toegerekend. Zo die vragen bevestigend dienen te worden beantwoord, komt tot slot aan de orde of er tussen de zwaarte van de opgelegde straf en de ernst van de gepleegde overtreding geen onevenredigheid bestaat.

Artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of die zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Het tweede artikellid geeft aan dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift omvat als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Naast het Barp geldt voor politiefunctionarissen ook het Integriteitsstatuut van de Nederlandse politie, waarin normen en gedragscodes voor politiefunctionarissen zijn opgenomen. Het statuut vormt blijkens de toelichting daarop een algemene richtlijn voor de hele politieorganisatie en bevat grondregels die principieel zijn en waar niemand omheen kan. Zo zijn onder meer de volgende bepalingen in het Integriteitsstatuut opgenomen:

"(…)

1.3 Een politieambtenaar stelt in zijn handelen het publieke belang boven het eigenbelang. (…)

3.1 Een politieambtenaar is uiterst terughoudend in het aannemen van geschenken.(…)

3.3 Een politieambtenaar mijdt risicovolle contacten in de privésfeer en houdt professionele contacten inzichtelijk en bespreekbaar.(…)

5.1 Een politieambtenaar misbruikt informatie niet.

5.2 Een politieambtenaar weet een geheim te bewaren.(…)".

De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de gedragingen die aan het strafontslag ten grondslag zijn gelegd, feitelijk daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat hem niet alle gedragingen kunnen worden verweten als (ernstig dan wel zeer ernstig) plichtsverzuim, te meer niet nu verweerder deze niet in de juiste context heeft geplaatst en niet alle feiten en omstandigheden bij de besluitvorming zijn betrokken.

Kort gezegd berust het bestreden strafontslag op navolgende gedragingen:

- het aannemen van giften (mobiele telefoon, baby-/kinderkleding, nachtlampje, kinderarmbandje, muziekmobiel, etenswaren en horloge) van derden;

- het schenden van het ambtsgeheim door het verstrekken van (politiële) gegevens aan derden;

- het plegen van en behulpzaam zijn bij verzekeringsfraude;

- het aangaan en onderhouden van risicovolle contacten;

- het plegen van activiteiten die in strijd zijn met hetgeen een ambtenaar betaamt.

Ter zitting is gebleken dat eiser bij strafvonnis is veroordeeld voor het aannemen van het horloge, het meermalen schenden van het ambtsgeheim en verzekeringsfraude. Dit vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

De rechtbank plaatst vraagtekens bij de conclusie van verweerder dat elk van de eiser verweten gedragingen op zichzelf reeds als zeer ernstig plichtsverzuim dient te worden aangemerkt. In dit verband wordt evenwel opgemerkt dat voor het in stand kunnen blijven van het strafbesluit niet is vereist dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser zich aan álle hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt, daar het besluit ook in stand kan blijven indien de wél in voldoende mate vaststaande gedragingen een zodanig ernstig plichtsverzuim opleveren dat de opgelegde straf niet onevenredig kan worden geacht. Op grond van de voorhanden gegevens heeft verweerder naar dezerzijds oordeel in ieder geval terecht als zeer ernstig plichtsverzuim aangemerkt het aannemen van het horloge, het schenden van het ambtsgeheim en de verzekeringsfraude. Dat er slechts sprake zou zijn van een als plichtsverzuim aan te merken gedraging die verweerder te zeer heeft omringd en doen samenhangen met gedragingen van een ander en minder ernstig of nauwelijks verwijtbaar karakter, kan de rechtbank gezien het vorenoverwogene niet onderschrijven. De rechtbank onderschrijft gelet op de inhoud van de gedingstukken, waaronder het strafrechtelijk onderzoek, evenmin dat verweerder de feiten die hier als plichtsverzuim zijn aangemerkt onjuist of onvolledig heeft weergegeven. In dat verband hecht de rechtbank aan de door eiser afgelegde en door hem ondertekende verklaringen.

Eiser wist of kon redelijkerwijs beseffen dat hij met de hiervoor -ook door de rechtbank- als zeer ernstig als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen voorschriften overtrad en dat zijn gedragingen strijdig waren met hetgeen een goed ambtenaar in die omstandigheden betaamt. Dat eiser van de bewuste gedragingen geen verwijt te maken zou zijn, is niet gebleken. Zo leidt de omstandigheid dat de indruk die bij verweerder is gewekt dat eiser niet kwaadwillig de regels heeft overtreden (behoudens de verzekeringsfraude) niet tot een verminderde verwijtbaarheid, nu daarin geenszins een rechtvaardiging kan worden gevonden voor de hem verweten gedragingen. Voorts heeft verweerder naar dezerzijds oordeel terecht en op goede gronden aangenomen dat eiser de hiervoor genoemde gedragingen kunnen worden toegerekend. De stelling van eiser dat hem die gedragingen niet kunnen worden toegerekend, wordt dan ook van de hand gewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Voor toerekenbaar plichtsverzuim is het niet nodig dat eiser willens en wetens onjuist of onbetamelijk handelt. Daartoe moet namelijk ook worden gerekend de situatie dat hij redelijkerwijs kon beseffen dat hij door aldus te handelen de niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans liep dat hij iets deed dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoorde na te laten. Door dat risico voor lief te nemen moet hem de verwerkelijking van die kwade kans ook worden toegerekend.

De conclusie zijdens eiser dat verweerder de gestelde arbeidsongeschiktheid van eiser ten tijde van het plegen van de aan de orde zijnde gedragingen niet heeft laten meewegen bij het disciplinair onderzoek, kan niet worden onderschreven. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat op basis van de gedingstukken slechts kan worden geconstateerd dat eiser ten tijde van de verweten gedragingen ziek en overspannen was. Van feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat eiser evenwel redelijkerwijs niet kon beseffen dat hij door aldus te handelen de niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans liep dat hij iets deed dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoorde na te laten, is uit de gedingstukken -waaronder de zijdens eiser verstrekte gegevens- niet gebleken. De gestelde ontoerekeningsvatbaarheid ontbeert een deugdelijke medische onderbouwing; de afsluitende rapportage van eisers psycholoog drs. P.A.M. Delsing is bij gebreke aan een objectief medische onderbouwing dan ook volstrekt onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen enkele aanwijzing aanwezig geacht dat eiser verstoken was van ieder inzicht in het laakbare van zijn handelingen en verstoken was van iedere wilsvrijheid. Verweerder heeft dan ook terecht geen noodzaak gezien tot nader (psychiatrisch) onderzoek en in dat verband heeft verweerder kunnen en mogen volstaan met de verwijzing naar de brief van de bedrijfsarts van 7 juli 2003. Dat de bedrijfsarts geen medische gegevens heeft opgevraagd bij de behandelend sector, doet niets af aan de deskundigheid die bij een bedrijfsarts mag en moet worden verondersteld aanwezig te zijn, te meer nu van het tegendeel niet is gebleken. Aan de stelling dat aan diens advies een onzorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt, wordt gelet op het vorenstaande voorbij gegaan.

Nu, zoals hiervoor is vastgesteld, eiser zich heeft schuldig gemaakt aan hem toe te rekenen plichtsverzuim, was verweerder ook bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

Het betreft hier een disciplinaire straf, waarvan de rechtbank de oplegging vol -en niet terughoudend- op rechtmatigheid toetst. Meer in het bijzonder dient de rechtbank te beoordelen of het bestuursorgaan bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel.

Dienaangaande heeft eiser aangevoerd dat de gevolgen van het ontslag voor eiser zowel psychisch, emotioneel als financieel zeer ernstig zijn en tegen het functioneren van eiser overigens van geen bezwaren is gebleken. In tegendeel, uit de gedingstukken blijkt dat over zijn functioneren altijd goede tot zeer goede beoordelingen zijn opgemaakt en geen sprake is van waarschuwingen of disciplinaire straffen wegens eerder plichtsverzuim.

Ten aanzien van het opgelegde strafontslag oordeelt de rechtbank als volgt.

Een zo zware straf kan gezien de belangen van eiser alleen worden gerechtvaardigd door een (zeer) ernstig plichtsverzuim en/of door een (zeer) groot belang dat ermee is gemoeid voor verweerder. Eiser had moeten en kunnen beseffen dat in de mate van zelfstandigheid waarmee hij zijn werkzaamheden als politiefunctionaris verrichtte een grote mate van vertrouwen ligt opgesloten en dat schending van dat vertrouwen op de wijze waarop dat in casu is geschied, hem ernstig moet worden aangerekend. Onkreukbaarheid en nauwgezetheid zijn eigenschappen die van elke ambtenaar mogen worden verlangd, maar voor eiser gold dat, gelet op zijn functie en positie bij de politie, wel in bijzondere mate. Het betrof hier geen (ongelukkige) incidenten doch een aantal voorvallen over een langere periode. Nagenoeg alle gedragingen (waartoe de rechtbank zich bij haar beoordeling heeft beperkt) vonden plaats binnen de kring van werkzaamheden van eiser als politiefunctionaris en dan nog op punten waar van eiser gezien die functie en positie extra voorzichtigheid en zorgvuldigheid mocht worden verlangd. Dit geldt evenzeer voor de voorvallen (de verzekeringsfraude) die buiten de kring van zijn werkzaamheden hebben plaatsgehad.

Weliswaar begrijpt de rechtbank dat eiser ernstig is gedupeerd door de getroffen maatregel, maar anderzijds is aannemelijk dat verweerder onder de gegeven omstandigheden onoverkomelijke bezwaren heeft gehad -en kon hebben- tegen voortzetting van het dienstverband van eiser. Rekening houdend met de persoon van eiser, met zijn jarenlange staat van dienst, bestaande uit een 22-jarig dienstverband bij de politie, en de zijdens eiser geschetste gevolgen acht de rechtbank gelet op de ernst van het plichtsverzuim en gelet op de belangen van verweerder bij een integere politieorganisatie de zwaarte van de door verweerder opgelegde straf niet onredelijk en evenmin onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Reeds gezien de strafwaardigheid van de eiser terecht verweten gedragingen ontbreekt verder de noodzaak de overige eiser (nog onbesproken gebleven) verweten gedragingen bij de beoordeling te betrekken, zodat zulks achterwege wordt gelaten.

Dat verweerder onvoldoende kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, kan de rechtbank op basis van de aangevoerde beroepsgronden niet onderschrijven. Ook de zijdens eiser naar voren gebrachte argumenten ter ondersteuning van zijn grief dat de opgelegde straf niet zou kunnen voldoen aan het evenredigheidsbeginsel hebben de rechtbank niet kunnen overtuigen. Voorts kan hetgeen namens eiser is gesteld ten aanzien van soortgelijke zaken waarin geen straf is opgelegd dan wel de opgelegde straf minder zou zijn geweest evenmin tot een ander oordeel leiden, nu niet is gebleken van gevallen waarin sprake was van dezelfde -gecumuleerd aan een strafontslag ten grondslag gelegde- gedragingen als eiser hier verweten. Dat er binnen het korps van verweerder een geschenkencultuur heerst, heeft eiser overigens niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Van onzorgvuldig handelen zijdens verweerder door de voor eiser -volgens zijn gemachtigde- gunstige verklaringen niet bij het disciplinaire onderzoek te betrekken en de inhoud niet mee te nemen in de besluitvorming, is de rechtbank na kennisneming van de inhoud van die verklaringen evenmin gebleken. Deze verklaringen leveren weliswaar een bijdrage aan het beeld van de context waarin de verweten gedragingen hebben plaatsgehad en welke context de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken, doch laten onverlet de vastgestelde gedragingen, verwijtbaarheid en toerekenbaarheid en de evenredigheid van het opgelegde ontslag.

Evenmin slaagt de grief -naar de rechtbank begrijpt- dat verweerder onzorgvuldig jegens eiser heeft gehandeld door hem onnodig schade toe te brengen door uitgifte van een gedetailleerd persbericht. Het door verweerder uitgebrachte persbericht is dermate algemeen van aard en niet tot eiser herleidbaar, nu zijn naam noch zijn initialen zijn vermeld, dat niet gezegd kan worden dat eiser in zijn hoedanigheid van politieambtenaar rechtstreeks in zijn belangen is getroffen. Verweerder kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de wijze waarop de media nadere invulling aan dat persbericht heeft gegeven.

Tot slot kan eiser niet worden gevolgd in zijn grief dat verweerder onvoldoende op de grondslag van de bezwaren het ontslagbesluit heeft heroverwogen en daardoor de beslissing op bezwaar ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat verweerder in zijn beslissing niet expliciet heeft gereageerd op elke zijdens eiser opgeworpen bezwaargrond, laat onverlet dat het bestreden besluit, mede in het licht van de overige gedingstukken, impliciet een reactie op de gemaakte bezwaren behelst. Van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van alle voorgaande overwegingen moet het beroep van eiser voor ongegrond worden gehouden. Hetgeen overigens in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), L.M.J.A. Dassen en M.M.T. Coenegracht, in tegenwoordigheid van mr. N.I.B.M. Buljevic als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 26 mei 2005.

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.